Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

In het Diaconaal Correspondentieblad brengt Prof Biesterveld nogmaals de vraag ter sprake, of de weezenverpleging in het gezin, dan wel in gestichten behoort te geschieden.

Aanleiding daartoe bood de bekende quaestie, in den Amsterdamschen Gemeenteraad ter sprake gebracht, of het Burgerweeshuis niet beter vervangen kon worden door verpleging in het gezin.

Het vraagstuk: hoe onze weezen het best worden verzorgd, moet wel steeds de aandacht ook van onze broeders diakenen blijven trekken. De hoofd vraag hierbij is of de weezen in een gesticht gezamelijk, of iii gezinnen moeten verpleegd worden. Vanzelf geldt dit alleen weezen, die geen opname bij eigen familieleden kunnen vinden. Wanneer wij kiezen voor verplegen van weezen in het gezin, dan is dit zeker niet om eenige onvriendelijkheid te zeggen aan het adres der bestaande stichtipgen, allerminst aan die in on? e Gereformeerde kerken worden gevonden. Evenmin moet daaruit afgeleid dat alle stichtingen moeten opgeheven of dat er nooit van eene gestichts verzorging sprake mag zijn. Maar wel dient de vraag onder de oogen gezien: voor welk stelsel we uit principieele en practische overwegingen hebben te kiezen, wanneer wij in onze keus vrij zijn, en de omstandigheden niet noodzaken tot anders handelen.

In den laatsten tijd is deze quaestie weer naar den voorgrond geschoven onder meer door een be weging in den Amsterdamschen gemeenteraad om het Burgerweeshuis te vervangen door gezinsverple ging. Een daartoe strekkend voorstel is bij den ge meenteraad ingediend door de heeren Blankenberg en Harmsen. De eerste is de bekende mederedacteur van het Tijdschrift voor Armenzorg en Kinderbescherming, en tevens de ziel van het Genootschap «Liefdadigheid naar Vermogen". Dit voorstel is niet bij wijze van zuinigheidsmaatregel bedoeld, maar bepaald geboren uit de overtuiging dat ge zinsverpleging de voorkeur verdient. Evenals dat het geval is bij de Maatschappij tot verzorging van weezen in het huisgezin.

Ook in het buitenland houdt men zich steeds met dit vraagstuk bezig. Men vindt daar zeer vele voorstanders van de gezinsverpleging. In het jaar 1887 vroeg Dr. Böhmert voor zijn geschrift »Das Armenwesen in 77 deutschen Stitdten und einigen Landarmenverwaltutigen", aan 77 duitsche armvoogdijen om hunne meening op dit punt. Niet minder dan 58 van deze colleges spraken zich beslist voor gezinsverpleging uit. Slechts 9 kozen voor verzor. ging in gestichten, terwijl de overigen zich ver klaarden voor het gemengde stelsel. Het stelsel van de gezinsverpleging is doorgevoerd in Hessen, Saksen Altenburg, Saksen-Koburg, Mecklenburg, Bernburg, Waldeck, Heiningen, Lübeck, terwijl in 1887 de Deutsche Verein für Armenpflege und Wohlthütigkeit zich beslist vóór de gezinsverpleging uitsprak. In 1895 schreef Dr. Wurster in zijn Lehre vonder Inneren Mission, pag. 263: »Die Zeit der Neubegründung von Waisenhausern sei es von seiten der Behörden oder der evangelischen Diakonie ist vorü ber', d.i. de tijd van stichting van nieuwe weeshuizen is voorbij, zoowel v/at de Overheid als Dia konie betreft"'.

In 1899 werden op de vergadering van de «Deutsche Verein für Armenpflege und Wohlthatigkeit", naar aanleiding van een referaat van den heer Stelman, Directeur van een Weeshuis te Hamburg, over het onderwerp: «Toezicht op de kinderen, die in gezinnen verpleegd worden', de navolgende eonclusiën aangenomen, die tevens doen zien hoe men zich de verpleging in de gezinnen voorstelt:

1. dat de verpleging in het gezin de natuurlijke wijze is, om onmondigen, die aan de openbare liefdadigheid vervallen zijn, te verzorgen en op te voeden. Evenwel heelt zij — tenminste voor grootere lichamen - een goed opvoedingsgesticht noodig als aanvulling.

2. dat, om de verpleging in het gezin zoo vruchtbaar mogelijk te doen zijn, er toezicht op die verpleging noodig is, hetwelk

a. georganiseerd wordt en geleid door het armbestuur of weescollege, dat, voor zoover dit mogelijk is, de plichten en rechten heeft van wettige voogden of verplegers.

b. uitgeoefend wordt door verplegers, die daar mede een eere ambt vervullen en door vrouwen daarin worden bijgestaan, vooral om op de ver pleging van zuigelingen en het opvoeden van meisjes een wakend oog te houden.

c. ondersteund wordt door geneeskundige hulp, die door de besturen bereidwillig ter beschikking is gesteld,

3. dat het toezicht moet omvatten:

a. het zorgvuldige onderzoek naar de gezinnen, die zich tot opname van pleegkinderen aanmelden.

b. de medewerking bij de keuze en de indeeling der pleegkinderen.

c. de zaakkundige leiding en ondersteuning dei gezinnen bij de verpleging en de opvoeding van de hun toevertrouwde kinderen.

4. dat de verpleging in het gezin en het toezicht daarop, niet geëindigd zijn wanneer de verpleegden de school verlaten, maar zich verder uitstrekken tot het houden van een waakzaam oog op de minderjarigen, die door het Armbestuur of het Weescollege als leerlingen of helpers bij handwerkslieden, of als dienstboden resp. jeugdige arbeiders, in een dienst of bij werkgevers zijn geplaatst.

Zoo ziet men, dat de gedachte om in het gezin te verzorgen steeds meer veld wint en men zich tegen de groote gestichten keeren gaat, al ontkent men niet de bezwaren die ook bij het andere stelsel blijven bestaan.

Voor wij nu onze eigen meening in dit stuk doen kennen, willen we enkele bijzonderheden uit de geschiedenis der Weezenverzorging herinneren, die van beteekenis kunnen zijn voor ons oordeel.

Het oude Athene, dat over het geheel nog het best van alle heidensche stammen voor zijne armen zorg droeg, had bepaald, dat de weezen van in den oorlog gevallen burgers op staatskosten zouden worden verzorgd. De knapen tot hun achttiende jaar. De bezittingen van weezen waren in Athene vrij van belasting.

De Heere zorgde in Zijne wetgeving voor weduw en wees, Hij die zich een Vader der weezen en een Rechter der weduwen noemt ('Psalm 68 : 6). Als Israël feest viert moet het wees en weduwe uitnoodigen aan het feestmaal, om voor het aangezich' van den Heere God vrolijk te zijn (Deuter. 16:11 en 14).

In de eerste Christelijke gemeenten waren de eerbare weduwen in aanzien. En het was haar met name opgedragen om voor de weezen der gemeente zorg te dragen. De gemeente onderhield de weezen en liet voor hen door genoemde weduwen zorgen.

Zoo bleef het. Een van de oudste kerkenordeningen der oude kerk, de Constitutiones Apostolicae bepaalt, dat de opzieners der gemeenten zorg dragen moeten dat de weesjongens een handwerk leeren, terwijl ook toen en later nog steeds dezelfde taak aan dé weduwen was opgedragen als in den tijd der Apostelen. Gewoonte was het in de kerk de weezen op kosten der gemeente te doen opvoeden, te zorgen voor het huwelijk der meisjes de jongens een ambacht te doen leerenen van gereedschappen te voorzien, opdat zij hun eigen brood mochten verdienen. Dikwerf kwam het ook voor, dat gemeenteleden weeskinderen als hun eigene kinderen aannamen, vooral wanneer de ouders den marteldood hadden geleden. Zoo gebeurde het met den later zoo beroemden kerkvader Origenes, die door eene vrome vrouw in Alexandria werd opge voed nadat zijn vader Leonides den marteldood was gestorven, De kinderen der bekende martelares Felicitas werden insgelijks zoo verzorgd, tetwijl de kerkgeschiedschrijver Eusebius ons den naam bewaard beeft van Severus uit Palestina, die bijzonder zich over de weduwen en weezen der martelaars ontfermde. Meermalen werd er bijzonder op aangedrongen, en met goed gevolg, dat kinderloozen zich achtergeblevene weezen zouden aantrekken.

Bijzonder komt de liefde der Christenen in dien tijd ook hierin uit, dat zij zich over de vondelingen ontfermden. Het te vondeling leggen kwam bij de heidenen zeer veel voor. En zulke kinderen werden gewoonlijk opgevoed voor de zwaardvechterschool en voor het bordeel. De Christenen trokken zich hunner aan om hen op te voeden voor den Heere en voor een nuttig leven in de maatschappij.

Ook later betoont de kerk bijzonder de belangen der weduwen en weezen te behartigen. Ambrosius en Augustinus rekenen het een eerste plicht de bis schoppen te zijn om voor de rechten der weezen te waken. Dikwijls werden de bezittingen van weezen aan de kerk om te beheeren toevertrouwd. Meerdere brieven van Augustinus handelen over het huwelijk van weesmeisjes. Hij schreef aan Felix: gij weet welke zorg de kinderen en de bisschoppen moeten ten koste leggen om allen, maar bijzonder de weezen te beschermen. Ook toen werd het roeping der kerk gerekend om voor de vondelingen te zorgen. Keizerlijke decreten bepaalden dat wie een kind vond dit aan de kerk moest m.elden. Dan werd door den geestelijke op den eerstvolgenden Zondag dit meegedeeld en de ouders opgeroepen zich aan te melden. Kwam niemand het kind op eischen, dan mocht de vinder het als zijn eigen kind aannemen of anders zorgde de kerk voor de opvoeding.

Een volgende keer zien we hoe het in de Middeleeuwen stond,

Met belangstelling zien wij de verdere resultaten van dit historisch onderzoek tegemoet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken