Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Gelijk in den hemel.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Gelijk in den hemel.”

10 minuten leestijd

Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde. Matth. 6: I0.

Het zijn met onze ziel nabij den Heere onzen God sluit in zich, dat we ons met ons inner lijk besef uit onze alledaagsche omgeving overplaatsen in de sfeer van Gods majesteit. Het is dit wat in Schriftuurlijke taal het Sursum corda is geworden, de drang om ziel en zinnen tot onzen God op te heffen en te verschijnen in de aanspraakplaats zijner Heiligheid.

Het is zoo, God de Heere daalt in zijn oneindige ontfermingen ook tot ons neder, om woning bij ons te maken en ons met zijn stok en staf te vertroosten; maar dit brengt op zichzelf onzen God wel nabij ons, maar doet daarom onze ziel nog lang niet altoos nabij onzen God verkeeren. Gods zoekende liefde kan reeds tijden nabij, om en in ons hart verkeeren, zonder dat ons zielsbesef nog met klaarheid voor die liefde onzes Gods ontdekt is. Een kindeke kan door Gods nabijheid gedragen worden, zonder dat het zelf ook maar eenig klaar besef van Gods majesteit heeft. In toestanden van krankheid, die ons ons zelfbewust zijn rooven, wijkt daarom Gods nabijheid nog niet van zijn kind. En ook als in het sterven ons bewustzijn ons begeeft, blijft daarom Gods nabijheid de ziel, die Hij opriep, ondersleunen. Ge moet daarom tusschen deze twee, hoe na ze ook verwant zijn, toch steeds onderscheiden. Het is iets anders of onze God nabij ons is, en of wij zijn nabij onzen God. En voor dat laa'ste nu, niet voor het eerste, is het in hooge mate bevorderlijk, indien ons best f niet te vast beklemd zit in de wereld der zienlijke dingen, en zoo we de heilige kunst verstaan, om ons zielsbesef uit deze wereld in de wereld die om Gods troon is, over te zetten.

Het eerst leert de ziel dit in het gebed, en nu is het opmerkelijk hoe Jezus in den korten vorm van het Onze Vader keer op keer onze gedachten naar de onzienlijke wereld overleidt.

Al aanstonds in den aanhef, in dat: „Onze Vader, die in de hemelen zijt". „Dit bedoelt, zegt onze Catechismus, dat we van God „niet aardschelijk gedenken zouden." En dat is juist, mits het diep worde opgevat. Niet als een klank, een woord, een term, om iets bovenaardsch uit te drukken, maar als de poging der ziel, om zich reeds in den aanvang van het gebed los te maken van de aardsche voorstellingen die haar omstrengelen, en in te gaan in die hooge, heilige sferen, die Gods troon omringen.

Dezelfde uitwerking heeft de bede: „Uw Koninkrijk kome", daar dat Koninkrijk niets anders zijn kan dan het Koninkrijk der hemelen en de bede deswege erop doelt dat de krachten van dit Koninkrijk uit de hemelen steeds machtiger in ons leven mogen doordringen.

Maar het scherpst en duidelijkst uitgesproken ligt de gemeenschap met het leven om Gods troon in de derde bede: „Uw wil geschiede op aarde onder ons, gelijk in den hemel onder uw engelen.

Hier is de verwijzing naar den hemel opzettelijk, hier is ze klaar en duidelijk uitgesproken, hier teekent zich tegelijk èn de gelijksoortigheid èn de ongelijkheid van het leven op aarde en het leven in de hemelen, en hier dringt Jezus zelf in het gebed dat Hij ons meegaf op onze pelgrimsreize, om onder ons bidden, en bij het zoeken van Gods nabijheid, ook in de wereld der engelen en der gezaligden in te leven, en door onze gemeenschap aan hun wereld, ons naderen tot onzen God te sterken.

Ja, zoo sterk is dat dringen van Jezus om onder het bidden onze ziel met de onzienlijke wereld in aanraking te brengen, dat hij in de laatste bede ons omgekeerd de inwerking voel baar maakt, die van het hoofd der gevallen engelen op ons uitgaat. „Verlos ons van den Booae" is de bede die ons indachtig maakt, hoe 't kwaad, hoe de zonde die in ons hart opwelt, gevoed en aangedreven wordt door een hoogere macht uit de onzichtbare wereld, en hoe alleen onze God ons van die doodelijke inwerking verlossen kan.

Is het dan te sterk gesproken, zoo we zeggen, dat Jezus in dit korte gebed van zes beden ons keer op keer uit de aardsche sfeer der zichtbare dingen doet uitgaan, en ons zielsbesef klaar en machtig voor de realiteit der onzicht bare wereld ontsluiert, en dat alles opdat we juist daardoor het zijn nabij onzen God te dieper en te inniger genieten zouden.

Die gemeenschap met de geesten der onzichtbare wereld blijkt in de Schrift meer dan eens van het zijn nabij God onafscheidelijk. Denk slechts aan het roepingsvisioen van Jesaia en aan de Openbaringen op Pathmos.

Jesaia zag niet maar den Heete op zijn troon, maar ook de Serafs die zijn troon omringden, en hij hoorde het „heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen" dat met heiligen klank de zalen des hemels vervulde. En niet anders was het op Pathmos. Ook daar dringt de zienersblik van den Ziener niet tot den Heilige door, of hij ziet de Cherubs die Gods majesteit openbaren, en hij vangt, wat nog meer zegt, ook van „de ouderlingen, " d. i. uit de kringen der gezaligden, het loflied op: „Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht!"

En zoo loopt door heel de Schrift een gouden lijn van hemelsch licht, die het gebed en den lofzang van Gods vol^ in gemeenschap brengt met het loflied der engelen en der gezaligden.

Het zijn niet maar de engelen en gezaligden die in het ongenaakbaar licht, en wij die op deze aarde in onze schemering den Drieëenige lof toezingen, maar er is tusschen engelenstera en menscbentong samenhang. Soms is het of wij slechts een echo geven op wat om Gods troon gejubeld wordt, en ruste vindt ons hart eerst, als er heilig accoord, als er zalige harmonie is tusschen de geschapen geesten daarboven en het schepsel dat op deze aarde dorst naar de nabijheid van zijn God.

Maar juist hierdoor dringt dan ook de vraag zich aan ons op, of deze noodzakelijke gemeenschap met Gods engelen en met de gezaligden voor Gods troon in onze kringen niet te zeer afstierf.

Dat we tegen misbiuik op onze hoede hebben te zijn, is zonneklaar. Niet onwaarschijnlijk is het wezen dtr afgoderij zelfs uit dit zoeken van gemeenschap met de geestenwereld opgekomen, en zelfs binnen de grenzen van Christus' Kerk heeft het zoeken van deze gemeenschap maar al te dikwijls van Gods nabijheid afgetrokken, in plaats van tot zijn heilige nabijheid ons in te leiden.

De zielsbemoeienis, als we ons zoo mogen uitdrukken, met de engelen en de gezaligden, heeft de ziel in haar angstige bezorgdheid er maar al te dikwijls toe verleid, om ons tusschenpersonen tusschen onze ziel en onzen God te scheppen, wier hulpe de toevlucht tot de hulpe onzes Gods verdrong.

Daarom is het te verstaan, dat men, om dit misbruik te keeren, in soberheid heil zocht, en zich in heilige aandrift beijverde, om zich van zijn gebed door niets, ook door geen engelen, van Godzelf en van Gods onmiddellijke gemeenschap te laten aftrekken. Maar valt nu te ontkennen, dat deze behoedzaamheid, door overdrijving, in hel andere uiterste heeft doen overslaan; en is het niet zoo, dat in het gebed der gemeente, in het huiselijk gebed, en in de persoonlijke smeeking, de geestenwereld zoo bijna geheel weg viel, dat al zulk gebed hierdoor in strijd geraakte met den toon dien Jezus zelf in het Onze Vader aangaf.

In dat Onze Vader brengt Jezus onze ziel keer op keer met die hoogere geestenwereld in aanraking, uit ons gebed stierf die gemeenschap bijna geheel weg.

Zoo kan men, om het misbruik van het ééne uiterste te mijden, ongemerkt en vanzelf in het andere uiterste overslaan, en het kan niet anders of dit moet ons op schade voor ons zieleleven te staan komen.

Wie sterft, weet dat hij zijn God en zijn Heiland niet eenzaam, maar omstuwd van een wereld van heiligen zal vinden. Niet alleen een Vader, maar ook een Vaderhuis, en in dat Vaderhuis de vele woningen, en in die woningen, met Gods engelen, de gezaligden die ons zijn voorgegaan.

En al spreken we nu van die wereld der heerlijkheid als van de wereld daarboven, om dat we ons dat rijk der heerlijkheid niet anders denken kunnen, dan hoog boven deze schuldige aarde verheven, we weten toch even goed, dat die onderseheiding geen afscheiding is, en dat we reeds hier op aarde met die wereld in gemeenschap kunnen treden. Als de psalmist God loven wil, roept hij ook de engelen op om den lof van zijn God te verheffen. Er is een legermacht des Heeren, die zich legert om hem die God vreest. Niet alleen satan, het hoofd der gevallen engelen, ook de goede engelen zijn met onze ziel in gemeenschap. En in oogenblikken van zalige zielsverheffing heeft ook uw ziel het wel ervaren, dat het u was, alsof ge de goede geesten uws Gods nabij u gevoeldet en alsof zij u teederder en zaliger de nabijheid uws Gods deden ervaren.

Van menschen ondergaat ge dezelfde inwerking ten goede en ten kwade.

Soms kan één verkeerd persoon in uw gezelschap heel uw ziel van uw God aftrekken, u in alle zielsuiting van uw God vervreemden, en u terugwerpen in uw aardsche, zondige bekrompenheid.

Maar ook omgekeerd, het zijn in uw raid den van een vroom kind Gods kan de vrucht hebben, dat het onheilige uit de gesprekken . terugwijkt, dat uw ziel zich ontsluit, en dat zijn aanwezigheid in uw kring u nader nabij uw God brengt.

En zoo nu ook is het hier.

Wie zich gewent, om in de heilige wereld van Gods engelen in te leven, en reeds hierop aarde den kring der gezaligden in den kring van zijn zielsbesef opnam, zal daardoor niet alleen het booze bannen, maar zelf in heiliger stemming geraken, zich in zijn lof zang en gebed gesteund gevoelen, en zijn ziel minder geweld hebben aan te doen, om zich uit zijn aardsche leven tot de nabijheid van zijn God op te heffen.

We zijn niet voor de eenzelvigheid geschapen. In een oogenblik waarin ge, van allen verlaten, uw strijd alleen te strijden hebt, voelt ge dat u iets onnatuurlijks overkomt.

Niet alleen, maar „met al de heiligen" zullen we tot de kennisse onzes Gods doordringen.

En zal het nu in de eeuwigheid de rijke verhooging van uw leven zijn, dat ge met al de engelen en met alle gezaligden eeuwiglijk uw God zult verheerlijken, waarom dan verzaakt en verwaarloosd die heerlijke kracht, die hier op aarde reeds in uw gebed ontluiken kan, zoo ge reeds hier vooruit inleeft in de zalige gemeenschap, die daarboven u wacht.

We zijn, met al Gods heiligen, één lichaam in Christus als ons hoofd, maar op aarde sma ken we van die gemeenschap met heel het lichaam des Heeren zoo weinig.

Steeds daarentegen staat de gemeenschap met de gezaligden en met Gods engelen voor u open.

u open. Wel hei» dan, die hierin niet alleen voor zijn ziel geniet, maar er ook de nabijheid van zijn God door weet te bezielen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 februari 1906

De Heraut | 4 Pagina's

„Gelijk in den hemel.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 februari 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken