Bekijk het origineel

„Toen week hij van hem voor een tijd.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Toen week hij van hem voor een tijd.”

8 minuten leestijd

[GOEDE VRIJDAG.]

En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van hem voor eenen tijd. Luk. 4 : 13

Wat aan Golgotha zijn hooge beteekenis schonk is de persoonlijke worsteling tusschen satan en den mensch, maar .... die mensch ge representeerd in den Zoon des menschen, in Christus Jezus.

Buiten de Heilige Schrift om, moge men in Golgotha slechts een openbaring zien van Joodschen priesterhaat en oostersche volksruwheid, voor wie in de Schrift gelooft is die voorstelling ondenkbaar.

Reeds in het Paradijs werd de worsteling aangekondigd tusschen het zaad der vrouw en het zaad der slang. „Datzelye zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen."

Na de verzoeking in de woestijn heet het bij Lucas, dat de duivel „van Jezus week voor een tijd", om hem straks bij Golgotha weer op te zoeken.

Zelf sprak Jezus, eer hij den weg naar Gethsemané insloeg, tot zijn jongeren: „Ik zal niet veel meer met u spreken, want de overste der wereld komt".

En het apostolisch woord betuigt ons zelfs, dat heel de menschwording van den Zone Gods ten doel had „door den dood teniet te doen dengene die het geweld des doods had, dat is de duivel."

Juist zooals Jezus het uitdrukkelijk vooruit had aangekondigd, zeggende dat nu, met zijn lijden en sterven, „het oordeel kwam en dat de overste der wereld zou worden buitengeworpen." En als op den Pinksterdag de Heilige Geest te komen stond, zou die Heilige Geest daarom de wereld overtuigen van oordeel, omdat „de overste der wereld dan geoordeeld zou zijn."

Ge doet daarom aan Gethsemané te kort, zoo ge er niet anders ontwaart dan een innerlijke zielsworsteling van den lijdenden Messias, en ge ontledigt Golgotha, zoo ge in wat daar geleden werd enkel een triomf van het Sanhedrin over den „verleider der schare" ziet.

Gethsemané zoowel als Golgotha heeft een geestelijken achtergrond, waarvan de wereld niets zag, maar die u door Jezus eigen woord ontsluierd is.

Er zat een persoon, een wezen, een geestelijke macht achter, en die persoon, dat wezen was geen ander dan de vijand Gods en der menschen, de menschenmoorder van den beginne, de aan God ontvallen en daarom gevallen vorst der engelen, satan, de booze, de duivel, die toen nog de overste der wereld was.

Die satan heeft twee aanvallen op Jezus gedaan, om zijn macht te breken.

Jezus had onze menschelijke natuur aangenomen naar ziel en lichaam beide.

Op die ziel van Je^us waagde hij zijn Godslasterlijken aanval bij de verzoeking in de woestijn.

Toen die mislukt was, week hij van Jezus voor een tijd.

Maar drie jaren daarna kwam hij terug, en toen waagde hij den doodelijken aanval op het vleesch en bloed, d. i. op het lichaam des Heeren.

En niet in dien eersten, maar in dien tweeden aanval, at hij zichzelf aan Jezus den dood.

Ook bij het booze moet ge scherp onderscheiden tusschen de verwijderde uitstraling van het kwaad en de persoonlijke bron, het middenpunt en brandpunt, waaruit die uitstraling voortkomt.

Bij de zon hebt ge gelijk onderscheid. Tot in uw kelder dringt de lichtstraal door; maar dit is heel iets anders dan wanneer op heeten Junidag de zon zelve u op een weg zonder schaduw steekt.

En zoo ook is het met satan.

In elke zonde, tot zelfs in de allergeringste overtreding eii tekortkoming, werkt de uitstraling van zijn geestelijke boosheid; maar heel iets anders wordt het, als in de ure der hittige verzoeking satan in persoon op u aanvalt, om uw ziel te vergiftigen en u te ontrooven aan uw God.

Gelijk Jezus de Zonne der gerechtigheid heet, zoo zoudt ge, als het beeld niet te schoon ware, satan de Zon van het geestelijk booze kunnen noemen. En doet ge dit, dan voelt ge terstond het onderscheid tusschen die vele oogenblikken, waarin het kwaad slechts zijdelings langs uw hart sluipt, en die andere levensmomenten, waarin het om het behoud of het verderf van uw ziel ging.

Dit maakt, dat ge gemeenlijk er niets van bemerkt dat ge met satan te doen hebt. Hierdoor komt het, dat oppervlakkige personen levenslang door satan bewerkt worden, zonder dat ze ooit iets van satan bespeuren. Maar dan ook omgekeerd, dat de hoogere geesten, die de machtige principieele worsteling doormaken, de waarheid van satans woelen in alle zonde zooveel duidelijker ontwaren. En bovenal, dat Jezus, die boven allen is, van het begin tot den einde dien persoonlijken aanval van satan klaar doorzag, op het diepst gevoelde, en als de held, de leeuw uit Juda's stam afsloeg. Ja, dat Jezus zelf aanviel, en in zijn sterven dit volbracht en vermocht, dat hij satan ontwricht en voor eeuwig geknakt heeft.

Het Onze Vader is hier zoo indrukwekkend.

Jezus wist vooruit, dat de zijnen eiken dag aan Satan's aanval zouden blootstaan, maar dat verreweg de meesten er schier nooit iets van ontwaren zouden, hoe ze persoonlijk met den persoonlijken satan zouden te doen hebben.

En juist met het oog op het hierin schuilend gevaar, leert Jezus nu zijn discipelen, en door zijn apostelen zijn kerk, eiken morgen en eiken avond bidden: „Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den Booze".

En aan niets merkt ge zoozeer, hoe het gebed daalt, als aan die vele gebeden, zelfs in de kerk van Christus, waaruit bijna stelselmatig dit bidden tegen satan wegblijft.

De aanval van satan op de ziel van Jezus in de woestijn was niet de heftigste. Veel heftiger was de aanval op het lichaam van Jezus in zijn lijden en sterven.

Bij den aanval op de ziel van Jezus won satan geen duimbreed terrein. Aanval na aanval werd tot 'driemalen toe vastberaden afgeslagen. In de woestijn is er geen oogenblik deinzen, terugtreden of bezwijken.

Maar bij den aanval op het lichaam, op het vleesch en bloed des Heeren, is het verloop heel anders. Hier is in schijn zelfs een volkomen-triomf van satan. Hier is nauwlijks weerstand. Eer een willig bezwijken. Het lam, dat stemmeloos ter slachting wordt geleid. En wat Sassa Schneider ons op het treffend doek te aanschouwen geeft: het gestorven^ en ont zielde lichaam van Jezus machteloos uitgestrekt, en satan daarbij staande, zich vergastend aan den waan, dat hij den Zone Gods verwonnen heeft, drukt in een beeld, dat u innerlijk beven doet, de schijnwaarheid ran wat tusschen Golgotha en de Opstanding lag, aangrijpend uit. Het geestelijke kent satan, want hij is zelf geest. Bij de verzoeking in de woestijn misleidt daarom de schijn hem niet. Daar voelde hij terstond dat hij afgeslagen was, en ging weg. Hij week.

Maar als de aanval zich richt op 't vleesch en bloed des Heeren, beweegt satan zich op voor hem vreemd terrein. Hij heeft nooit vleesch en bloed gekend. En daarom streed hij op Golgotha met den Zoon des menschen op een terrein dat hij niet kende. Vandaar de ontzaglijke zelfmisleiding. Hij waande overwonnen te hebben, en zie, de overwonnene .was niet de Christus, maar hijzelf.

Juist datzelfde, wat zich heel de kerk van Christus door met zijn martelaren herhaald heeft. Dan waande telkens satan er de geloovigen onder te hebben, en toch was hij het juist, die door het vergieten van het martelaarsbloed de pilaren van Christus kerk vaster had gezet.

Satan kent het vleesch en bloed niet uit eigen ervaring; en daarom kent hij evenmin de macht, die de geest op het lichaam uitoefent.

Hij verstond niet, hoe Jezus aan vleesch en bloed kon afsterven, en juist in dat sterven de macht winnen, om door den geest het lichaam verheerlijkt te hernemen, en zoo over den dood te triomfeeren in zijn Opstanding.

Het was satan niet om den Zone Gods, maar om den Zoon des menschen te doen.

Zijn machteloosheid tegenover God had hij te diep ervaren. Zijn woede ging nu tegen den mensch.

Hij had er den mensch onder gekregen. Jezus zelf drukt dit uit, door hem telkens te noemen den overste der wereld. De vraag was maar, of hij den mensch er onder zou houden. En die vraag moest tot beslissing komen, toen het Woord vleesch werd, toen Jezus verscheen, en toen in Jezus de mensch zonder zonde voor hem trad, de mensch die niet krachtens ontvangenis en geboorte aan erfzonde onderworpen was.

In dien Zoon des menschen dong heel het menschelijk geslacht naar vrijmaking van satans overmacht. Triomfeerde de Christus, dan was in en door hem aan heel de menschheid het steunpunt geboden, om op te leven, om jsich van zonde vrij te maken, om te ontkomen aan satans tyrannic over de-zielen.

Daarom kon satan Jezus niet rustig geworden laten. Het ging om zijn macht, om zijn overwicht, om zijn geweld.

Verdwaasd in ho > vaardij, waagde hij daarom den aanval, en dat in twee stadiën.

Eerst op de ziel des Heeren, en onmiddellijk legde hij het af, want in Jezus ziel was geen zweem van verzwakking, dan zij de volkomen ontstentenis in Jezus van alle gemeenschap met de erfzonde.

Maar anders stond het bij den tweeden aanval. Jezus had het vleesch en bloed der kinde ren aangenomen Niet een nieuw geschapen, ongeschonden vleesch en bloed als in het paradijs. Neen, het vleesch en bloed der kinderen. Hij deelde, wat vleesch en bloed aangaat, in onze zwakheid. Hij kon sterven. Niet over Jezus ziel, wel over Jezus' lichaam kon de macht des doods gaan.

En zoo bezweek, zoo stierf uw Heiland. Zijn vleesch werd gebroken, zijn bloed werd ver goten

Maar juist omdat de onzondige ziel niet aan het vleesch en bloed, maar het vleesch en bloed aan den zondeloozen geest is onderworpen, wordt niet Jezus, maar satan zelf in dit sterven overwonnen, en is de Opstanding van den Christus satan's ondergang en de triomf van den mensch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

„Toen week hij van hem voor een tijd.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken