Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Papistica.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Papistica.

12 minuten leestijd

Amsterdam, 8 Juli 1904.

De altoos ijverige pater Bensdorp heeft in onze hoofdartikelen over de Wet des Heeren weer een min juiste voorstelling van het Roomsch gevoelen ontdekt, en zendt ons daarom het navolgende schrijven ter rectificatie:

Geëerde Redactie.

Met zeer veel belangstelling heb ik in uw nummer van 19 Juni 1.1. de uiteenzetting gelezen van de Roomsche leer betreffende de Sacramenten. De toeleg die daaruit spreekt, om zoo objectief mogelijk te zijn, is waarlijk boven allen lof. Nochtans kwamen er enkele misvattingen in voor, die mij belangrijk genoeg schijnen, om u er op te wijzen. U bespreekt in uw artikel o. a. ook de Roomsche stelling, dat de Sacramenten de genade schenken ex opere operate aan hen, die geen beletsel stellen. Volgens u zou zulks beteekenen, «dat het Sicrament de genade werkt in elk, die niet opzettelijk zich verhardt, die geen positieve hindernis in den weg legt, die negatief en passief zich er onder verhoudt." Deze voorstelling is onjuist. Hieruit zou volgen, dat men, om aan de genade van het Sacrament deelachtig te worden, geen enkele positief goede gesteltenis behoefde te hebben, zelfs geen geloof. Zoo wordt het dan ook gewoonlijk door Protestantsche schrijvers voorgesteld.

Niets echter is meer in strijd met de katholieke leer.

De Katholieke kerk leert uitdrukkelijk, dat men zonder geloof niet kan gerechtvaardigd worden, dat het geloof het begin en de wortel van alle rechtvaardigmaking is. Dienvolgens leert zij eveneens, dat het geloof een volstrekt noodzakelijk vereischte is, om aan de genade van het Sacrament deelachtig te worden.

Volkomen derhave beaamt, de Katholieke kerk uw stelling: „Zonder geloof, hetzij actueel hetzij habituëel, baat het gebruik van het Sacrament met.”

Wat bedoelt de Kerk dan, als zij beweert dat het Sacrament in hen, die geen beletsel stellen, de genade ex opera operato voortbrengt ? Alleen dit: niet de gesteltenis van ben die het Sacrament ontvangen noch van hen die het sacrament toedienen, brengt de sacramenteele genade voort, maar slechts het sacrament zelf, hetwelk krachtens de instelling van Christus de instrumenteele oorzaak der genade is.

Zulks neemt evenwel niet weg, dat in hen die het sacrament ontvangen, verschillende goede gesteltenissen absoluut noodzakelijk zijn en wel als conditio sine qua non, voor het ontvangen der sacramenteele genade. Alleen door dat tnen die vereischte gesteltenissen mist, stelt men aan de sacramenteele genade een obex. En tot die vereischte gesteltenissen behoort op de eerste plaats het geloof. U ziet wel dat deze verklaring van ponere obicem een geheel andere is, dan u er van geeft. Maar alleen deze mijne verklaring is die van de Katholieke kerk, zooals ik u desverkiezende uit het conc. van Trente kan verwijzen.

Dat de sacramenteele genade door middel vz.n het sacrament gegeven wordt, geeft de H. Schrift op meerdere plaatsen duidelijk te kennen. Hoe zulks voor het gereformeerd inzicht tegen de H. Schrift kan zijn, is mij een raadsel.

Een andere misvatting vond ik in hetgeen u schreef over de Mis, Ook de Katholieke kerk kent Hebr. 10:14: Want met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden." Doch zij acht dien tekst niet in strijd met haar leer over de H. Mis; en wel omdat de H. Mis voor haar geenszins, zooals u schijnt te meenen, een ander offer is dan het offer des Kruises.

Volgens de Katholieke leer leeft het ééne Kruisoffer door de H. Mis op onbloedige wijze altijd voort; daardoor wordt het tegenwoordig gesteld op alle plaatsen der wereld en aan iedereen, als het ware, in handen gegeven, om op die wijze aan God eene eer en glorie' te geven Hem ten volle waardig. Reeds Joannes Chrysostomus zegt met het oog op Hebr. 10 : 14 „Maar hoe? Dragen ook wij niet dagelijks offerande op? " En hij antwoordt: Het is de eelfde dien wij altijd opofferen; met vandaag zen ander en morgen een ander. Gelijk het dan, hoewel op vele plaatsen geofferd wor dende, echter maar één Lichaam is en niet verscheidene lichamen, zoo is het ook maar één sacrificie. (Hom. 17. in Ep. ad Hebr.)

Voor mij is het weder een groot raadsel, hoe de Katholieke leer betreffende het H. Misoffer door iemand in strijd kan beschouwd worden met de H. Schrift. Reeds Irenaeus en Juslinus zien in het avondmaal de vervulling van Maleachi i. 10. 11. Alle kerkvaders, met name Augustinus, hebben de H. Mis als een werkelijk offer beschouwd. Zij spreken over de Mis juist als wij Katholieken er nu nog over spreken. Zou de geheele Christelijke kerk dan de H. Schrift gedurende zoovele eeuwen in een zoo voornaam punt verkeerd verstaan hebben? Maar hoe kunnen de Gereformeerden dan redelijkerwijze geloofszekerheid hebben, dat zij haar hier goed verstaan? En wat blijft er van Christus belofte : Zie, ik ben met u alle de dagen tot aan de voleinding der eeuwen? Doch genoeg. Ik laat m.ij onge merkt verleiden tot polemiek, terwijl mijn doel slechts was op enkele misvattingen te wijzen. Mag ik hopen, dat u van mijn opmerkingen — al neemt u dit schrijven niet geheel op — nota zult nemen?

Met vriendelijke groeten verblijf ik, Hoogachtend

Uw dw. TH, BENSDORP, Cong. dd. Red.

A. 26 Juni 1904.

De heer Bensdorp erkent zelf aan het slot, dat zijn schrijven meer een polemisch karakter draagt, dan dat het alleen een bede om een corrigendum zou zijn. En hoe bereid onze redactie ook is om een zakelijke critiek op on'je voorstelling van het Roomsche dogma op te nemen, toch gaat het niet aan, ter loops de heele leer van het Misoffer en de rechtvaardigmaking in dit geding te betrekken. Wij bepalen ons daarom uitsluitend tot de vraag, of de heer Bensdorp gelijk heeft, dat volgens de Roomsche kerk het geloof, hetzij in habitueelen of actueelen zin genomen, een noodzakelijk vereischte is, om aan de genade van het sacrament deelachtig te worden. Dit was door ons ontkend, en op dat punt komt het dus aan.

Nu zij in de eerste plaats gaarne erkend, dat de bekende uitdrukking van hetTrentsche concilie, dat „de sacramenten van het Nieuwe Testament genade meêdeelen aan ieder, die geen struikelblok in den weg legt", door ons te negatief is opgevat. Wel heeft het Trentsche concilie zelf aan deze misvatting schuld, doordat het met opzet een bloot negatieve uitdrukking koos; wel hebben verschillende scholastieken vóór het concilie van Trente, bij wie het non ponere obicem reeds voorkomt, dit vaak in dien zin verstaan, dat voor de werking van het sacrament niets dan een passieve houding van den ontvanger vereischt werd, en zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat de genademededeeling van het sacramentniet van het geloof afhankelijk was; maar de latere Roomsche dogmatici van Bellarminus af tot onzen tijd toe hebben het non obicem ponere meest in dien zin uitgelegd, dat zoowel voor het geldig ontvangen als voor het waardig gebruiken van het sacrament zekere positieve praedispositiones of gesteltenissen noodig waren. Zoo was het met name noodig, dat de ontvanger van het sacrament de intentie had om het sacrament te ontvangen. Het gewone beeld, dat Ier verduidelijking gebruikt werd, was, dat het vuur wel in zich zelf de kracht heeft om te branden, maar dat het toch alleen brandt, wanneer een stuk droog hout er bij wordt gevoegd. Zoo schuilt wel in het sacrament de genadekracht, maar deze kracht wordt eerst werkzaam, wanneer de ontvanger van het sacrament daartoe de geschikte stof aanbiedt.

En evenzoo wordt aan den heer Bensdorp grif toegestemd, dat voor het waardig gebruik van het sacrament de Roomsche theologen onder deze praedispositiones of gesteltenissen steeds het ^^/ÖÖ/hebben opgenomen, ook al moet hieraan worden toegevoegd, dat de Roomsche theologie het woord geloof hier in geheel anderen zin opvat dan wij. Wanneer de heer Bensdorp zegt, dat de Roomsche kerk even goed als de Protestantsche kerken, het geloof een vereischte acht voor het waardig gebruik van het sacrament, dan is dit feitelijk een woordenspel.

Hoe bereid we echter zijn, om op deze beide punten de rectificatie van den heer Bensdorp ten deele als juist te erkennen, toch heeft deze kundige polemicus, door te veel te generaliseeren, zich aan hetzelfde euvel schuldig gemaakt als wij. En het is niet moeilijk aan te toonen uit de meest gezaghebbende bronnen, dat de heer Bensdorp veel te ver gaat, wanneer hij bev/eert, dat het geloof een volstrekt noodzakelijk vereischte is om de genade van het sacrament deelachtig te worden.

Met name ten opzichte van de kinderen en de volwassenen, die het gebruik van hun verstand missen, is dit door de Roomsche dogmatici steeds beslist ontkend.

Zoo schrijft Chr. Pesch S. J. Praelectiones Dogmaticae. Ed. Alt. Tom. VI. p. 125: In iis, qui numquam habuerunt usum rationis, nulla intentio requiritur. Si enim requireretur non possunt uUum sacramentum valide suscipere; hoc autem est contra universalem et coastantem doctrinam et praxin ecclesiae. Sicut enim tales homines sine propria voluntate sint in peccato, ita etiam sine propria voluntate a peccato liberari possunt. Quod autem valet de infantibus, valet etiam de perpetuo amentibus. 1).

En evenzoo P. Mannens, Theologiae Dogmaticae Institutiones. T. III. pars altera Ruraemundae, 1903, p. 217: In infantibus et perpetuo amentibus nulla requiritur dispositio sive ut valide sive ut fructuose suscipiant sacramenta quorum sint capaces. 2)

Bij het sacrament van den doop, dat vol­

i) In hen, die nooit het gebruik van hun verstand gehad hebben, wordt geen intentie vereischt. Want indien zij geëischt werd, zouden zij niet één sacrament geldig kunnen ontvangen, wat in strijd is met de algemeene en vaste leer - en practijk der kerk. Evenals toch zoodanige menschen zonder hun eigen wil in de zonde zijn, zoo kunnen zij ook zonder hun eigen vil van de zonde bevrijd worden. Wat ten dezen opzichte geldt van de kinderen, geldt echter evenzeer van hen die voort durend van hun verstand beroofd zijn.

2) Bij de kinderen en degenen die blijvend van het verstand beroofd zijn wordt geen enkele dispositie vereischt, hetzij om op geldige wijze, hetzij om met vrucht die sacramenten te ontvangen, die zij deelachtig kunnen worden, gens de Roomsche kerk de genade van de vergeving der zonde en der wedergeboorte meedeelt, wordt dus geen de minste praedispositie geëischt, althans wat de kinderen aangaat. Het sacrament werkt hier dus geheel onafhankelijk van het geloof in habitueelen of actueelen zin genomen. Dat de sacramenteele genade volgens de Roomsche kerk altoos van het geloof afhankelijk zou zijn, is derhalve onjuist.

Maar ook bij de volwassenen kan dat slechts ten deele gezegd worden. De Roomsche dogmatici maken hierbij onderscheid tusschen het zoogenaamd wettig of geldig en het waardig ontvangen van het sacrament.

Om het sacrament geldig te ontvangen is niet het geloof noodig, maar alléén de bedoeling in gansch algemeenen zin, om datgene te ontvangen, wat de kerk in het sacrament uitricht. Dr. Th. H. Simar, bisschop van Paderborn, zegt in zijn Lehrbuch der Dogmatik 3de Auflage 1893 p. 688: Da auch ein Unglaubiger die oben beschriebene Absicht, ein Sacrament zu empfangen, haben könnte, so ist der Glaube im allgemeinen nicht als ein Erforderniss giltigen Sacramentenempfanges zu bezeichnen ') Hij noemt dan ook niet het geloof, maar alleen deze intentie of bedoeling de conditio sine qua non voor de werkzaamheid van het sacrament: „Daher ist die genannte Intention des Empfangers zwar nicht die Ursache (causa efficiens) der Wirksamkeit des Sacramentes, wohl aber die unerlaszliche Bedingung desselben (conditio sine qua non)" p. 686 - ). En nog sterker drukt P. Mannens t. a. p. zich uit, waar hij van het sacrament van de Eucharistie schrijft: requiritur tamen aliqua intentio ut adultus eam non solum materialiter, sed sacramentaliter et cum fructu suscipiat. ^) Het sacrament oefent dus zijn werkzaamheid en wordt zelfs met vrucht ontvangen, zoodra deze intentie aanwezig is. Op deze intentie van den ontvanger komt het voor het recht gebruik van het sacrament in de eerste plaats aan.

En wel voegt de Roomsche kerk hier aan toe, dat voor het waardig gebruik van het sacrament, behalve deze intentie, ook geloof en boete moeten aanwezig zijn, maar de werkelijkheid van het sacrament hangt van deze praedispositiones niet af Het concilie te Trente verklaarde, dat „door de sacramenten van het Nieuwe Testament zelf ex opere operato, d. w. z. door kracht van het volbrachte werk, de genade wordt meegedeeld", en vervloekte een iegelijk die leerde, dat „het geloof in de belofte Gods alleen genoegzaam was om die genade te verkrijgen" (sess 7. sacram. can 8 ) Daargelaten nu dat het gevoelen, hier aan de Protestanten toegeschreven, in dien vorm nooit door hen geleerd is, blijkt uit de tegenstelling van het ex opere operato met het geloof, dat de vaderen te Trente het confessi gratiam, het meêdeelen der genade, niet van het geloof afhankelijk maken. Of om het nog duidelijker uit te drukken, waar de Gereformeerde kerk leert dat indien iemand zonder waarachtig geloof het sacrament ontvangt, hem alleen het uitwendige teeken geschonken wordt, maar niet de beteekende zaak, daar heeft de Roomsche kerk dit steeds bestreden. De hostie wordt door de consecratie veranderd in Christus lichaam en bloed, en ook de ongeloovige ontvangt dus beiden, zij het dan ook tot verzwaring van zijn oordeel.

Het is zeker niet gemakkelijk om bij de vele distincties, die de Roomsche Theologie gewoonlijk maakt, het gevoelen der Roomsche Theologie juist weer te geven. Wij vleien ons echter, dat zelfs de heer Bensdorp ditmaal tevreden zal zijn en achteraf zal toestemmen, dat ook zijn voorstelling, alsof het geloof volgens de Roomsche kerk een absoluut vereischte was voor de meedeeüng der sacramenteele genade, niet geheel juist weergeeft wat de Roomsche Theologie op dit punt leert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 juli 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Papistica.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 juli 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken