Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

EEN LEVENSGESCHIEDENIS,

X.

WEDERZIEN.

„Maar kapitein, " sprak Pouwels, „kunnen we dat doen? Hij heeft zijn verdiende loon en zit er leelijk bij. Evenwel, hij is nu in nood en we moeten hem helpen, dunkt me. Ik geloof dat ik zelfs vrouwen aan boord zie. Tegen die vechten we toch niet."

De kapitein nam zijn kijker, tuurde even en sprak toen:

U hebt goede oogen, mijnheer! al begrijp ik niet dat een kaperschip ook vrouwen meeneemt op zijn tochten. Maar hoe moet ik die lui belpen? Wij zijn maar zoo wat een dozijn koppen sterk en zij zeker wel twee. Haal ik ze hier, dan zijn ze niet te goed om ons op 't lijf te vallen, in 't ruim te smijten en zelf den baas te gaan spelen. Dat zou u toch ook niet lijken."

„Zeker niet, " zei Pouwels, „maar is daar zooveel gevaar voor? De menschen zijn op het punt van te verdrinken, en zullen nu wel niet aan vechten denken."

Thans echter begonnen de stuurman en het verdere scheepsvolk ook mee te spreken. Allen gaven hun kapitein volkomen gelijk. De „Borough" was een koopvaarder, heel niet tot den strijd uitgerust, er waren weinig wapens aan boord en daar tegenover stond, dat de kapers niet alleen flinke wapens hadden, maar ze ook voortreffelijk wisten te gebruiken.

„U kent dat volkje zeker nog niet, mijnheer, " zei de stuurman. „Ik heb ze bijgewoond en verzeker u, dat ik ze liefst heel ver van mij houd. Ze ontzien niets."

Onze Pouwels echter was het er niet mee eens; hij vond het verschrikkelijk, die menschen zoo te laten verdrinken, zonder althans iets te doen om hen te redden. Doch hij stond alleen. Geen der Engelschen toonde lust om een hand voor de kapers uit te steken. Ge vindt dat misschien hard, vrienden, en dat schijnt het ook. Maar toch, als we weten hoe het toen in den oorlog en vooral bij de kaapvaart toeging, als we bedetukeD, dat de vrees van den

kapitein volstrekt niet ongegrond was en hij de verantwoording had, dan is het gedrag dier mannen ver van onbegrijpelijk.

Er behoefde echter niet lang meer geredeneerd te worden, want men kon nu als 't ware zien en hooren, hoe 't kaperschip uiteenbarstte. Er werden geen noodschoten meer gelost. Alle handen schenen zich te beijveren om de booten uit te brengen. Doch ^it ging niet gemakkelijk. Er was nu meer wind gekomen, op de bank stond vrij wat branding, en golven sloegen met kracht tegen het ongelukkige schip, dat reddeloos verloren was.

Dit laatste begrepen de lieden maar al te goed, en blijkbaar zocht ieder thans zich zelf maar te redden. Men kon duidelijk zien, hoe alles op het dek, dat geheel scheef lag, zich poogde op de been te houden, en gereed te zijn om in de boot te springen. Eindelijk waren de touwen los en plompte het schuitje in 't water. Doch te gelijk sprongen er tien, twaalf mannen in. Anderen klemden zich aan de kanten vast. Een oogenblik slechts: Want het vaartuigje, niet in staat zulk een last te dragen, zonk als een steen, met allen die er zich aanklampten of er in waren.

Een verschrikkelijk geschreeuw en gejammer ging op, zoowel van de zinkenden als va het kaperschip, Ook de mannen van de „Borough" ontroerden en haastten zich om te helpen. Zij stuurden hun schip naderbij, al moest dat heel voorzichtig gaan, zou men niet zelf op de zandbank stooten. Ook zett'en zij een boot uit, om zoo mogelijk nog iemand te redden, daar er nu wel niets meer te vreezen was. Doch 't bleek te laat. Lang voor de Engelsche boot de bank bereikt had, was van allen die met het schuitje waren verongelukt, niets meer te zien.

Eensklaps bespeurde men, dat op den kaper een tweede boot werd losgemaakt. Weldra was ook die te water gelaten. Ditmaal scheen men gewaarschuwd door 't lot der anderen. Althans 't ging minder woest toe en het vaartuigje, hoewel zwaar bemand, bleef boven water. Eenige oogenblikken later was het schuitje vlak bij de sloep, waarin twee Engelsche matrozen zaten. Zij bespeurden hoe in de boot van den kaper, zich negen mannen en drie vrouwen bevonden. Allen zagen er jammerlijk uit, met gescheurde kleeren, doornat van het zeewater en met de doodsangst op het gezicht.

Smeekend strekten zij de handen uit naar het Engelsche bootje. De enkelen die nog wapens bij zich hadden, smeten die in zee Trouwens van menschen zoo, ellendig was niet veel gevaar te vreezen, te meer daar nu de Engelschen in elk geval verreweg de sterksten waren. Diezelfde mannen, die nog eenige uren te voren het Britsche schip hadden vervolgd als hun buit, baden nu dat men hen wilde opnemen, en zoo althans hun leven redden.

Daar de Fransche boot overladen was en dreigde te zinken, werden de vrouwen en één man in de sloep overgebracht, en toen roeide men zoo snel mogelijk, van de gevaarlijke plek weg en naar de „Borough." Weldra waren de beide schuitjes bij het groote vaartuig gekomen. Juist op dat oogenblik hoorde men een geweldig gekraak, dat allen deed omzien. Wat van het kaperschip nog over was, sloeg met geweld uiteen. Van het schip dat nog geen uur geleden zoo trotsch op de wateren den vijand najoeg, was thans niets meer te zien.

De kapitein van de „Borough" stond, door zijn mannen omringd, op de booten te wachten;

vlak naast hem stond Pouwels. „Een voor een. Wapens overgeven!" klonk zijn bevel. Aan het eerste werd voldaan, 't Laatste was niet meer noodig.

Met veel moeite, want de zee werd al woeliger, gelukte het een der vrouwen naar boven te krijgen. Toen volgde de tweede. Nu kwam de derde aan de beurt, die gelijk de anderen ter wille van de ruimte, ineengedoken had gezeten.

Niet zoodra had schipper Pouwels haar gezien, of 't was als kreeg hij een schok door heel zijn lichaam. Hij beefde zoo sterk, dat het hem onmogelijk was een hand uit te steken, terwijl men de vrouw aan boord haalde. Maar nauwlijks was dat geschied, of Pouwels liet een kreet van verbazing hooren en snelde toen op de vrouw toe, roepende: „Zij is het! Zij is het!" Toen nam hij haar in zijn armen en droeg haar naar beneden in de kajuit.

„Wat overkomt dien Dutchman! i)" riep de stuurman verbaasd. ., Hij is heelend'al van streek. Hij zal toch geen familie hebben onder dat kapervolk."

„Wacht je beurt, " sprak de kapitein. „We moeten eerst die anderen helpen. Je ziet toch wel dat het lang niet allemaal zeeroovers zijn. Ik begrijp het zelf nog niet recht."

Eindelijk waren allen aan boord. De Engel schen deden thans al wat zij konden, 't Scheepsvolk stond zijn kleeren af voor de doornatte schipbreukelingen, die allen eerst een teug bran dewijn kregen, en daarna een overhaast gereed gemaakte kruidensoep, waarna voor ieder, zoo / goed en kwaad als 't ging, een slaapstede werd gereed gemaakt. De arme menschen bekwamen allengs van den doorgestanen schrik, en wilden hun wedervaren vertellen. Doch de kapitein stelde dat wijselijk uit, tot zij eerst wat rust hadden genomen, te meer daar hij om he lange oponthoud alle zeilen moest bijzetten, om hoe eer hoe liever te Rotterdam te zijn.

I) Nederlander.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 mei 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 mei 1905

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken