Bekijk het origineel

Vrijmaking der Kerk.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vrijmaking der Kerk.

7 minuten leestijd

II.

Amsterdam, 2 Maart 1906.

Nu de oprichting der vereeniging tot „Vrijmaking det Kerken" aan het voorstel van Arno Nesciri zeker actueel belang heeft geschonken, omdat ook deze vereeniging terugkeer tot den weg door Groen aange wezen, in haar vaandel schrijft, is het te meer noodig dat de vraag onder de oogen worde gezien of het plan van Groen, waar over we een vorig maal spraken, kans op welslagen biedt.

Arno Nesciri meent van wel en beroept zich hiervoor op een achtbare rij van getuigen, wier gezag door ons geenszins zal worden ontkend. Maar Arno Nesciri vergeet, dat ook hier geldt: il faut juger les écritsd'après leur date. Groen zelf heeft juist daarin zijn uitnemend veldheerstalent getoond, dat hij nooit krampachtig zich vastklemde aan een eenmaal ingenomen stelling, maar telkens een nieuwe aanvalslijn koos, wanneer de vorige onbruikbaar was gebleken. En men zou waarlijk niet in den geest van Groen handelen, door met een beroep op zijn woord uit 1869 een plan de campage aan te be^ velen, dat thans onbruikbaar is geworden^ Van vernageld geschut was Groen geenszins gediend.

Over de vraag 01 het plan van Groen, gesteld dat het in de periode van 1869—1874 tot uitvoering was gebracht, de dynamietbom zou gebleken zijn, die de synodale organisatie had doen uiteenspatten, zal het oordeel wel verschillend wezen. Intrekking van de genoemde Koninklijke Besluiten zonder meer, zou aan de inwendige organi satie der Hervormde Kerk niets veranderd hebben. De Haagsche Synode afzetten en de Kerken bijeenroepen tot een constitu eercnde vergadering zou een coup d' etat zijn geweest, waartoe de Regeering geen bevoegdheid had, en de rechterlijke macht, wanneer ze over zulk een besluit uitspraak had te doen, zou zeker de Regeering niet in het gelijk hebben gesteld. Niet één artikel in de Wet geeft de Regeering tot zulk een daad de bevoegdheid.

Het plan de campagne van Groen berustte dan ook op geheel andere overwegingen. Toen de Regeering in 1843 begon met de zoogenaamde vrijmaking der kerk, dien arbeid in 1852 onder zekere reserves voortzette en ook deze reserves in 1870 terugnam, kwam de Hervormde kerk in een veranderde rechtspositie te staan. Indien de Regeering destijds had doorgetast en het Koninklijke Besluit van i8i6 radicaal had ingetrokken, dan zou daarmede, naar veler oordeel, de rechtsbasis der synodale organisatie vervallen zijn, en de Haagsche Synode onmachtig zijn geweest, om haar macht in de Hervormde Kerk te handhaven. Die macht der Synode toch heeft allerminst een geestelijk karakter; haar tucht en haar afzettingsbullen zijn eer een eere dan een schande. Wat de Synode alleen staande houdt, is dat de rechtbank haar vonnissen ook op juridisch gebied erkent. Een predikant of kerkeraad, die door de Synode wordt afgezet, zou aan dit vonnis zich al heel weinig storen, wanneer de rechtbank verklaarde, dat hettractement en de kerkegoederen toch aan dien predikant en dien kerkeraad bleven toegewezen, En de Haagsche Synode zou, zoodra 1% ist, dat haar rechtspositie door de rechtank niet meer erkend werd, wel geoodzaakt zijn te abdiceeren. Haar rijk had an uit.

Dat de zaak 7.00 loopen zou, was destijds iet onwaarschijnlijk, want — en dit mag e iet vergeten — de Overheid had destijds alle erkegoederen nog onder haar beheer en beaalde de tractementen uit. Gesteld dus, dat e Overheid weigerde voortaan de synodale rganisatie te erkennen, dan stond het aan haar te bepalen, aan wie de kerkegoederen en tractementen zouden toegewezen worden. Ongetwijfeld zou daarvan een proces tusschen de Hervormde kerk en den Nederlandschen staat het gevolg zijn geweest, maar dit proces had ten gunste van den staat kunnen afloopen.

Ook toen de Staat in 1869 van het beheer der kerkegoederen afstand deed, stond de kans nog schoon. Want de Regeering schonk deze goederen niet aan de Synode of de synodale organisatie, maar aan de plaatselijke kerken, en door het vri; beheer kreeg de plaatselijke kerk een zekere mate van zelfstandigheid. Indien een plaatselijke kerk met de Synodale organisatie in conflict kwam en het verband verbrak, was er hoop, dat de rechterlijke macht, gesteld dat de Koninklijke besluiten van 1816 en vervolgens waren ingetrokken, het recht der plaatselijke kerk op haar goed erkennen zou.

Voegt men deze gegevens bij elkander, dan gevoelt men, waarom in de periode van 1869—1874 de leiders der beweging van de intrekking dezer Koninklijke Besluiten de vrijmaking der Kerken konden verwachten. Of die verwachting juist was of niet, laten we in het midden. Maar in elk geval zal nu gevoeld worden, waarom alles afhing van de beslissing der rechterlijke macht, en waar deze nog niet ge--^proken had, de kans op overwinning nog bestond.

Thans staan we voor geheel ander« omstandigheden.

Vooreerst heeft de Overheid door in 1870 de laatste reserves te laten vervallen, de Hervormde Kerk geheel aan zichzelf overgelaten en staat deze Kerk tegenover den Staat officieel in dezelfde positie als de Roomsche kerk, de Gereformeerde Kerken enz. De nieuwe toestand, die reeds in 1852 begon, heeft meer dan een halve eeuw geduurd. Of de Overheid nu in 1906 nog doen kan, waartoe ze volgens Groen in 1852 verplicht was geweest, is een vraag, die opjuridisch gebied zeker niet zoo gemakkelijk te beantwoorden valt; Prof. Fabius, op wien Arno Nesciri zich beroept, heeft op pag. 395 en 399 van zijn Reglement van '52 deze vraag zelfs zeer beslist ontkennend beantwoord

„Niet elk Koninklijk besluit, allerminst wanneer het invloed op de rechten of belangen van derden heeft uitgeoefend, kan na korter of langer tijd eenvoudig worden ingetrokken. En daarom ware temeer be zwaar tegen een gewoon terugkomen op de verschillende besluiten, die de Kerk betreffen, naarmate die besluiten voor den gang van zaken van grooter gewicht zijn geweest Niet, dat daarom een zich kalm neerleggen bij den toestand, gelijk hij nu eenmaal geworden is, het eenige zou zijn, dat rest. Terugkeer tot het recht kan ook op andere en betere wijze wellicht plaats hebben. In trekking van die besluiten is niet de eenige weg."

Hoe Arno Nesciri zich op het getuigenis van Prof. Fabius beroepen kan, is dus een raadsel. Hoe voorzichtig Prof. Fabius zich ook uitdrukt, zijn geheele betoog dient juist om aan te toonen, dat de weg door Groen in 1852 aangewezen, niet kan bewandeld worden. En geen enkel jurist zal wel het tegendeel staande houden.

Bovendien, en hiermede komen wij aan ons tweede argument, de intrekking dezer Koninklijke Besluiten zou in de bestaande toestanden geen de minste verandering brengen, Amo Nesciri heeft toch geheel vergeten, dat tusschen 1852 en nu de processen liggen tijdens de Doleantie gevoerd, en deze processen genoegzaam getoond hebben, dat deze weg afgesloten is. Tweeërlei toch is bij deze processen gebleken. Voor eerst, dat de rechtbanken de wettigheid der Synodale organisatie niet alleen of uitsluitend hebben erkend op grond der Koninklijke Besluiten van 1816 enz, maar ook op grond van de rebus et factis theorie, dat de Kerken door stilzwijgend de organisatie te aanvaarden, haar rechtskracht hebben geschonken. Volkomen terecht merkt dan ook Prof. Fabius op, dat de intrekking der Koninklijke Besluiten, gesteld dat ze thans mogelijk was, niets baten zou, omdat de rechtsgeleerden „met een rebus et factis elk gat, dat daarmee mocht ontstaan, zouden stoppen". Wie den geest onzer juristen heeft leeren kennen bij de processen tijdens de Doleantie, weet dat hiermede geen woord te veel gezegd is. En ten tweede hebben de rechtbanken toen uitgemaakt, dat de plaatselijke kerken slechts dan en in zooverre eigenaressen waren der kerkegoederen als ze deel vormden van de Synodale organisatie. Al ware het dus juist dat het arrest van den Hoogen Raad van 1846 de zaak nog niet beslist had, de arresten die daarna gevolgd zijn, laten over de opvatting van den Hoogen Raad geen den minsten twijfel over.

Gesteld dus een oogenblik, dat de Regeering de Koninklijke Besluiten van i8i6enz. introk, dan zou de Haagsche Synode rustig op haar plaats blijven en krachtens de Wet van 1853 de Hervormde Kerk als geheel erkend blijven. En een kerk, die de gehoorzaamheid aan de Synode opzei, zou door den Hoogen Raad even goed als voor dien tijd veroordeeld worden om haar goed te verliezen op grond van de rebus et factis theorie. Zoolang deze rebus et factis theorie bij onze juristen en rechtbanken gelden blijft, is zij de onverzettelijke slagboom, die dezen weg tot vrijmaking der Kerken onherroepelijk afsluit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Vrijmaking der Kerk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken