Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de tien geboden.

18 minuten leestijd

LXII.

HET VIERDE GEBOD.

IX.

En op den eersten dag dèr week, als de discipelen bijeen gekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot den middernacht. Handelingen 20 : 7.

Drieërlei bleek alzoo.

Ten eerste, dat Christus, de Heere óók van den Sabbat, gedurende zijn leven op aarde wat betreft den Sabbat van Israël, zich alleen en uitsluitend zoo in woord als daad, heeft verzet tegen de vormelijkheid van het Farizcïsme, maar overigens dien Sabbat èn als scheppingsordinantie èn als teeken, type of schaduw intact heeft gelaten ; het gebod èn als mensch èn als Israëliet heeft gehoorzaamd.

Ten tweede, dat Christus, de Heere óók van den Sabbat, door zijn dood en opstanding, als de rust na het voor de zijnen volbrachte werk, den Sabbat van Israël voor zoover deze teeken, type of schaduw was, wel metterdaad heeft vervuld, en er dus — naar den regel, dat al wat schaduw is, verdwijnt, als de zaak zelve gekomen is — dit „schaduwachtige" uit heeft weggenomen, doch dat hij, tot in den laatsten nacht van zijn aardsche leven, als behoorende tot die dingen, welke zij toen nog niet konden dragen, maar die zij eerst later zouden verstaan, daarvan geen woord aan zijn dicipelen heeft gezegd.

En ten derde, dat Christus, de Heere óók van den Sabbat, blijkens zijn vroeger gesproken woord, waarmee hij doelde op de verwoesting van Jeruzalem, in het jaar 70 na zijn geboorte, op den ondergang van het Joodsche volksbestaan, en waarbij, naar goede uitlegkunde, aan niets anders gedacht kan worden, dan aan den zevenden dag — zijn woord: doch bidt, dat uwe vlucht niet geschiede des winters, noch op eenen Sabbat" (Matth. 24 : 20) — gewild heeft, dat zijn geloovigen uit Israël althans tot dien tijd, den zevenden dag der week als Sabbat of rustdag zouden houden.

Waar dit nu voor ons vast staat, moet tevens aan het tweeërlei sabbatisme, dat ook nu nog onder Christenen gevonden wordt — d. w. z. zoo aan hen, die de „strenge rust, " gelijk de vaderen in Dordt het uitdrukten, welke naar Gods ordinantie de Sabbat van Israël moest dragen, ook voor den Sabbat der Christenen eischen; als aan hen, die van meening zijn, dat niet de eerste, maar de zevende dag der week ook der Christenen Sabbat moet zijn — worden toegesterpd, dat er noch in de vier evangeliën, noch elders in de Schrift, ook niet maar een opzettelijke, in woorden uitgedrukte ordinantie des Heeren is, dat èf die „strenge rust" van den Sabbat der Christenen nu af is, óf dat wij Christenen onzen Sabbat op den eersten dag der week moeten houden.

Wanneer deze tweeërlei sabbatisten — hoe onderling ook verschillend — triomfantelijk beweren: „het staat er dan toch maar!" zullen wij allerminst gaan beweren, dat het er niet staat.

Zeker, daar staat: Gedenk den Sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al-uw werk doen; maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uwe vreemdeling, die in uwe poorten is.

Aan wat er zoo staat, mag dan ook allerminst getornd.

Allerminst „geknoeid", zoodat de tekst dan eindelijk zegt, wat wij willen, dat hij zegt.

En zelfs voegen wij hier dan ook nog grif aan toe, dat waar in de drangreden tot onderhouding van het vierde gebod in Exodus 20 : II op het einde staat: daarom zegende de HEERE den Sabbatdag, " daar, èn blijkens het verband met de voorafgaande woorden èn blijkens Genesis 2:3: En God heeft den zevenden dag gezegend en dien geheiligd; omdat hij op denzelven gerust heeft van al zijn werk hetwelk God geschapen had, om te volmaken" — alleen en uitsluitend sprake kan wezen van den zevenden dag der week. En wijl nu voor den Israëliet „'n dag" van zonsondergang tot zonsondergang duurt, moet dus, zooals het hier staat, de Sabbat of Rustdag van den zonsondergang op Vrijdag tot den zonsondergang op Zaterdag duren.

En ook voegen wij hier, met het oog nu niet op „de 0^w««/i? dag"-sabbatisten, maar op die van de andere soort, even grif aan toe, dat het geen werk doen, zoo als wij in den loop dezer artikelen over het vierde gebod altijd hebben aangewezen, volstrekt niet maar alleen op het niet-doen van „beroepswerk, " maar óók op het niet-doen van werk in ruimer zin ziet, want er staat niet aboda, maar melacha. Volgens wat er staat, mag men b.v. op den Sabbat geen vuur aansteken om zijn eten te koken: Gij zult geen vuur aansteken in eenige uwer woningen op den Sabbatdag" (Exodus 35 : 3); zijn woonplaats niet verlaten: dat niemand uit zijne plaats ga op den zevenden dag!" (Exodus 16 : 29); en ook zijn trekdier niet laten werken.

Dan, al moet dit alles nu onverholen worden toegestemd, voor het tweeërlei sabbatisme is daarmee nog niets gewonnen.

Dat hier nog niets mee gewonnen is, volgt zeker nog niet uit de Sabbatspraktijk van de overgroote meerderheid der Christenen.

Zeker, de overgroote meerderheid der Christenen voelen zich niet door hun conscientie verontrust, wanneer zij op den eersten en niet op den zevenden dag der week Rustdag houden.

Onder ons Gereformeerden is het een vast gebruik, dat de Wet des Heeren naar Exodus 20 : I—17 lederen Zondagmorgen in de kerk wordt voorgelezen.

Onder meer hooren wij dan weer, dat er staat: „maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren uws Gods; dan zult gij geen werk doen."

En toch voelt niemand onder ons zich dan veroordeeld, dat hij op Zaterdag, op den zevenden dag gewerkt, soms hard gewerkt heeft, en nu, wat er toch niet staat, op den eersten dag rust.

Zeker, de overgroote meerderheid der Christenen voelen zich niet door hun conscientie verontrust, wanneer op den rustdag hun eten gekookt wordt; wanneer zij, als het kerkgebouw buiten hun woonplaats staat, uit hun plaats gaan om het te bereiken; of ook, wanneer de kerk in hun woonplaats staat, maar wat ver van hun woning, het trekdier hen er heen rijdt.

Wanneer onder ons Gereformeerden op Zondagmorgen de Wet des Heeren wordt gelezen, en wij hooren, dat er staat: „dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, " dan voelt niemand zich veroordeeld bij de gedachte, dat hij straks eten zal van wat zijn dochter of zijn dienstmaagd op dezen dag zullen gekookt hebben; al is hij van nog zoo ver gekomen, hij acht daarmee allerminst te hebben overtreden het vierde gebod; en voor het geval hij de gelukkige bezitter van eigen gerij is, heeft hij er niets geen conscientiebezwaar over, dat hij zoo even met paard en wagen van de woning naar de kerk is gekomen; dat hij zelf, zijn zoon of zijn knecht, hebben ingespannen, gestuurd en uitgespannen, en dat nog driemaal op den Zondag zullen herhalen.

Doch, gelijk reeds is opgemerkt, uit deze Sabbatspraktijk van de overgroote meerderheid der Christenen volgt zeker niet, dat voor het tweeërlei sabbatisme, wat wij boven aanduidden, met zijn beroep op „wat er toch maar staat, " nog niets gewonnen is. Richtsnoer of norm, niet slechts voor ons Geloof maar ook voor onze levenspraktijk toch, is ten slotte noch de gewoonte, noch de groote menigte, maar de wil van onzen God, geopenbaard in de Heilige Schrift. En ook de omstandigheid, dat de overgroote meerderheid der Christenen, waar zij vlak anders handelen dan de Sabbatisten, meenen, dat men handelen moet, daarover niet de minste beschuldiging in hun conscientie voelen, is nog volstrekt geen argument tegen dit sabbatisme. n e n t

De conscientie toch kan dwalen.

Zij is volstrekt niet onfeilbaar.

Dat nu met zijn „het staat er toch maar, " T waarmede het sabbatisme naar den tekst van Exodus 20 : 8—10 verwijst, voor zijn zaak nog niets gewonnen is, moet dus op gansch andere gronden worden aangetoond.

Hierbij is het noodig tusschen het tweeërlei sabbatisme dat onder de christenen bestaat scherp te onderscheiden. o

Het eene heeft wel geen bezwaar tegen den eersten in plaats van Acn zevenden ^3, %, maar blijft de „strenge rust, " welke, naar Gods ordinantie, den Sabbat van Israël moest dragen, ook eischen voor den Sabbat der Christenen.

De bespreking van dit Sabbatisme en zijn beroep op Exodus 20 : 8—10 moet echter, naar d^n opzet on"er •< . ^'kelen over het vierde gebod, thans nog blijven rusten.

Het andere dringt niet zoozeer aan op de „strenge rust, " maar heeft vooral bezwaar tegen den eersten, in plaats van den zevenden dag en meent, ook met een beroep op Exodus 20 : 8—10, dat wij Christenen op den zevenden dag der week onzen Sabbat of Rustdag moeten houden.

Thans, met onze artikelen toegekomen aan de omzetting van den zevenden in den eersten dag der v/eek, moet juist dit sabbatisme nu besproken. Er dient dus te worden aangetoond: n dat, al staat het vast, dat de Heere Jezus gewild heeft, dat zijn geloovigen uit Israël, althans tot den ondergang van het Joodsche volksbestaan, den zevenden dag der week als Sabbat of Rustdag zouden houden; èn dat, al moet tevens toegestemd, dat er noch in de vier Evangeliën, noch elders in de Schrift, ook niet maar één opzettelijke, in woorden uitgedrukte ordinantie is, dat wij Christenen onzen Sabbat of Rustdag op den eersten dag der week moeten houden; èn dat, al staat er geschreven in Exodus 20 : 10: aar de zevende dag is de Sabbat des Heeren uws Gods; in VS. ii : en Hij rustte ten zevenden dage; en in Genesis 2 : 3: n God heeft den zevenden dag gezegend en dien gehei ligd — hiermede voor dit Sabbatisme nog niets gewonnen is.

Alvorens nu, in een volgend artikel, dit betoog te leveren, zullen wij hier eersteen kort historisch overzicht van dit sabbatisme geven en dan nader aanwijzen, dat er van een opzettelijke, in woorden uitgedrukte ordinantie des Heeren, ook na Christus heengaan van de aarde, dat de eerste dag der week der Christeijen Rusdag woet zijn, uit het Nieuwe Testament metterdaad niets blijkt.

Het was niet alleen in de dagen der reformatie, dat in Duitschland, en in later dagen, dat in Engeland, met een beroep op de letter van het gebod, enkele Christenen hebben gemeend, dat wij op den zevenden dag Rustdag of Sabbat moeten. houden, maar ook in onzen tijd wordt deze meening weer door enkele Christenen voorgestaan.

Reeds Luther bestreed dergelijke Sabbatisten, die in zijn tijd in Bohemen, Maehren en Hongarije waren opgestaan, maar ook daarna nog traden zij in op Duitschand en wel in Zevenbergen.

Met name echter in Engeland zijn er zoo nu en dan Christenen geweest, die meenden, dat men niet op Zondag, maar op Zaterdag zijn Rustdag moest houden. Zoo, inde 17de eeuw, de vroegere kousenkooper en latere predikant, Theophilus Brabourne, die er een heel boek over schreef, dat hij aan den koning opdroeg. Hij verklaarde eerder als martelaar te zullen sterven, dan zijn gevoelen van den Zaterdag-Sabbat op te geven. Later bleek echter, dat hij er zelfs zijn ooren niet voor over had. Want toen Overheid en Kerk zich met de zaak gingen bemoeien en Brabourne er achter kwam, dat er over gedacht werd hem, tot straf voor het drijven van zoo singuliere opinie, zijn ooren te laten afsnijden, heeft hij voor het Hof van de Hooge Commissie voor kerkelijke zaken, in woord en schrift zijn meening publiek herroepen.

Theophilus. Brabourne had met dtis te verklaren, dat hij het mis had gehad, ten minste zijn ooren gered, en ging voortaan in gehoorzaamheid aan de bisschoppen der Engelsche Staatskerk — Rome heeft met de zaak Brabourne niets uit te staan — maar weer Zondag houden. Toch bleef hij bij zijn gevoelen, althans twintig jaar later schreef hij, adat hij zijn predikambt had neergelegd, en boekje waarin o. m., deze uitdrukking voorkwam: Dat des Heeren dag niet meer aar den Sabbat gelijkt, dan een mensch naar een muis.

Wat later in de 17de eeuw namen nog wee Wederdoopers in Engeland, James Oxford en Thomas Tillam, het in geschriften voor den Zaterdag-Sabbat op.

De Overheid bepaalde, dat hun boekjes moesten worden verbrand; de Engelsche heologen schreven er geleerde tractaten tegen.

Als in het voorbijgaan zij er hier nog op gewezen, dat de Remonstrantsche hoog-^peraar te Amsterdam, Etienne de Courcelles, gestorven in 1659, een werk uitgaf, waarin hij schreef, dat de Zaterdag-Sabbat niet had moeten afgeschaft worden, maar ok, dat de onderhouding daarvan nu maar niet weer moest worden ingevoerd. Een sabbatisme alzoo niet van de daad.

Terugkeerend tot Engeland, vinden wij daar op het einde der 18e en in het begin der 19e eeuw de dweepster Johanna Southcote gestorven 1814, die een kring van menschen om zich wist te krijgen, welke als „Nieuwe-Israelieten", in de verwachting, dat de Christus nog bij hün leven op aarde zou komen, de joodsche wet en den joodschen Sabbat onderhielden.

Van meer beteekenis was echter de beweging, die onder de Baptisten in Engeland — de verwerpers van den kinderdoop en voorstanders van den doop der volwassenen en dan bepaaldelijk door onderdompeling, — daar sedert 1731 verbonden is aan den naam van Frans Bampfield. Zich beroepend op de letter van het vierde gebod, eischte Bampfield, dat men den zevenden in plaats van den eersten dag der week moest vieren. Zijn aanhangers, die zich Seventh-Day-Baptists of „Zevende-Dag-Baptisten" noemden, waren in Engeland echter niet talrijk. I., ater trokken velen hunner naar Noord-Amerika, waar zij echter nóg, onder de daar zeer talrijke Baptisten, slechts een kleine minderheid vormen.

En niet alleen daar en in Engeland, maar, gelijk onzen lezers bekend is, zijner thans ook ten onzent enkele Christenen, die weer aandringen op de onderhouding van den zevenden dag als Rustdag en daar zelfs ijverig propaganda voor drijven.

Men ziet, de quaestie heeft niet maar alleen een historisch belang.

En nu de nadere aanwijzing, dat er van een opzettelijke, in woorden uitgedrukte ordinantie des Heeren, ook na Christus heengaan van de aarde, dat de eerste dag der week der Christenen Rusdag moet zijn uit het Nieuwe Testament niets blijkt.

De eerste Christenen hebben als geboren Joden, naar de Schrift leert, den Joodschen Sabbat gehouden. Van een eersten dag der week; — wat blijde herinnering aan 's Heeren opstanding zich daaraan ook voor hen verbond, — vindt men, als Rustdag nog niets. Wanneer zij in Jerusalem zijn, gelijk Petrus en Johannes, gaan zij op Sabbat naar den tempel (Hand. 3 : i). In dit onderhouden van den Joodschen Sabbat was de Heere zelf hen voorgegaan, en blijkens zijn woord: bidt dat uw vlucht niet geschiedde op eenen Sabbat", washet ook niet zijn wil, dat zij daar in de eerste jaren na zijn heengaan mee zouden breken. Wel komt de Gemeente van den Pinsterdag, nog ingesloten in de windselen van Israels volksbestaan, tot een zelfstandige organisatie. Gaan in Jerusalem de belijders van Jezus' Naam niet slechts met hun volksgenooten op naar den tempel, maar houden zij ook onderlinge samenkomsten. Dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende en van huis tot huis brood brekende, eten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten (Hand. 2 : 46). Doch van een bijzonder gedenken van den eersten dag der week, en nog veel minder vaneen rusten op dien dag is geen spoor.

En dit heeft ongeveer twintig jaar zoo geduurd.

Eerst nadat Paulus als Apostel is opgetreden en onder zijn iuvloed ook heidenen tot het christendom zijn bekeerd, vindt men enkele sporen, dat de eerste dag der week althans op bijzondere wijze wordt herdacht.

Allereerst in Hand. 20 : 7. En op den eersten dag der week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijn rede uit tot den middernacht.

Met deze bijbelplaats zijn wij in de Grieksche havenstad Troas, op de kust van Klein Azië, in een rijk verlichte opperzaal waar Christenen op den avond van den eersten dag der week hun Liefdemaal of Agape houden. Naar Jezus' voorbeeld wordt „het brood gebroken"; er wordt Avondmaal gehouden, en straks luistert men naar het woord van Paulus, die morgen weer vertrekken gaat en zijn rede uitstrekt tot middernacht. Nu werden dergelijke Agapen toen door de christenen ook op andere dagen gehouden; in Jeruzalem zelfs lederen dag. Omdat Paulus den volgenden dag weer weg moest, was er toen in Troas bijzondere aanleiding het nog den avond te voren te doen.

Alleen de nadrukkelijke vermelding in Handelingen 20:7 van den „eersten dag der week" maakt het niet onwaarschijnlijk, dat deze dag door de heiden-christenen in Troas, als herinneringsdag van 's Heeren opstanding, bijzonder herdacht werd.

In de tweede plaats komt hier in aanmerking I Corinthe I6: I: v

Op eiken eersten dag der week, legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, verga­ derende eenen schat, naardat hij verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn.

Het gaat hier over de collecte, die Paulus onder de heiden-christenen houdt voor de verarmde Moederkerk van Jerusalem. Met het oog daarop dan verordent hij voor de kerk van Corinthe evenals hij voor die van Galatië gedaan heeft, dat ieder lid op eiken eersten dag der week 't huis wat geld moet wegleggen en wel naarmate het hem goed is gegaan in zijn bedrijf. Begint men er dadelijk na het ontvangen van den brief mee, dan zal ieder, tegen den tijd dat de Apostel zelf naar Corinthe komt, reeds het bedrag van zijn aandeel bij elkaar hebben. Dat is dan zeker makkelijker voor de gevers en misschien ook beter voor de collecte zelf, dan wanneer het geld zoo opeens en binnen een korte tijdgrens moet bijeengebracht.

Nu zou het zeker een ietwat voorbarige gevolgtrekking wezen, uit deze ordonnantie van den Apostel te besluiten, dat er zoo in de kerk van Corinthe als in de kerken van Galatië op den eersten dag der week godsdienstige samenkomsten werden gehouden. Immers, wanneer men i Corinthe 16 : 2 maar goed leest, dan zal men zien, dat er van geld wegleggen in de vergadering der geloovigen geen sprake is, maar alleen van geld wegleggen bij zich thuis. „Een iegelijk van u legge iets bij zichzelven weg".

Dan, waar nu Paulus hier juist den e^^jfe« dag der week voor dit werk van barmhartigheid en broederlijke liefde aanwijst, mag men daaruit zeker wel besluiten, dat deze dag voor het bewustzijn ook van deze christenen, die tot de Grieksche wereld behoorden, een dag van bijzonder gedenken was. En dit nu is te merkwaardiger, wijl de Grieken als zoodanig — wij hopen daarop in een volgend artikel nader terug te komen — „de week van zeven dagen" niet hadden en dus ook van een eersten dag der week niet wisten. Hier moet dus wel de christelijke gedachte aan 's Heeren opstanding op den eersten dag der week haar invloed hebben geoefend.

Ten slotte dient nog gewezen op een derde plaats uit het Nieuwe Testament.

In Openbaring i : 10 schrijft de heilige Apostel Johannes: Ik was in den geest op den dag des Heeren; en ik hoorde achter mij een stem als van een bazuin."

De Apostel deelt hier mede, dat hij in profetische extase was en wel, als nadere tijdsbepaling, op den dag des Heeren. Wijl dit laatste dus niet de Oordeelsdag kan beteekenen, moet men wel denken aan een dag, die op bijzondere wijze met den Heere, d. i. met Christus, in verband staat, en dat kan dan wel niet anders wezen, dan de eerste dag der week. De zeven kerken in Klein-Azië, voor welke de Openbaring allereerst bestemd wjis, moeten dus ook aan dezen dag, als dag van 's Heeren opstanding, beteekenis hebben toegekend.

Zijn Handelingen 20 : 7, i Korinthe 16 : 2 en Openbaring i:10 de drie eenige plaatsen uit het Nieuwe Testament, waaruit blijkt, dat na de tweede helft der eerste eeuw en vóór den ondergang van het Joodsche volksbestaan de eerste dag der week in de Christelijke wereld een dag van bijzonder gedenken aan 's Heeren opstanding was, uit deze plaatsen blijkt echter niet, dat de eerste dag der week toen reeds der Christenen Rustdag of Sabbat was.

In zijn sabbatistischen ijver schrijft de hierboven vermelde Theophilus Blrabourne, in zijn tweede en laatste boek: ee ! over e leeraars, die het volk leeren, dat de drie teksten Handelingen 20 : 7; Openb. I : \0 en \ Cor. 16 : i en 2 bewijzen, dat es Heeren dag als de Christelijke Sabbat moet onderhouden worden.

Wij zullen ons dan ook wel wachten dit e leeren.

En dat niet om de kracht-taal van Braourne, maar omdat het onwaar is dat deze Bijbelplaatsen zulks bewijzen.

Maar wel leeren, wij Gereformeerden, zij et dan ook niet op grond van die teksten, et heel de Christenheid, — uitgezonderd an de Sabbatisten, — dat de dag des eeren als de christelijke sabbat moet nderhouden.

Over dien anderen grond en hoe en aarom de omzetting van den zevenden in en eersten dag der week plaats greep; — aarbij dan tevens zal blijken, ^dat ook et de drie in dit artikel genoemde stuken voor de Sabbatisten, die nog altijd an den zevenden dag vasthouden, niets is ewonnen, — hopen wij te spreken in ons olgend artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 mei 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 mei 1905

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken