Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dan de tien geboden.

17 minuten leestijd

XV.

HET TWEEDE GEBOD.

IV.

En de Heere zag Abel en zijn offer aan. Genesis 4 : 4b.

Door met ons denken terug te gaan van den zondigen mensch, tot wien het tweede gebod zich als verbod richt, op den zondeloozen en heiligen, hebben wij leeren verstaan wat daarin geboden wordt.

Wij vonden als Gods geopenbaarden Wil voor 's menschen willen in betrekking tot zijn eeredienst of uitwendige vereering van God, dat deze' eeredienst geestelijk, middellijk en niet eigenwillig zij.

Het eerste ziet op het karakter dat de voor God goede eeredienst moet bezitten, en hangt zoowel met het geest-zijn van God als met de geestelijke zijde van 's menschen wezen saam.

Het tweede ziet op het doel, en wel zoo, dat de voor God goede eeredienst nooit zijn doel in zich zelf heeft, maar slechts middel is tot sterking van de godsvrucht en den godsdienst des harten. M. a. w. zijn naastliggend doel in de religie heeft, en dat zoowel waar de individu in de eenzaamheid, als in gemeenschap met anderen, eeredienst oefent.

Het derde, het niet-eigenwillige, ten slotte ziet op de wijze, waarop de voor God goede eeredienst moet verricht, en wel zoo, dat de mensch daarbij geen andere handelingen moet willen verrichten dan die welke God bevolen heeft; wat in zijn ziel voor God omgaat, op zulk een wijze moet uiten als Hij daarvoor heeft bepaald.

In deze trits van hoedanigheden nu ligt de vaste en onveranderlijke norm of het richtsnoer van 's menschen eeredienst; een norm, die zoowel in de natuur Gods als in die des menschen haar innerlijke noodzakelijkheid heeft.

En de zondelooze mensch zal uit het beginsel der heilige liefde tegenover zijn God dan ook niet anders dan naar deze norm of dit gebod willen handelen. Het inkomen der zonde in de menschenwereld heeft aan deze norm niets veranderd.

De Wet des Heeren toch, of Zijn ordinantiën voor de zedelijke wereld, voor de wereld van het menschelijk willen, blijft; of liever nog, God blijft Zijn Wet, Zijn Wil krachtens Zijn Souverein scheppingsrecht aan 's menschen wil opleggen; blijft gehoorzaamheid eischen ook waar de mensch Hem niet wil, niet kan willen gehoorzamen.

En Hij doet daarin geen onrecht.

Hij handhaaft daarin Zijn recht; de door Hem gestelde zedelijke wereldorde.

Toch heeft, al blijft ook het gebod van «een geestelijken, middellijken en door God bevolen eeredienst onveranderlijk, de zonde jn 's menschen eeredienst zelf verandering gebracht.

En wel op tweeërlei wijze.

In de eerste plaats is door de zonde de religie verdorven en met haar de eeredienst.

Wel is zij, de religie, als behoorende tot 's menschen wezen, niet vernietigd, maar, gelijk bij de behandeling van het eerste gebod met zekere uitvoerigheid is aangewezen, door de zonde is zij vervalscht. Dat zij niet is vernietigd en er nog vrome heidenen en Mohammedanen zijn, is een vrucht van de Gemeene Gratie.

Toch is het opkomen van het paganisme, van de valsche religie met haar verschillende gradatie's van lagere en hoogere ïiatuurreiigie, tot de ethische religies van het heidendom toe, een wrange vrucht van de zonde.

Bij den innigen, in 's menschen wezen gegronden samenhang nu tusschen religie en eeredienst moest uiteraard met de valsche religie ook een valsche eeredienst ontstaan.

Een eeredienst of uitwendige, in zekere handelingen zich openbarende vereering, niet meer van den eenigen waren God, maar van den afgod; niet meer opkomend uit het beginsel der heilige liefde; niet meer overeenkomstig de in het hart des menschen ingeschapen norm.

Zoo toeh een, dan is wel het tweede van Gods geboden uit het bewustzijn der van Hem, door de zonde, vervreemde menschheid uitgesleten.

En wel zoo, dat ge overal in de heidenwereld een eeredienst vindt, die niet geestelijk maar zinnelijk is; niet middel tot - Sterking van de religie meer wil zijn, maar in zich zelf het doel zoekt; hetgeen, om iets te noemen, sterk, uifkomt in de specifiek heidensche gelooffyoorstelling, dat de goden door de offers dër menschen in den letterlijken zin worden gevoed en dus van den mensch die hetoffer brengt, afhankelijk zijn; en eindelijk eigenwillig is.

Hoe belangrijk nu op zichzelf ook, gaat het echter niet aan, in deze reeks artikelen waarmee het ons te doen is 's Heeren ordinantiën voor de zedelijke wereld, en hier bepaald Zijn gebod voor onzen eeredienst te doen kennen, op dezen valschen eeredienst van de pseudo-religie in te gaan.

Slechts ter loops, en wel waar wij bij de bespreking van den onzuiverea eeredienst der christenen op het insluipen van heidensche elementen hebben te w^ijzen, zullen wij uit dezen paginistischen cultus of heidenschen eeredienst een en ander ter sprake brengen.

Is dus vervalsching van den eeredienst de eene verandering, die de zonde teweeg gebracht heeft, zij heeft, en dat is de tweede, in de verhouding van den mensch tot God, evenzeer een verandering teweeg gebracht.

Wat wij hiermee bedoelen is dit.

De verhouding van den zondeloozen en heiligen mensch tot God is een andere dan die ^an den in zonden gevallen en ontheiligde.

Adam vóór den val stond anders tegenover God dan na zijn val.

Anders ook waar God hem Zijn Genade betoonde.

Vóór den val heeft hij tusschen zich en God geen Middelaar van noode.

De Middelaar toch, is om de zonde.

Het Woord is vleesch geworden; de Zone Gods is mensch geworden; heeft de mensehelijke natnur aangenomen; is als het kindeke Jezus in Bethlehem geboren om de zonde.

Het woord van Messias, door David uit de diepte der eeuwigheid beluisterd en in den 403ten psalm geopenbaard: ie ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God om Ü welbehagen te doen; en Uw wil is in het midden mijns ingewands (Ps. 40 : 8, 9), wijst er op, door wat er omtrent de ongenoegzaamheid van Israels offers aan voorafgaat, dat de Christus komt om de zonde. In den schoot der Maagd Maria is hem op wondere wijze het lichaam toebereid (Hebreen 10 : $) opdat hij, de Zone Gods, als de heilige mensch zou doen het welbehagen Gods, waartoe onder de menschen niemand uit zichzelf den lust had en waartoe hij alleen aan menschen den lust schenkt.

Maar zoo is er dan ook sedert de zonde inkwam geen ware religie of verhouding van God en mensch denkbaar dan in en door den Middelaar Jezus Christus.

En juist omdat religie en eeredienst zoo op het innigst saamhangen, is er sedert de zonde inkwam ook geen ware eeredienst denkbaar dan in den Middelaar.

Hoe waar op zichzelf nu ook de gedachte is, dat de Middelaar is om de zonde en er dus geen Middelaar zou zijn indien er geen zonde ware, toch moogt ge het u ook weer niet zóó denken, dat op het inkomen van de zonde, om het nu eens kras uit te drukken, door God niet gerekend zou zijn en mitsdien de verandering, die in de religie of de verhouding van den mensch tot God sedert het inkomen van de zonde plaats greep, voor God een soort teleurstelling zou zijn geweest. Al zulk denken toch is een „aardsch gedenken van de hemelsche majesteit van uw God; " is een overbrengen van menschelijke kortzichtigheid, van gemis aan doorzicht, op den Eeuwige; een tekort doen aan de vastheid van Zijn Raad, en moet daarom verre van u zijn.

Vlak tegen dit zondig denken in gaat dan ook de gereformeerde leer van het Verbond, van het Verbond der Genade, dat niet eerst na den Zondeval of eerst met Abraham en, veel minder nog, eerst aan den Sinaï, maar reeds vóór de grondlegging der wereld, in de stilte der eeuwigheid tusschen den Vader en den Zoon als Middelaar is gesloten.

Reeds bij de bespreking van het eerste gebod, en wel in ons zesde artikel, is deze leer des Verbonds ter sprake gebracht, en wij komen er hier dan ook alleen op terug om er de aandacht op te vestigen èn hoe de Middelaar wel om de zonde, maar toch ook eerder dan de zonde is, èn om in betrekking tot het tweede gebod de verandering die in de religie plaats greep, nu ook aan te wijzen voor den met haar zoo innig saamhangenden eeredienst.

Wat het eerste betreft, komt het er vooral op aan voor uw denken goed vast te houden, dat het schenken van den Middelaar een daad van Gods vrije Genade is; van Zijn vrije gunst, waattoe Hij door niets buiten zich werd bswogen, maar integendeel reeds vóór de'ütreld was en er dus nog niets buiten - 'mm bestond"; 'had besloten.

Wat nu het tweede betreft zal u daardoor eerst duidelijk worden, hoe niet in het tweede gebod naar zijn positieven inhoud, want die blijft als zoodanig een vaste en onveranderlijke ordinantie Gods voor den mensch, maar alleen in de wijze waarop Hij door menschen in het uitwendige wil zijn vereerd, meer dan eens verandering moest komen,

Naar zijn wezen toch blijft de ware, dat is voor God goede eeredienst door alle eeuwen heen onveranderlijk: geestelijk, middellijk, naar Gods inzetting. Maar naar zijn vorm of wijze is er zeker verandering; was de eeredienst in het Paradijs anders dan onder een zondige menschheid; vóór Mozes andeirs dan na hem tot op de komst van den Christus in het vleesch; en na den eersten christelijken Pinksterdag weer anders dan onder oud-Israel.

En toch, bij al die verandering, voor zoover het ware eeredienst is, altijd naar Gods inzetting; want juist daaraan hangt, niet minder dan aan het geestelijk karakter en het middellijk doel, de zuiverheid van den eeredienst, die een mensch aan God betoont.

God en niet de mensch bepaalt die verandering.

Zij vloeit voort uit Zijn Wil, en wel hangt het saam met Zijn natuur en die des menschen dat er eeredienst zij, is mitsdien het bestaan van den eeredienst als zoodanig natuurlijk en onveranderlijk, doch de wijze van eeredienst dien God voor den mensch inzet, dien Hij den mensch stelt, kan Hij naar Zijn Wil verander^in, vaststellen, instellen zooals het Hem behaagt.

Zoo toch is het reeds onder menschen.

Dat een kind zijn ouders; een leerling zijn meester; een arbeider zijn patroon; en de burgers hun overheid ook in het uitwendige door woord en gebaar eere bewijzen, is natuurlijk en geschiedt dan ook altijd en overal. •

Maar de wijze waarop dit geschiedt verschilt. En deze wijze van eerbetoon hangt aan den wil van den meerdere tegenover zijn mindere.

Is b.v. bij de Oostersche volkeren anders dan bij ons Westerlingen; en zelfs onder ons zal een vader willen, dat zijn kind hem op een andere wijze eert dan zijn groote jongen; en zijn reeds tot een eigen staat of tot een huwelijk gekomen zoon weer anders dan zoo'n jongen, die in de maatschappij nog niets is. En zoo hangt ook de wijze van Godsvereering uitsluitend aan Gods Wil.

Wij staan met opzet hier wat langer bij stil, omdat dit samenhangt met een onderscheiding in deChristelijkeof wil men liever. Theologische Zedeleer tusschen natuurlijke en positieve of stellige geboden.

Een onderscheiding, reeds gemaakt inde Katholieke Theologie en door onze Gereformeerde Schrijvers daaruit overgenomen.

Op zichzelf is deze onderscheiding tusschen „natuurlijk" en „positief" veel ouder dan de christelijke denkwereld en vindt men haar toegepast op ander gebied, reeds bij de oude grieksche denkers.

Toegepast op de tien geboden komt zij hierop neer, dat men daarbij onderscheidt tusschen geboden die hun grond hebben in Gods natuur en zulke die uitsluitend gegrond zijn in Zijn vrijen wil.

Die van de eerste soort zegt men, wil de Heere wel vrijwillig maar nochtans noodzakelijk en men bedoelt daar dan mede, dat Hij het tegendeel daarvan niet kan willen of gebieden wijl dat zou strijden met Zijn eigen natuur. Tot deze soort rekent men dan, wat de „eerste tafel" betreft, gewoonlijk het eerste en het derde gebod.

Die van de tweede soort zegt men vloeien slechts voort uit Gods vrijen wil en zonder dat het strijd met Zijn natuur kan Hij dus van deze geboden ook het tegendeel gebieden of, onder bepaalde omstandigheden er „dispensatie" of vrijstelling van geven. Tot deze soort rekent men dan, wat weer de „eerste tafel" betreft, het tweede en vierde gebod.

Uit het bovenstaande zal nu reeds duidelijk zijn geworden waarom de geboden van de eerste soort de naam van natuurlijke dragen.

Die van de tweede soort heeten stellige of positieve geboden — van het latijnsche „positivus" van „ponere" zetten, stellen, — omdat zij ons zijn „gesteld" of „gezet" alleen door Gods wil.

Uit dit laatste volgt, dat ook deze positieve geboden niet minder dan de natuurlijke voor ons verplichtend zijn; alleen God en niet de mensch dan kaft : X)bk van de eerste „dispenseeren".

Bij de verdere bespreking der tien geboden, zal déze'onderscheiding nog meermalen ter sprake komen en wij laten haar dan ook voorloopig rusten om er hier alleen gebruik van te maken bij het tweede gebod. Slechts zij nog opgemerkt, dat zij in haar toepassing op den dekaloog door sommige Godgeleerden zoo roomschen als gereformeerden werd verworpen.

Er zijn toch geweest, die leerden dat alle tien geboden positief waren en er zijn evenzeer geweest, en onder hen niemand minder dan de groote leeraar der middeleeuwscheKerk Thomas Aquinas, die leerden dat alle tien geboden natuurlijk zijn. Maar er zijn ook en onder hen niemand minder dan de groote leeraar der gereformeerde Kerken onze Voetius, die hier een middenweg kozen en de onderscheiding yan natuurlijk en positief ook op de tien geboden meenden te moeten toepassen.

Volgt men hierin nu Voetius, en onder de oude gereformeerde moralisten of zedeleeraars was niemand grooter dan hij, dan houdt men het tweede gebod woor positief.

Alleen echter met dien verstande, dat de wijze van eeredienst uitsluitend aan Gods vrijen wil hangt. En verder volgt er dan ook nog uit, dat daar omstandigheden kunnen wezen waarin God Zelf een mensch van de verplichting tot deelneming aan den gemeenschappelijken eeredienst ontslaat, en zulk een mensch zich dan in zijn geweten wettig verhinderd zal achten. Wij hebben hier o. m. het oog op hem of haar, die aan een krankbed niet gemist kan worden of die zich bij hun verzorgiag van hulpbehoevende kinderen niet door een ander kunnen laten vervangen.

En nu is het een feit, dat God de Heere in den loop der eeuwen, sedert de afkondiging van het Genadeverbond, of de bekendmaking van het Evangelie, verschillende bevelen gegeven heeft omtrent de wijze waarop Hij door Zijn Volk in het uitwendige wil gediend; omtrent de wijze van eeredienst.

Anders toch was de wijze van den, van God, geboden eeredienst onder Israël, anders is die onder ons.

Dit nu dringt er des te meer toe in het tweede gebod althans een „positief" bestanddeel aan te nemen.

Toch zijn deze veranderingcü in de wijze van eeredienst, hoewel voortvloeiend uit Gods vrijen wil niet willekeurig in den zin van ongegrond. Zij hangen saam met de bedeeling van het Verbond der Genade en zijn dus even als dat Verbond zelf van eeuwigheid en dus vóór de grondlegging der wereld gegrond in Gods Raad.

Middelpunt nu van het Verbond der Genade is de voldoening Christi, onzes eenigen Hoogepriesters voor ons. „Wij gelooven, dat Jezus Christus een eeuwige Hoogepriester is, met eede, naar de ordeninge Melchisedeks, en heeft zichzelven in onzen naam voor zijnen Vader gesteld, om zijnen toorn te stilien met volle genoegdoening, zichzelven opofferde aan het hout des Kruises, en vergietende zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden, gelijk de profeten hadden voorzegd." (Ned. Geloofsbelijdenis Art 21).

Het offer van Christus op zijn Kruis volbracht is dus het middelpunt van het Genadeverbond.

En met deze eene offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebreen 10 : 14).

Door dit offer der voldoening aan Gods Recht, is als middeloorzaak weer de gemeenschap hersteld tusschen God en mensch; kan God tot Zijn volk naderen met Zijn Woord en Geest en Zijn volk naderen tot Hem in zijn gebed en zijn lied

Vandaar dat niet slechts de ware religie aan het geloofïa den Middelaar hangt; maar dat ook alle eeredienst in den Middelaar is.

Is de eeredienst tweezijdig, in den. Middelaar komt God tot u en in den Middelaar nadert gij tot uw God

Alle eeredienst, die door een zondig mensch, buiten den Middelaar om, wordt gezocht is daarom, even als alle religie waaraan het Middelaarsgeloof ontbreekt, valsch.

Dit Genadeverbond nu, reeds afgekondigd in het verloren Paradijs, in de „moederbelofte" van Genesis 3:15, omtrent het vrouwezaad dat der slang den kop zal vermorzelen, heeft in de tijden vóór en na de komst van den Middelaar zijn tweeërlei bedeeling. En niet slechts in deze twee groote perioden maar ook gedurende de eerste wordt de van God geboden wijze van eeredienst meer dan eenmaal veranderd. In de drie tijdperken van Adam tot Abraham; van Abraham tot Mozes en van Mozes tot Christus heeft God telkens eeu andere wijze bevolen waarop Hij vereerd wilde worden.

Dit nu hangt saam met de ontwikkeling van de bijzondere openbaring in den kring des Verbonds.

Hoewel toch het zaligmakend geloof in den beloofden Middelaar van meetaf niet ontbrak en reeds het deel was van onze gevallene maar herborene stam-ouders, is de verborgenheid van het evangelie der verlossing niet dan trapsgewijze bekend gemaakt.

Zoo v/ordt de gedachte van het zoenoffer des Middelaars eerst veel later geopenbaard. Al spoedig lezen wij van offers als handelingen van den eeredienst, maar deze eerste offers waren nog geen zoenoffers.

Van zulk een offer in den zin van aanbieding eener uitwendige gave, vinden wij in „den staat der rechtheid" nog geen spoor.

Van Kaïn en Abel lezen wij dat het eerst.

En wel, dat zij gaven brachten van een deel van dat waarin zij hun levensonderhoud vonden.

Kaïn van de vruchten van het land dat door hem wordt bebouwd; Abel van de eerstelingen zijner kudden en bepaaldelijk van hun vetstukken.

En de Heere zag Abel en zijn offer aan. (Gen. 4 : 4^).

Dit woord, op een der eerste blijdzijden van den Bijbel is van groote beteekenis voor heel den eeredienst.

Hangt toch het offer, gelijk het ons hier wordt beschreven, op het innigst saam met het gebed, en is het een behoefte van het menschelijk hart om ook door een uitwendige handeling, door een gave, aan God zijn dank te toonen, alles komt hier aan op de gezindheid van het hart.

Terwijl nu Kaïn, zonder keur, van de vruchten des lands offert, brengt Abel een gave van wat hij als het beste en kostelijkste heeft uitgekozen.

Hieruit spreekt een teedere gezindheid, een godsvrucht die op hare beurt wortelt in dat geloof van Abel waardoor hij naar de Schrift elders zegt: eene meerdere offerande Gode geofferd heeft dan Kaïn (Hebreen 11 *:4).

Abel legt' zijn hart in zijn gave; Kaïn offert om maar geofferd te hebben. En waarschuv/end tegen alle eeredienst waaraan dus ontbreekt: èn het geestelijk karakter èn het niet doel maar slechts middel willen zijii, zegt de Schrift:

Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. (Gez. 4:5).

Naast het woord waarin de mensch uiting geeft aan wat er voor zijn God in zijn hart leeft, zien wij dus na den val ook h& t offer als vorm of wijze van eeredienst opkomen. En wel is van een afzonderlijk gebod om te offeren, in de Schrift geen sprake maar daarom is het nog niet als een menschelijke uitvinding, een eigenwillige handeling te beschouwen. Evenmin als het gebed, is het offer door menschen „uitgevonden", maar komt van zelf op uit het wezen van den naar Gods beeld geschapen mensch en is mitsdien als verzinnelijkt gebed een scheppingsordinantie.

Met name geldt dit laatste van het offer zooals wij het bij Abel en in heel den tijd van Adam tot Mozes in de Schrift vermeld vinden.

Gelijk toen het offer van Abel uitsluitend het karakter van dank-en bidoffer draagt, — óok dit laatste, want uit den tekst blijkt, dat hij er zich door wil verzekeren van in Gods gunst te staan, juist immers de versmading van zijn offer, maakt Kaïn gramstorig — zoo ook de offers door Noach, door Abraham e. a. gebracht.

Van een eigenlijk zoenoffer als handeling van den eeredienst toch is in het Oude Testament vóór Mozes geen spoor.

Kent ook de eeredienst der valsche religie zoowel bloedige als onbloedige offers, en ontbreekt ook daar, vooral bij de Semieten, het zoenoffer niet, het bloedige offer is daarom volstrekt nog niet altijd een zoenoffer. Abels offer, een dank-en bidoffer, was alleen een bloedig offer omdat Abel een „schaapherder" was.

Eerst in Israels „ceremonieele wet" door Jehova aan zijn volk gegeven, wordt in het zoenoffer dat de mensch brengt, het eenig offer van Christus afgeschaduwd en daarmee het zoenoffer tot een handeling van den door God aan Israël bevolen eeredienst gemaakt.

Hierover in een volgend artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 april 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken