Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Theologische faculteit.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Theologische faculteit.

7 minuten leestijd

Amsterdam, 25 Maart 1904.

De verklaring van den Minister in de Tweede Kamer, dat hij bij dereorganisatie van het Hooger Onderw^ijs bereid was mee te werken tot herstel der Theologische faculteit, mits degenen die op dit herstel aandrongen, dan ook klaar en duidelijk hun wenschen op dit punt aan de Regeering kenbaar maakten, heeft het belangrijk vraagstuk van de Theologische faculteit plotseling aan de orde gesteld op een wijze, die in de naaste toekomst onze politiek beheerschen zal.

De liberale pers juicht hierin, omdat ze daarin den Erisappel meent gevonden te hebben die de gemeenschappelijke actie van de Christelijke partijen in hopelooze verdeeldheid zal doen ondergaan. Nóch de Roomschen noch de voorstanders van het vrije Hooger Onderwijs zullen willen meewerken om de officieele Theologische faculteit ten dienste der Hervormde kerk te herstellen. Het Ministerie verliest dan zijn beide steunpunten, rechts en links. En wanneer het Kabinet eenmaal gevallen is, dan zal de vogelaar, die thans zoo zoet zit te fluiten, het net dichthalen en in zijn vuistje lachen om de onnoozelheid van het vogelke, dat zoo argeloos in den strik vloog.

Van ernstig politiek beleid getuigt het dan ook niet, dat plotseling zonder eenige voorbereiding of ruggespraak deze diep ingrijpende quaestie in het debat geworpen is. En het is volkomen te begrijpen, dat de Minister, waar hij zijn steun toezei, op duidelijke formuleering der wenschen aandrong. Met algemeene leuzen en vage termen kan men wel een zekere actie onder het volk verwekken, maar komt men op politiek gebied niet verder. Een concreet voorstel alleen kan den weg wijzen, die tot een wetsvoorstel leiden kan.

En te meer klemt dit, omdat het niet waarschijnlijk is, dat reeds in deze zittingsperiode van het parlement, de reorganisatie van het Hooger Onderwijs tot stand zal komen. Bij de aanstaande stembus zullen de verbonden Christelijke partijen zich ook op dat punt te verstaan hebben. En elke gemeenschappelijke actie is onmogelijk, zoo lang men niet weet wat een der bondgenooten wil.

Op zich-zelf nu heeft de sterke actie, die thans in de Hervormde kerk gaande is, om de zoogenaamde theologische faculteit aan de Staatsuniversiteiten, die feitelijk een faculteit van godsdienstwetenschap is, te vervangen door een heusche theologische faculteit, in menig opzicht onze sympathie.

Volkomen terecht heeft de Minister er aan herinnerd, dat toen in 1875 de ongelukkige boedelscheiding tot stand kwam, waarbij aan de theologische faculteit het hart werd uitgesneden, de voornaamste leiders in de Hervormde kerk, in plaats van den diepen smaad te gevoelen, die daarmede aan de theologie werd aangedaan, veeleer de scheiding tusschen de wetenschappelijke vakken, die de Staat doceeren zou, en de dogmatische en practische vakken die aan de Kerk werden overgelaten, met gejuich hebben begroet. Het is dus zeker als winst te boeken, dat thans, met uitzondering van de moderne richting, schier algemeen erkend wordt, dat de theologie als wetenschap van de geopenbaarde kennisse Gods om haar eere is gebracht; dat deze toestand onhoudbaar is, en dat de theologische faculteit weer in haar ware gestalte moet hersteld worden.

En evenzeer is het een verblijdend teeken, dat men om dit doel te bereiken de toevlucht niet wil nemen tot een kerkelijk seminarie, maar den band vast wil houden aan de Universiteit. Niets zou de ongeloovige richting liever zijn, dan dat de Theologische faculteit aan de Staatsuniversiteit werd opgedoekt en van de erve der wetenschap verbannen werd naar een kerkelijke kweekschool. Feitelijk zou daarmede zijn uitgesproken, dat de Theologie geen wetenschap is, en zij, die eens als koningin der wetenschap geëerd werd aan onze Landshoogescholen, zou met Hagar worden weggezonden in de woestijn, hoogstens met een staatssubsidie als vergoeding voor haar wetenschappelijke eere.

Noch de smalende toon, waarop over de Vrije Universiteit gesproken wordt, noch de onjuiste pretentie, alsof de Ned. Herv. Kerk de nationale kerk is, mag ons verleiden onze waardeering te onthouden aan hetgeen in deze actie der Herv. predikanten het Christelijk beginsel in het gevlij komt.

Wie dat inziet zal het niet onverklaarbaar vinden, dat de Minister, hoe warm voorstander hij ook zijn moge van de Vrije Universiteit, deze actie met welwillendheid begroette en volkomen terecht verklaarde, dat het dilemma van den heer Mees: of handhaving der kleurlooze faculteit der godsdienstwetenschap óf verwijdering der theologische faculteit van de Staatsuniversiteit, voor hem niet bestond. Er is hier, ook zonder prijsgeving van ons beginsel, dat de Staat niet voor een bepaalde kerk partij mag kiezen, wel degelijk een middenweg te vinden, waardoor de Theologische faculteit in haar ware gestalte hersteld worden kan.

Hoe dit staatsrechtelijk kan geregeld worden, is een vraag, die op politiek gebied ligt en waar de Heraut zich dus niet over uit te spreken heeft. Maar wel heeft voor ons de vraag belang, hoe zorg kan gedragen worden, dat deze herstelde Theologische faculteit metterdaad aan haar doel beantwoordt en niet opnieuw in de handen van de moderne en ethische theologen een middel wordt, om feitelijk allerlei onzuivere leer in de Ned. Herv. Kerk in te dragen. Tot dusverre toch heeft men van de zijde der Herv. Kerk weinig anders gevraagd, dan dat de Theologische faculteit/örw2^^/hersteld zou worden door ook aan de Dogmatiek weer een eereplaats in haar midden te geven. Maar volkomen terecht heeft de Minister daarop gevraagd, welke dogmatiek men dan wenschte: de roomsche, de luthersche, de ethische, de moderne, of de gereformeerde dogmatiek. m u e u d

Die vraag nu klemt te meer, omdat de benoeming der hoogleeraren aan de Rijksuniversiteiten ten principale beslist wordt door den Minister. Wel doet de faculteit zelf een voordracht, wordt deze door de Curatoren beoordeeld en overgenomen, maar de Minister, die de definitieve voordracht doet aan de Koningin, is aan deze voordracht niet gebonden en kan, zoo hij dit noodig oordeelt, een voordracht doen geheel buiten de faculteit om; gelijk nog onlangs de benoeming van Prof. Visscher te Utrecht bewees. Wist men nu zeker, dat steeds een Christelijk Ministerie zou optreden, dan kon dit minder moeite opleveren. Maar de stembus heeft telkens geleerd, dat de partijen elk oogenblik verschuiven en er geen de minste waarborg bestaat, dat niét over enkele jaren weer een liberaal Ministerie op het kussen zitten zal. En hoe kan aan de willekeur van een telkens wisselend Ministerie dit levensbelang der Kerk worden overgelaten ?

Wil men dit gevaar voorkomen, door de Theologische faculteit aan een bepaalde confessie te binden, zoodat niemand benoemd kan worden dan die met deze confessie instemt, dan rijst terstond de vraag of onze Grondwet niet tegen een dergelijke bepaling zich verzetten zou, nog daargelaten dat de droeve ervaring van vroeger tijd wel geleerd heeft, dat zelfs de plechtige onderteekening van de drie formulieren van eenigheid, mannen als Scholten en Kuenen niet verhinderd heeft, lijnrecht in strijd met de belijdenis, het modernisme te propagandeeren. Wanneer de Regeering niet tegelijk tot plicht krijgt de hoogleeraren, die van de confessie afwijken, te ontslaan, dan helpt de onderteekening der belijdenis niet. En hoe zal een liberaal of radicaal ministerie over afwijking van de ibelijdenis een oordeel kunnen vellen.'

Bovendien, waar in de Hervormde kerk de moderne, de ethische, de groninger en de gereformeerde richting feitelijk naast elkander geduld worden, met welk recht zal men daar een drietal dezer richtingen van de theologische faculteit uitsluiten.' En al wilde men nu, gelijk in de Kamer voorgesteld is, de faculteiten over deze richtingen verdeelen, hoe zal dit ooit wettelijk geregeld kunnen worden, en waaraan zal de Minister dan moeten keuren, bij de vele overgangsschakeeringen, of iemand modern, ethisch, groninger of gereformeerd is.'

Ook de uitweg, dat de Minister bij de voordracht gebonden zou zijn aan de per sonen, die de Hervormde Kerk officieel ter benoeming zou aanwijzen, leidt tot dezelfde moeielijkheden. De benoemingen, die dusverre de Herv. Synode deed voor haar kerkelijke hoogleeraren, hebben juist aan de Gereformeerden de scherpste critiek ontlokt, en de „Gereformeerde Kerk" heeft het meest en niet ten onrechte over de partijdigheid djer benoemingen geklaagd.

Dit zijn de vragen, die terstond opkomen, zoodra men van het formeele tot het materieele overgaat.

En het zijn deze vragen, die om een klaar en duidelijk antwoord roepen, eer een wetsvoorstel tot herstel der theologische faculteit door de Regeering kan worden ingediend.

Niets zal ons liever zijn dan wanneer de „Gereformeerde Kerk" voor deze moeilijk' heden een goede oplossing weet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 maart 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Theologische faculteit.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 maart 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken