Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

Het is onze gewoonte niet, in onze pers rubriek citaten over te nemen uit studentenbladen, die uit hun aard bestemd zijn voor een beperkten kring. Wanneer we ditmaal van dien regel afwijken en uit het studentenblad der Vrije Universiteit Nil Desperandum Deo Duce hier afdrukken wat een der studenten over de HoUandsche Kerk op Ceylon schrijft, dan is het, omdat hier een ooggetuige aan het woord is en zijn woord in breeder kring de aandacht verdient:

Omtrent arie jaar geleden reed ik op eenheeten morgen, gezeten in een tentwagentje, Colombo binnen, de hoofdstad van het eiland Ceylon.

Reeds een jaar bijkans had ik doorgebracht diep in de binnenlanden van' het eiland, daar waar nimmer het Nederlandsch gezag was gevestigd geweest. En eindelijk had ik verlof kunnen krijgen om op eerewoord naar Colombo te gaan, en daar met eigen oog te aanschouwen, wat onse vaderen in lang vervlogen tijden op de Zuidkust van het eiland hadden gewrocht. Veel reeds was mij medegedeeld, en vaak had ik aandachtig toegeluisterd, wanneer burgers afstammehngen der oude Hollanders, immer nog gloeiend van liefde voor het moederland, met een nauwlijks verholen haat tegen al het Engelsche mij verhaalden van oude dagen, toen Ceylon nog Hollandsch was, en van al, wat thans nog aan die dagen herinnerde, 1)

1) Op 't oogenblik leven op het eiland nog onge veer 2000 personen, die bunne afstamming in rechte lijn van de oude Hollanders kunnen bewijzen. Zi spreken thans allen Engelsch'

En, daar ligt ze dan voor me, de oude stad der vaderen.

Twee der burgers zullen mij tot gids zijn, en zoo rijden we dan in de gloeiende zonnehitte over de dik stofifige wegen voort.

Links van ons bruist de oceaan en zware golven beuken de sterke havenpieren. Voor en achter on strekken zich groote palmbosschen uit, wier toppen met hun veelvuldig gesplitste bladeren, door geen windzuchtje in beweging gebracht, slap op de hooge magere stammen neerhangen. En vóór ons de stad.

Vreemd-wonderlijk wordt het mij te moede. I het niet of ik na lange jaren daar weer iets van mijn eigen dierbaar vaderland zie!

Die eenvoudige roode pannen daken, zoo helde tegen het donker groen op den achtergrond afste kend, dat is iets geheel ongewoons, 't Is alsof te midden van een zuidelijken plantengroei, onder een erzengend heeten hemel, een HoUandsche stad oor mij verrijst. Vol verwachting rijd ik verder, erwijl mijn bereidwillige gidsen mij elke merkwaarigheid nauwkeurig aanwijzen, nu eens Engelsch prekend, dan weer pogingen aanwendend om zich oor een enkel woord geraadbraakt Hollandsch erstaanbaar te maken.

En al rijdend komen wij door de buitenwijken angs het Negombo kanaal met zijn echt Holland che sluizen, die mij aan onze Amstelsluizen hernneren, voorbij enkele oude gebouwen, uit de dagen er vaderen en door de nieuwe wijken heen de oude tad binnen.

Maar reeds bijkans twee uren hadden wij gereden, n wat hadden wij in dien tijd gezien, dat ons hernnerde aan de dagen der vaderen? Ik begon mij enigszins teleurgesteld te gevoelen. Slechts zeer weinig was nog over, en dat weinige, 't was zoo verwaarloosd, zoo vervallen, 't was als it een lang vergeten tijd, waarvoor niemand meer elangs'elling voelde.

Zou er dan niets meer zijn, dat nog aan onze ude roemrijke dagen herinnerde? Eindelijk — daar was het.

Daar ginds op het hoogste gedselte, midden in de stad, daar verhief zich de Wolfendahlkerk, gebouwd in ond-HoUandschen trant, het grootst en schoonst monument van het voorgeslacht.

Daarheen nu het eerst, naar dat gebouw, onder dat hooge, met vergroend koper gedekt koepeldak, hoog uitstekend boven alle huizen rondom, daar, waar eenmaal onze vaderen God hadden gedankt voor hunne overwinningen, waar velen, die wellicht door overmoed en losheid Voor vele maatschappelijke banden, tot bandeloosheid neigden, het woord Gods was voorgehouden, de plaats, van waar uit de kerstening en beschaving der eilandbewoners was begonnen.

Daar lag de kerk voor ons. En een heerlijk gevoel van nationale trots kwam over mij. Zoo waren wij, Nederlanders, hoewel door Engeland hier overwonnen, dan toch nog niet vergeten. Nog dwon gen de overblijfselen van wat eenmaal ome vaderen hadden opgericht, den vreemden overheerscher eerbied af.

Langzaam naderden wij het gebouw. Scherper en helderder steeds kwamen de omtrekken en lijnen uit tegen den helblauwen hemel. Maar — hoe dichter ik naderde, hoe werd ik ontgoocheld.

Was dit nu het overblijfsel van het grootste werk onzer vaderen op dit eiland ?

Was er dan niemand in of buiten Nederland geweest, die zich geschaamd had, zoo tegenover Engeland ons oude Nederland te schande te laten worden ? Hoe vervallen was het geheel, hoe treurig verwaarloosd. Verweerd was de steen der muren. Dreigde het dak niet bijkans in te storten? En zelfs de muur van het kerkhof, rondom de'kerk, was het wel meer dan een groote bouwval?

Diep teleurgesteld staarde ik lang op het gebouw, waaraan zooveel herinneringen uit gulden dagen verbonden waren.

Toen trad ik de kerk binnen. Een verkwikkend koele luchtstroom kwam mij reeds in de poort te gemoet.

Vol ontzag zette ik mijn voet op de eerste der groote blauwe zerken, die den vloer bedekten.

Ik was weer in Holland. Dat was de bouwstijl onzer vaderen, die hooge pilaren, die witte steenen muren, de preekstoel, de eikenhouten hanken met hun zware luifels daartegenover, de kruisvorm van het gebouw, zelfs de tallooze blauwe zerken met hun opschriften, 't was al het echte, hechte werk onzer vaderen.

Maar — ook daar binnen — welk een verval. Een verwijt aan ons Nederlanders sprak uit al wat ik zag.

Daar links had eenmaal de galerij gestaan met het groote orgel. Ze was ingestort, en een kleiner instrument op den vloer der kerk had het oude moeten vervangen.

En dieper nog werd ik ontroerd.

In mijn geest kwam op, wat ik had gehoord en gelezen over Holland on Hollands nageslacht op het eiland, en nu, wat zag ik!

Daar was nog de bank, waar eenmaal eiken Zon dag de Nederlandsche gouverneur zat onder het gehoor van den prediker. Nu kwam daar, eenmaal 'sjaars nog — prijzenswaardig bewijs van piëteit de Engelsche gouverneur.

Daar voor mij stond de preekstoel. Vandaar had eenmaal de verkondiging van het woord Gods weerklonken in de Nederlandsche taal; nu werd van dienzelfden kansel slechts Engelsch gehoord.

Eenmaal, ouderen van dagen herinnerden het zich nog, en hadden het mij verteld met trots op het gelaat, eenmaal hadden door dit gebouw de HoUandsche psalmen weerklonken, nu zong men er slechts Engelsche hymns.

En daar — onder die zerken, daar lagen de kloeke vaderen begraven, en op de zerken stonden hunne namen gebeiteld en hun ouderdom; daar stonden hunne daden vermeld in de Nederlandsche taal. Maar het nageslacht, het verstond dit niet, het kende die taal niet meer, en — vervuld met eerbied voor het onbekende, gedrongen door piëteit jegens het voorgesl cht en de taal der vaderen, had men de zerken, om het uitslijten der opschrif ten te voorkomen, bedekt met zware cocosmatten. Neerlands taal was verdwenen van het eiland reeds sinds 50 jaren. Het laatste overblijfsel van oud Neerlands roem was ter ruste gelegd.

Onder de zerken lag t gebeente der vaderen, op de zerken was hun taal begraven.

Ik kon mij niet langer bedwingen. Ik liep op het orgel toe, zette mij voor het klavier en nog eenmaal, misschien voor 't laatst, daar klonk, daar dreunde het onder die gewelven: Wilhelmus van Nassouwe, ben ick van Duytschen bloed.

Diep weemoedig verliet ik toen het kerkgebouw en in mijn hart klonk bet:

Waarom, o Nederland, hebt ge dit gedaan? Waarom heeft men er geen acht op geslagen, toen velen in Ceylon vroegen om Nederlandsche predikanten. Waarom werden de burgers van het eiland, geen gehoor krijgend, gedrongen een Schotschen predikant te beroepen?

Ruim 50 jaar geleden kende en sprak men op het eiland nog Nederlandsch, maar, toen Nederland zijn eigen kinderen geheel vergat, toen ging ook de taal te niet; en thans, zij, wier naam hun afkomst onmiddellijk verraadt, zij, die nog echt Holland|che familienamen dragen als Prins, Faulus, Langenberg, Anthonisz, zij spreken Engelsch ol Portugeesch. En hoewel hun hart nog immer vol liefde is tot Nederland tot op dezen dag, zijn zij gedwongen zich naar Engelsche beschaving en Engelsche geestesrichting te voegen.

Maar gelukkig, niet langer is Nederland joo ongevoelig voor al wat buiten het eigen kleine land geschiedt. Iets, als wat ik boven trachtte te schetsen, gaat niet meer ongemerkt voorbij, i) Nederland begint zich^elve weer te voelen.

In de geheele wereld, overal, waar het Nederlandsch nog wordt geëerd en gesproken, begint men te ontwaken, gevoelt men, dat er zijn gemeenschappelijke taal-en stambelangen.

In onze dagen, waarin de afstanden, die landen en werelddeelen scheiden, steeds kleiner worden, is de tijd voorbij, waarin ieder zich in eigen kleinen kring kan opsluiten.

Wel moet ieder in de eerste plaats zijn oog wenden naar den kring, waarin hij werd geboren en opgevoed, maar dan ook, meer nog dan voorheen, dient elk zijn belangstelling te geven aan wat geschiedt buiten eigen kring, dorp of stad, aan wat geschiedt in het land, grooter dan »elf provinciën', in Groot-Nederland, dat zich uitstrekt an de Schelde tot den Weichsel, dat zijn koloiën heeft, en koloniën ver buiten ons werelddeel.

I) Bij mijn vertrek uit Colombo was reeds een goede som voor de herstelling der kerk bijeengebracht. De burgers zelve waren evenwel, arm als de meesten hunner zijn, niet bij machte de kosten alleen te dragen. De heer Wennink, Nederlandsch consul te Columbo, verzocht mij toen eens iets te willen schrijven over deze kerk en haar vervallen toestand. Bij mijn aankomst in Nederland werden echter reeds allerwegen pogingen tot het verkrijgen van het benoodigde geld gedaan en onlangs is den Minister van Binnenlandsche Zaken een som ter hand gesteld, die het nog ontbrekende geheel aan vulde.

Maar waarom voelt een ieder dit nog niet? Waarom wordt er in onzen kring nog zoo weinig van bespeurd?

Meent men soms dat het dwepen met Grootederland; slechts een ijdele hersenschim is, opgeomen in het brein van enkelen, die niet anders e doen hebben, dan zich bezig houden met ijdele dealen ?

Neen, dat is het niet, allerminst.

Zie slechts rondom u. Duitschlarid vermeerdert ijn koloniaal gebied, brengt de voortbrengselen ijner industrie over heel de wereld, breidt zijn taalgebied uit.

Engeland heerscht in steeds grooter kring en dringt den onderworpenen al nret geweld zijn taal op, zie hoe het tracht in Z - Afrika zijn taalgebied ten koste van het onze te verrijken.

En wat meent ge, dat wij Nederlanders moeten doen; niet om onze macht uit te breiden, neen, enkel om onze positie onder de volkeren te handhaven ?

Stilzitten? Tevreden zijn met wat we hebben? Zoo komen we er niet. Zoo houden we zelfs niet, wat we hebben.

Langzaam, maar zéker zullen wij verdrongen worden tenzij elk Nederlander, en bovenal zij, die eenmaal als leidslieden voor een groot deel der natie zullen moeten optreden, inzien, dat van Nederland meer energie moet uitgaan, dan tot heden is geschied, 't Heeft mij vaak zoo diep gegriefd, telkens en telkens te moeten zien, hoe de Nederlander "t moet aflïggen tegen den Engelschman of Duitscher.

Waarom waakt het jonger geslacht niet op?

Het is een heugelijk teeken, dat zoo ook een jonger geslacht van Calvinisten iets gevoelen gaat van de hooge roeping, die Nederland eens vervuld heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken