Bekijk het origineel

De critiek en het rapport over Art. XXXVI.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De critiek en het rapport over Art. XXXVI.

6 minuten leestijd

I

Amsterdam, I9 Mei I905.

Nu de tijd nadert, dat de kerken in haar meerdere vergaderingen zich hebben uit te spreken over het rapport in zake het gravamen tegen Art. XXXVI, dient ook onzerzijds de vraag overwogen, of de bedenkingen, van verschillende zijden tegen dit rapport ingebracht, steekhouden of niet.

Gelijk men wreet, begon Dr. Wagenaar in de Zuider Kerkbode, nog eer het rapport van deputaten verscheen, zijn veldtocht tegen een eventueele wijziging van Art. XXXVI. Ook Prof. Visscher, uit Utrecht, kwam in een zeer welwillende critiek op het Inmiddels verschenen rapport, tot de conclusie, dat afdoening van het gravamen thans niet wenschelijk was. Zoolang deze critiek gegeven werd in een weekblad, dat in onze kringen weinig lezers telt, hebben we ons gehaast haar in extenso onzen lezers voor te leggen. Nu Prof. Visscher deze artikelen onder den pakkenden titel: Grijpt als 't rijpt, in brochurevorm heeft uitgegeven, en deze voor ieder verkrijgbaar is, was dit minder noodig en kon de plaatsruimte in ons blad beter gebruikt worden. Gaarne bevelen we de lezing dezer brochure, die bij den heer G. J. A. Ruys het licht zag, aan. Waren deputaten door het mandaat, hun door de Synode gegeven, beperkt in hun taak, Prof. Visscher kon vrijer de vleugelen uitslaan, en heeft dit dan ook naar hartelust gedaan. Het moeilijk historisch en exegetisch onderzoek naar de beteekenis der woorden liet hij liggen, en stak met volle zeilen af naar de breede waterbaan van historie en philosophie. Het beginsel, dat aan geheel Art. XXXVI ten grondslag ligt, werd door hem in het licht gesteld, in verband gebracht met de heidensche staatsidee, geschetst in zijn ontwikkelingsgang door de eeuwen heen, en ten slotte getoetst aan Gods Woord. Daarbij werd tegelijk een vernietigende critiek geoefend op de partij van Dr. Hoedemaker, die in Art. XXXVI het uitgangspunt van haar staatkundig program zoekt. Het etiquet van professoraal heeft dit advies ten volle verdiend. Ook in de kringen der Friesche Christelijk-Historischen begint deze quaestie de aandacht te trekken. Ds. Eringa van Woerden heeft na lang zwijgen in de GereformeerdeKerk^2XiS& x\xxï& , het rapport al te vluchtig te hebben gelezen, en deze fout hersteld door den inhoud juister en uitvoeriger weer te geven, terwijl hij een nadere bespreking in het uitzicht stelde. Voeg hier nog bij, dat in onze eigen kerkelijke pers, behalve Dr. Wagenaar, ook Ds. Van Schelven in de Geldersche Kerkbode en Dr. De Moor in de Bode der Geref. Kerken in N.-Brab.-Limburg met bedenkingen kwamen aandragen, en de revue der critici is daarmede vrij wel gepasseerd.

Gaan we deze critiek na, dan dient in de eerste plaats geconstateerd, dat de arbeid door deputaten aan dit rapport ten koste gelegd, algemeen waardeering vond. Noch de historische interpretatie door hen van Art. XXXVI gegeven, noch de critiek, die zij op grond van de Schrift en de Gereformeerde beginselen oefenden op dit Artikel, ontmoette eenige bedenking. Tegen de conclusie van het rapport, dat de gewraakte woorden onzer Belijdenis metterdaad in strijd waren met wat Gods Woord ons leert en deze woorden daarom op den duur in onze Belijdenis niet onveranderd mochten blijven staan, kwam dusverre niemand in verzet. De critiek richtte zich niet tegen het rapport zelf, maar uitsluitend tegen de voorstellen van deputaten omtrent de wijze, waarop het best aan het gravamen kan worden tegemoet gekomen.

De beteekenis van dit feit nu mag niet onderschat worden. Wanneer een der recensenten onder den evenmin juisten als hoffelijken titel Parturiunt montes, nascetur ridiculus mus (de berg baart een muis) het rapport besprak, dan toonde de schrijver daarmee den ernst van dit vraagstuk niet te verstaan. Een verandering, zelfs al bestaat deze slechts in de weglating van enkele woorden uit de Belijdenis, is een zaak van zoo hoog gewicht, dat de vergelijking van een ridiculus mus, een bespottelijke muis, op de conclusie van dit rapport allerminst past. Eer kunnen we omgekeerd begrijpen, dat onze kerken, al erkennen zij de juistheid van het gravamen, huiverig zijn om ook maar de kleinste wijziging in de Confessie zich te veroorloven. De bezwaren door Dr. Wagenaar, Prof. Visscher e. a., tegen de voorgestelde oreglating ingebracht, ook al deelen wij deze bezwaren niet, geven althans blijk, dat de diep ingrijpende beteekenis van dit voorstel veel beter door hen is gevoeld. Bestond er dan ook een mogelijkheid om tegelijk aan het gravamen tegen Art. XXXVI te voldoen en de confessie onveranderd te laten, dan zou ook o. i. hiervoor veel te zeggen zijn. Wijziging in de Belijdenis is het uiterste redmiddel waartoe de kerk haar toevlucht nemen mag.

Men vergete toch niet, dat zulk een verandering in de belijdenis iets gansch anders is dan een wijziging in de kerkenorde. Een gravamen tegen de kerkenorde kan op iedere Synode ingediend worden, en onze vaderen hebben op hun generale Synodes de kerkenorde telkenmale veranderd, zonder hiervan ooit een gewetenszaak te maken. Wanneer de grondbeginselen der kerkenorde maar gehandhaafd bleven, dan was er bereidwilligheid genoeg, om met allerlei practische omstandigheden te rekenen. De kerkenorde was nooit een knellend keurslijf, waarin de kerken moesten gewrongen worden, maar een loshangend gewaad, dat zooveel mogelijk ruimte liet aan de vrije ontwikkeling van het leven.

Maar geheel anders staat het met de confessie. In die confessie spreken de kerken haar allerheiligst geloof uit. Die confessie is een erfstuk uit den tijd der martelaren, is formulier van eenigheid voor alle dienaren des Woords, is accoord van gemeenschap voor al onze kerken. Wijziging der confessie behoort daarom tot de meest ingrijpende gebeurtenissen in het kerkelijk leven. En al hebben onze kerken nooit het recht van gravamen ook tegen de confessie ontkend, en al bleef voor haar Gods Woord het eenige absolute richtsnoer voor het geloof, tegen elke oppervlakkige en lichtvaardige verandering der confessie werd toch dringend gewaarschuwd. De strijd met de Remonstranten over de revisie der confessie, levert daarvoor wel het afdoende bewijs.

Het feit, dat op de Middelburgsche Synode een achttal broederen een officieel gravamen tegen de confessie indienden, is dan ook een unicum in onze kerkelijke geschiedenis. De deputaten, aan wie de Synode opdroeg over dit gravamen een praeadvies uit te brengen, hadden een uiterst moeilijke en kiesche taak te vervullen. Men weet, hoe op twee achtereenvolgende Synoden deze deputaten met hun taak niet gereed bleken. En dat thans de nieuw benoemde deputaten, als vrucht van langdurige overweging en ernstige studie, met een eenparig advies tot de kerken kwamen, om het ingebrachte gravamen gegrond te verklaren, en daarom de gewraakte woorden uit de belijdenis weg te nemen, is toch iets anders en meer, dan dat de bergen als vrucht van al hun barensweeën met een bespottelijk klein muisje voor ons kerkelijk publiek gekomen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 mei 1905

De Heraut | 4 Pagina's

De critiek en het rapport over Art. XXXVI.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 mei 1905

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken