Bekijk het origineel

Handhaving van den heiligen Kerkdienst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Handhaving van den heiligen Kerkdienst.

6 minuten leestijd

Zoowel Prof. Visschcr als Dr. Wagcnaar kunnen zich nog niet vereenigen met onze uitlegging van de derde zinsnede van Art. XXXVI.

Volgens hen ligt in de woorden: „de hand te houden aan den heiligen kerkedienst" wel degelijk opgesloten, dat de Overheid te zorgen heeft voor de traktementen der predikanten.

Nu laat deze quaestie ons betrekkelijk koud.

Het gravamen, te Middelburg ingediend, ging uitsluitend tegen de uitdrukking, dat de Overheid den valschen godsdienst had uit te roeien. Al wat Art. XXXVI verder behelst, is op dit oogenblik niet in geding. En we zouden het betreuren, wanneer onze Kerken door de opgeworpen stofwolken uit het oog verloren waar de quaestie om gaat. Eerst wanneer een revisie van Art. XXXVI in zijn geheel aan de orde wordt gesteld, zal een historische exegese van de overige uitdrukkingen noodig zijn. Thans is dat onderwerp feitelijk buiten de orde.

Gaarne willen we echter uit hoffelijkheid de van ons dissentieerende broeders ook op dit punt te woord staan. Mits over en weer dan ook wel in het oog worde ge houden, waarover de strijd loopt. Anders voert men wederzijds argumenten aan, die hoe schoon ze ook schijnen, niets zeggen, omdat ze bewijzen wat reeds in confess© was.

Onzerzijds is terstond toegegeven, dat na 1572 onze Kerken telkens weer gevraagd hebben, dat de Overheid voor het onderhoud der predikanten zorgen zou. In hoeverre het feit, dat de 0^^erheid voor een goed deel de kerkelijke goederen der Roomsche Kerk genaast had, hiervoor een rechtsgrond bood, laten we in het midden. Zoodra de Overheid professie deed van de Gereformeerde religie, hebben de Kerken steun van de Overheid gevraagd en is dit door mannen als Voetius e.a. principieel verdedigd.

Hierover bestaat dus geen geschil.

Maar wel hielden we staande, dat vóór 1572 onder het schrikbewind van Philips aan zulk een eisch nog niet gedacht is en dat onze martelaren, door aan de Overheid voor te houden, dat het haar roeping was den heiligen Kerkendienst te handhaven, daarmede niet anders bedoeld hebben dan dat de Overheid voor de zuiverheid en heiligheid van den Kerkedienst te zorgen had. Niet om salarieering der predikanten, maar om toepassing van het jus reformandi ging de strijd.

Welke bewijzen voeren Prof. Visscher en Dr. Wagenaar tegen deze stelling nu aan .• Leggen ze ons eenig officieel actestuk voor van Guido de Bres of een onzer andere martelaren, waaruit het tegendeel blijkt} Beroepen ze zich op een der latere Gereformeerde uitleggers van onze confessie, zooals Maresius of Arnoldus van Rotterdam, om ons van ongelijk te overtuigen.''

Niets van dat alles.

Prof. Visscher geeft een breed citaat uit het bekende werk van Jean Taffin, den hofprediker van Prins Willem, getiteld Over de boetveerdicheyt des levens. In dit citaat verklaart Taffin metterdaad, dat het de roeping der Overheid is om te voorzien „in een bequaem onderhout dergenen die de Christelijke Gemeente dienen". En omdat Taffin nu in 1566 reeds te Antwerpen gepredikt heeft, meent hij hieruit te mogen afleiden, dat de opstellers onzer Confessie hetzelfde van de Overheid vroegen.

Nu zou dit argument natuurlijk dan alleen klemmend zijn, wanneer dit werk vóór 1572 geschreven was. Het bewees dan nog wel niet, dat al onze kerken er destijds reeds zóó over dachten, maar gaf althans het getuigenis van een onzer oudste predikanten.

Het bedoelde werk is echter door Taffin geschreven in 15QS. Het is blijkens de voorrede opgedragen aan de Burgemeester van Amsterdam en wel „pour la consideration du bon zele et saincte affection, que celles demonstrant a conserver et avancer la uraye et pure religion" of gelijk de Hollandsche vertaling van Crucius heeft: „teninsien des goeden ijvers ende der heylighe gencgentheit, de welcke u E. bewijsen in het voorstaan ende voorderen den warer ende suy vere. Religie". Terwijl Taffin de Burgemeesters inzonderheid dankt, omdat ze hem zelf niet alleen een goede behuizing, maar ook een behoorlijk salaris geschonken hebben.

Precies dus wat we beweerden, dat na 157*3 de toongevende leiders onder de Gereformeerden van O/erheids-tractementen verre van afkeerig waren. Maar hoe Prof. Visscher uit dit boek, in 1592 geschreven, dus dertig jaar nadat onze confessie is opgesteld, een bewijs wil afleiden, dat onze predikanten, toen de schavotten dropen van het bloed der martelaren en de brandstapels rookten, bij Koning Philips hebben aangedrongen op betaling van de traktementen der gereformeerde predikanten, is ons een raadsel.

De vondst van Dr. Wagenaar schijnt dan ook vernuftiger. Hij merkt op, dat de uitdrukking „de hand te houden aan den heiligen kerkdienst" in den oorspronkelijken tekst van onze Confessie van 1561 nog niet voorkomt en dus waarschijnlijk te danken is aan de revisie, die de Synode van Antwerpen in 1566 de Confessie deed ondergaan. In dat jaar was onder den indruk van het Compromis der Edelen de werking der placcaten een tijdlang geschorst, lieten verscheidene O verheidspersonen de Gereformeerde prediking oogluikend toe, vond de beeldenstorm en de hage-prediking plaats, en daarom acht Dr. Wagenaar het toen volkomen begrijpelijk, dat onze Kerken ook in hare Confessie verklaarden, dat de Overheid voor de predikants tractementen te zorgen had. Zelfs spreekt hij de hoop uit, dat onze redactie nu „ruiterlijk" ongelijk erkennen zal.

Nu zou niets ons liever zijn dan op een ondergeschikt punt bij zulk een debat de overwinning toe te kennen aan een zoo geoefend strijder als Dr. Wagenaar. Mits het aangevoerde argument metterdaad afdoende was.

Maar ieder, die onze historie kent, voelt en tast toch, dat de voorstelling, die Dr. Wagenaar van den toestand onzer Kerken in 1566 geeft, met de geschiedenis in flagranten strijd is. Het bewijs daarvoor valt niet moeilijk te leveren. De consistoriën in 1566 te Antwerpen bijeengekomen, wisten uitnemend goed, in welke finantieele moeilijkheden het Gouvernement zat. Ze boden daarom aan Koning Philips de voor dien tijd reusachtige som van 30 tonnen gouds aan, wanneer de Koning vrijheid van prediking aan de Gereformeerden wilde toestaan. Wanneer de Koning de bloedplaccaten maar introk, waren ze bereid daarvoor drie millioen ten offer te brengen. En volgens Dr. Wagenaar was de toestand voor onze Kerken destijds zoo gunstig, dat ze reeds aan Overheids-tractementen dachten ! Waarlijk, indien zelfs Homerus niet wel eens slapen kon, zouden we meenen, dat de historische blik van Dr. Wagenaar niet minder dan Art. XXXVI revisie behoefde.

Wat Dr. Wagenaar er voorts aan toevoegt, dat onze synodes blijkens al hare acta telkens steun hebben gevraagd voor studenten, emeriti-predikanten enz., ex bonis publicis d. w. z. uit de Staatskas is volkomen juist, wanneer hij er maar één ding aan toevoegt: na IB'73. Want juist de acta onzer Synodes van 1563—1566 spreken hiervan met geen enkel woord.

Wil men ten slotte een onverdacht getuige, dan beroepen we ons liefst op Taffin zelf. In het zoo even genoemde tractaat schrijft hij, blijkbaar met terugslag op de woorden van onze Confessie (e. d. 1609 pag. 206 verso) „dat het eerste wit ofte ooghmercke des ampts der Overheidt is in te stellen ende te handthaven de suyverheit der leere, de heilige bedieninghe der sacramenten, de aanroepinge van Godes Naem, de ordeninghe der Christelycke tucht, in somma den heyligen Kerkedienst ende Godsdienst."

Dat hebben onze vaderen onder de „handhaving van den heiligen Kerkedienst" verstaan, en niet de betaling der predikantstractementen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juni 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Handhaving van den heiligen Kerkdienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juni 1905

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken