Bekijk het origineel

Vrijmaking der Kerk.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vrijmaking der Kerk.

10 minuten leestijd

I.

Amsterdam, 23 Febr. 1906.

Amo Nesciri de schrijver der beide bro chures over de Vrijmaking der Kerk, acht onze critiek op zijn voorstel niet bevorderlijk aan het door ook ons gewenschte doel om tot hereeniging der Gereformeerden te komen.

Hij zond ons dit schrijven:

Aan de Redactie van de Heraut. t

Geachte Redactie!

In het laatste nummer van uw geëerd blad zag ik onder het hoofd „Van de eenheid der Kerk" een bespreking mijner tweede brochure over de Vrijmaking der Kerk. Met dank voor uw waardeerend woord over mijn bedoeling, moet ik er echter mijn leedwezen over uitspreken, dat u zoozeer in uw genoemd stuk de bezwaren tegen mijn advies op den voorgrond schuift; dat u m i. al te spoedig geneigd is het als onuitvoerbaar ter zijde te leggen. Terwijl u aan den anderen kant verzuimt naast of tegenover mijn advies uwerzijds een beteren weg aan te wijzen. Trouwens, bij uw veelvuldige en zeer gewaardeerde uitspraken over de noodzakelijkheid van vereeniging der Gereformeerde belijders in ons land miste ik immer te zeer het zoeken naar een middel, behalve dat van 1834 of dat van 1886, waardoor deze zoo ge hoopte vereeniging zou kunnen plaats hebben. En als DU zulk een weg gewezen wordt, dan dient bijna geheel uw bespreking om af te breken; van opbouw is weinig sprake. Niet waar, zoo wordt alle ontluikende actie de kop ingedrukt. Zoo vinden velen, toch reeds moeielijk te winnen voor een zaak zoo vol bezwaren en gevaren, in uw woord (juist in het uwe) een gemakkelijk excuus. Temeer deed mij uw teveel afbrekende critiek leed daar, gelijk u schrijft, „dit woord (mijn advies) ook in den kring der Hervormde broeders niet zonder weerklank blijft." Zoo maakt u voor hen den weg waarlijk niet gemakkelijk en aanlokkelijk. En waren uw bezwaren nog van principieelen aard, ik zou het kunnen billijken, maar het zijn alleen practische bezwaren. Mij dunkt, daarvoor moet men niet zoo spoedig uit den weg gaan. Althans niet zonder eerst alles beproefd te hebben. Waar een wil is, is een weg.

En zijn uw practische bezwaren wel zoo gegrond als u meent? Allereerst uw bezwaar dat het onmogelijk is de Kon. besluiten van i8i6 en 1852 in te trekken. Zonder nu op de juridische kwestie zelve in te gaan, wijs ik er u op dat Groen van Prinsterer, „de uitnemende kenner van ons Staatsrecht" ook na 1853 herhaaldelijk den eisch van intrekking aan de Regeering stelde (zie de brochure Wat nul p. 10). Zoo V. Lijnden v. Sandenburg, v. Was senaar v. Catvvijck, en ook Dr. A. Kuyper in de Tweede Kamer in 1874. En ook Mr. D. P. D. Fabius, die, mogelijk terecht, wijst op het alles beheerschend Kon. besluit van 1843, ^ voorziet hij dat verzet tegen zulk intrekken zal komen, acht intrekking der genoemde K. B. allerminst ongeoorloofd of onmogelijk. (Het Reglement van '52, p. 397J. En wil men ook een jurist van de andere zijde hooren, men hoore dan Mr. Heineken, die eveneens op intrekken dezer besluiten aandrong (zie Fabius a. w. p. 397). Ziedaar namen, die ook in den kring der Redactie van de Heraut en van haar lezers goeden klank hebben. Waarom plaatst u u dan reeds a priori aan de zijde der tegenstanders? Nimmer toch is het de leer der Calvinisten geweest: malum bene positum non movere. Gepleegd onrecht moet hersteld. Laat ons doortasten.

En wat uw tweede bezwaar betreft, n.l. „de chaotische wanorde" die uit den nieuwen toe stand zou kunnen iroortkomen, zoo mag ik er u wel aan herinneren, dat ik in mijn brochure Wat Nu? , meen ik, eenigszins aangeduid heb, hoe deze wanorde van regeeringswege zou kunnen worden voorkomen. Bij elke wet die een nieuwen staat van zaken schept, worden tevens bepalingen gemaakt om wanorde te voorkomen. Ook kunnen de betrokken lichamen daarin door tijdige maatregelen voorzien. Zulk een regeling komt toch maar niet op eens uit de lucht vallen. Zou hetzelfde bezwaar niet met nog meer recht door de Hiërarchie tegen de Reformatie in de i6e eeuw ingebracht kunnen geworden zijn, en is het ook maar eenigszins geldig gebleken ? Waarom brengt u het dan in ? Laat ons doortasten, en ook — met voorzichtigheid en wijsheid. Maar laat het een aan het ander niet te kort doen.

Met hoogachting en dankzegging, AMO NESCIRI.

13 Februari 1906.

Ofschoon we eenigszins huiverig zijn om op deze quaestie in te gaan, daar elke raad, hoe goed ook bedoeld, allicht op de broeders in de Hervormde Kerk een omgekeerde uitwerking zou hebben, zullen we toch, nu Amo Nesciri zoo beslist onze meening vraagt, ons oordeel niet onthouden.

Voorop stellen we hierbij, dat elke actie in de Hervormde Kerk, die tot herstel van de eenheid der Gereformeerde gezindheid leiden kan, onze hartelijke sympathie heeft. En kerkelijk en politiek lijden we bitter onder de bestaande gedeeldheid. Groen heeft getoond ook in dit opzicht een profetischen blik te hebben, toen hij de oplossing van het kerkelijk vraagstuk zelfs nog dringender noemde dan van hét school-vraagstuk. Zoolang het kerkelijk vraagstuk hangen blijft, komt het niet tot een gezonden toestand en speelt het zondig kerkisme telkens de vrucht der behaalde overwinning, den vijand in handen.

En evenzeer wenschen we nogmaals uit te spreken, dat we volstrekt niet eischen, dat de weg van separatie of doleantie door de broeders in de Hervormde Kerk zal bewandeld worden. We zeggen dit niet, omdat we separatie of doleantie niet als een werk Gods beschouwen, maar omdat de historie ons leert, dat God meer dan één weg heeft om tot reformatie van zijn Kerk te komen. Blijkt het dat de broeders in de Hervormde Kerk een anderen weg kunnen vinden, die tot kerkherstel leidt, dan zal dit door ons met hartelijke ingenomenheid worden begroet. Een enghartig standpunt werd nooit door ons ingenomen.

Maar deze hartelijke wensch om tot eenheid te komen, ontslaat ons niet van den plicht, om elke nieuwe opkomende actie te keuren aan den eisch der beginselen en te vragen of ze practisch tot eenig goed resultaat leiden kan. Integendeel, juisJ die wensch naar eenheid noopt ons tot waarschuwing, wanneer we zien dat zulk een actie doodloopen moet. Het zou gemis zijn aan broederlijke liefde, wanneer we zwegen en onze broederen al hun kracht lieten verspillen in een aanval, die o, i. met een nederlaag eindigen moet.

Nu heeft deze actie dusverre zich bewogen op kerkelijk gebied. Het doel was om langs zoogenaamd wettigen weg, d, i, door middel van de Synode, tot reorganisatie der Kerk te komen, Onze bezwaren egen dit plan de campagne kent men. Vooreerst schijnt elke actie, die alleen op herstel van den presbyterialen kerkvorm aandringt, zonder tegelijk op herstel van den confessioneelen band aan te dringen, ons principieel onjuist. De forme van kerkregeering is zeker niet onverschillig, maar het hart der Kerk klopt in haar belijdenis. Of de Hervormde Kerk al terugkeert tot een zuiveren presbyterialen kerkvorm baat niets, wanneer de Belijdenis niet in eere wordt hersteld. En al weten we uitnemend goed, dat herstel van den confessioneelen band ook bij onze Gereformeerde broeders einddoel is, een actie, die dit einddoel niet op den voorgrond plaatst, draagt een vitium originis, dat later zich wreken moet. Waarbij in de tweede plaats komt, dat we door de ervaring geleerd, van een herstel door middel der Synode niets verwachten. Een hiërarchisch lichaam gelijk deze Synode is, kan geen reorganisatie der Kerk in gereformeerden zin ter hand te nemen. De jongste handelingen der Synode hebben genoegzaam getoond, hoe weinig van haar herstel der Kerk te wachten is.

Amo Nesciri heeft nu, en dat is zijn verdienste, de actie trachten over te brengen van kerkelijk op politiek terrein. Hij keerde daarmede terug tot de positie, omstreeks het midden der vorige eeuw door Groen van Prinsterer en Dr. A. Kuyper ingenomen. Waar de Synode aan de Gereformeerde gezindheid geen recht kan of wil doen, laat daar de Overheid tusschenbeide treden. De Synode heeft indirect haar macht en gezag aan de Orerheid te danken. Het was de Koning, die in 1816 de Synodale organisatie invoerde bij Koninklijk besluit. Het was wederom de Koning, die in 1832 de Kerk zoogenaamd vrij maakte, maar altoos in dien vorm, dat de nu bestaande Synodale organisatie als de wettige erkend werd. Heel de rechtsgrond en de basis waarop de Synodale organisatie rust, is dus het Koninklijk besluit van 1816 en 1852. Indien als vrucht van gemeenschappelijke actie weer een Christelijke regeering aan het bewind komt, laat deze dan aan de Koningin voorstellen deze Koninklijke besluiten in te trekken en de Synodale organisatie verliest haar rechtsbasis en stort vanzelf ineen.

Deze redeneering schijnt glashelder. Het is het ei van Columbus. En men verwondert zich alleen, dat geen der Christelijke partijen dusver dit artikel op haar politiek program geplaatst heeft. Amo Nesciri heeft de verdienste dit oude denkbeeld van Groen weer in pakkenden vorm voor de aandacht van het publiek te hebben gebracht, en aanvankelijk schijnt dit denkbeeld ook bij de Gereformeerden in de Hervormde Kerk niet onwelwillend te zijn ontvangen.

Nu zijn ook wij niet ondankbaar, dat deze vraag hiermede op politiek terrein is overgebracht. De vrijmaking der Kerk is niet alleen een kerkelijk, maar ook ee» politiek vraagstuk. En het valt metterdaad niet te ontkennen, dat dit vraagstuk tot dusverre niet genoeg de aandacht trok. De Schoolquaestie en de Sociale quaestie domineerden zoo sterk, dat dit bij uitnemendheid politieke vraagstuk geheel op den achtergrond raakte. Het scheen een noli me tangere, waar men liefst over zv/eeg. Want men wist, dat de verkiezingsleuze: vrijmaking van de Kerk, terstond door heel de liberale pers misbruikt zou worden om alle kerkelijke hartstochten aan te blazen en ons het misdadige opzet toe te dichten, dat wij de Hervormde kerk van haar rechtszekerheid en de Hervormde predikanten van hun traktementen zouden willen berooven. Inde dagen der verkiezing is nu eenmaal alles geoorloofd, en of men al protesteert en verklaart, dat deze beschuldiging leugen is, de ervaring leert dat zulk een protest al bitter weinig indruk maakt.

Maar al is het te begrijpen, dat onze staatsmannen uit dien hoofde huiverig zijn dit vraagstuk aan de orde te stellen, toch zou dit bezwaar wel grootendeels vervallen, wanneer de actie uitging van de predi kanten in de Hervormde Kerk zelf. Of zulk een actie komen zal, weten we niet. Maar wel is het zeker, dat elke poging onzerzijds om die actie in het leven te roepen of aan te wakkeren, niet anders dan schade kan doen aan het beoogde doel. De schijn zal dan toch ontstaan, dat wij, die met de Hervormde Kerk gebroken hebben, het toeleggen op haar ondergang, en reeds die schijn zou voldoende zijn om de .sympathie bij velen in antipathie te doen omslaan.

Amo Nesciri zal thans verstaan, waarom we met opzet ons onthielden van te warme aanbeveling van zijn plan. Van de leiders in de Hervormde Kerk hangt het af, of dit plan slagen zal. En hun beslissing wachten we met belangstelling af. i)

Over de critiek, die we ons op dit plan veroorloofden, spreken we een volgend maal uitvoeriger. Dan zal wel blijken, waarom het plan, zooals het daar ligt, niet uitvoerbaar is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Vrijmaking der Kerk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken