Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De weg van Groen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De weg van Groen.

10 minuten leestijd

I.

De vraag of terugkeer naar den „weg van Groen" ons hoop op winste biedt voor de actie in de Hervormde Kerk, moet zonder eenigen twijfel toestemmend beant« woord worden.

In Groen eeren wij allen den uitnemenden leider, dien God in de vorige eeuw aan ons volk schonk en die door zijn kloek verzet tegen den geest der Revolutie, zijn naam met onuitwischbare letteren in de harten van ons volk schreef. In de leuze: terug naar Groen ligt dus melter-daad een van die pakkende woorden, die heilige geestdrift kunnen verwekken, en uitnemend geschikt zijn om als banier voorop in den strijd te worden gedragen. En wat meer zegt, in die leuze ligt een punt van ralliement niet alleen voor de uiteengeslagen strijders in de Hervormde Kerk, maar ook voor de Gereformeerden binnen en buiten de Synodale organisatie. Dè klove, die tusschen beide groepen bestaat, kan alleen door deze leuze worden overbrugd, want in Groen vinden we onzen gemeenschappelijken vader terug.

Natuurlijk mag, wie terug wil naar Groen, nooit vergeten dat ook Groen kind was van zijn tijd. Het tijdelijke en toevallige moet ook bij Groen van het wezenlijke en blijvende worden onderscheiden. Op Schoolgebied wisselde Groen driemaal van standpunt, niet omdat zijn beginsel veranderd was, maar omdat de veranderde tijdsomstandigheden er hem toe dwongen. Én zoo zou Groen wie zich krampachtig vastklemde aan den eisch tot intrekking der Koninklijke Besluiten van 1816 en 1852, zonder behoorlijk onderzoek of deze eisch thans nog voot verwezenlijking vatbaar is, allicht een weinig leerzamen leerling noemen. Op de hoofdgedachte van mijn strijd, dat de Overheid verplicht is, zooveel dit in haar vermogen staat, het onrecht in 1816 begaan weer goed te maken, — zoo zou hij zeggen — daarop komt het aan; de middelen en wegen om dat doel te bereiken, moeten door de omstandigheden worden beslist.

En in de tweede plaats mag nooit vergeten, dat men Groen niet half, maar ge/ieel moet nemen. Anders loopt men gevaar den naam van Groen te misbruiken voor een streven, dat door niemand scherper dan door Groen zou zijn afgekeurd.

Wat we bedoelen is dit.

De leuze: terugkeer naar Groen, zou kunnen opgevat worden in dien zin, alsof de vrijmaking der kerken uitsluitend en alleen langs politiektn weg moest verkregen worden.

De redeneering zou dan deze zijn: Geheel buiten onze schuld en tegen onzen zin heeft de Overheid in 1816 aan de Gereformeerde Kerken de Synodale organisatie opgedrongen, en de zoogenaamde vrijmaking der kerk in 1852 is niet anders geweest, om met Groen te spreken, dan een ons met handen en voeten gebonden overleveren in de macht der Synodale organisatie zonder recht zelfs van verweer of verzet Zij, die in deze organisatie gevangen zitten, kunnen dus niets doen om haar overmacht te breken. Voor al de zonden, waaraan deze organisatie zich schuldig maakt, zijn zij niet verantwoordelijk. Zich zelf bevrijden, kunnen en mogen zij niet. De Overheid, die van al deze ellende de oorzaak is, heeft ook de roeping om hen weer te verlossen. De vrijmaking der kerken kan alleen langs politieken weg worden verkregen.

De onhoudbaarheid van deze redeneering behoeft wel niet te worden aangetoond. We gelooven dan ook geen oogenblik, dat mannen als Prof. Visscher en Ds. Gewin het in dien zin bedoelen. Maar het is toch goed, dit kloek en duidelijk uit te spreken, om alle mogelijk misverstand bij den wortel af te snijden. Anders wordt het vooropschuiven van de politieke zijde van het vraagstuk zoo licht een narcotisch middel om de conscientie in slaap te sussen.

Groen zou ten eenenmale misverstaan worden, wanneer men hem de bedoeling toeschreef, dat de Gereformeerden volstaan konden met bij de Overheid op vrijmaking der Kerken aan te dringen, terwijl ze zelf, in afwachting van deze Overheidshulpe, passief bleven tegenover de Synodale organisatie. Bij Groen loopt heel zijn leven lacg een dubbele lijn, Eenerzijds toornt hij tegen het onrecht den Kerken aangedaan, en blijft hij rusteloos van de Overheid rechtsherstel eischen. Dat was de politieke kant van het vraagstuk. Maar daarnaast heeft hij in de Hervormde Kerk even rusteloos geageerd tegen het Synodaal wanbestuur, het veldwinnend ongeloof, de openbare verloochening van den Christus Gods. Dat was zijn kerkelijke strijd.

Eerst wie beide lijnen saam neemt, heeft Groen geheel.

Ea de leuze terugkeer tot den weg van Groen heeft dan alleen onze volle en hartelijke sympathie, wanneer de afgebroken actie op deze beide lijnen wordt hervat.

Eenige studie van wat Groen eigenlijk wilde', zal hierbij wel niet overbodig zijn. Groen klaagde in zijn leven voortdurend, dat èn zijn vrienden èn zijn vijanden hem zoo vaak verkeerd verstonden. Telkens was hij genoodzaakt zichzelf te herhalen, om misverstand van zijn streven te voorkomen. De groep in de Hervormde Kerk, die zich naar Groen noemt, zal ons dan ook niet ondankbaar zijn, wanneer we uit Groen's leven en werken aantoonen, hoe hij over de vrijmaking der kerken dacht. Dan zal het ook duidelijk worden, waarom wij deze nieuwe actie met zooveel vertrouwen tegemoet treden, wanneer ze waarlijk in Groen's voetspoor wordt geleid.

Voorop ga daarbij Groen's standpunt in den kerkeiijken strijd.

Groen heeft, gelijk bekend is, de Afscheiding van 1834 veroordeeld, „Waarom scheiden, zoo vraagt hij, waar elke inbreuk op het wezen der Kerk facto niet jure geschied is.'' Dat ware den kranke verlaten, terwijl genezing nog mogelijk is, uit het strijdperk treden, eer de nederlaag is beslist, of vrijwillig uitgaan van eigen huis en erf, omdat anderen er zich in hebben gedrongen; uitgaan eer men er uitgejaagd wordt". (De Maatregelen tegen de Afgescheidenen getoetst, Verspr. Geschriften II p, 24). In zijn meesterwerk Het regt der Hervormde Gezindheid, heeft hij in den breede zijne bezwaren tegen de Afscheiding en de Afgescheiden Kerken ontwikkeld. De Afscheiding was ontijdig, want de krankheid der Hervormde Kerk was nog niet ongeneeslijk gebleken; ze onttrok aan de Hervormde

kerk een deel der beste krachten, die voor den strijd in de Hervormde Kerk onmisbaar ffaren; en vooral het absolute standpunt, (jat de Afgescheidenen innamen, alsof de Hervormde Kerk een valsche Kerk was geworden, een afgodisch en verworpen Babyion, keurde hij onomwonden af. Groen meende, dat kerkherstel in de Kerk mogelijk ^as en achtte het daarom roeping en plicht QOi alsnog in de Hervormde Kerk te blijven.

Maar al keurde Groen de Scheiding af; Groen heeft daarom nooit de Afgescheidenen als scheurmakers of sectarissen veroordeeld en steeds als einddoel voor oogen gehouden, dat alle Gereformeerden in één Kerk weer saam moeten komen. „Is het niet bekend en overbekend zoo vraagt hij, dat zij (de Afgescheidenen) Gereformeerden zijn, Gereformeerden bij uitstek en dat hierin juist de grond der Afscheiding ligt.' Afvalligen welligt van het Kerkgenootschap, maar voorzeker getrouwe leden van de gezindheid, van de kerkV' (t. a. p. pag. 41). Wanneer de Afgescheidenen door de Overheid verdrukt en vervolgd worden, schrijft hij zijn meesterlijk pleidooi om hen te verdedigen. Hij is de eerste die in het Parlement voor de Afgescheidenen niet alleen volle vrijheid van godsdienstoefening eischt, maar ook dat de Regeering hen als leden der Gereformeerde Gezindheid zal erkennen en aan de Afgescheiden predikanten evengoed als aan de predikanten der Hervormde Kerk, de verschuldigde tractementen zal uitbetalen, niet als gunst maar als een hun toekomend reckt. Den naam sectarissen of scheurmakers op de Afgescheidenen toegepast, keurt Groen af, en in de bekende samenkomst te Amsterdam gehouden, waar over de oprichting van een gemeenschappelijk seminarie gehandeld wordt, stelt hij op den voorgrond, dat „de Afgescheidenen, die de historische eigenaardigheid der Kerk ten grondslag van Kerkgemeenschap hebben gesteld, geen sectarissen zijn, maar leden der Hervormde Gezindheid' {Adviezen 1837 Deel lip. 261 noot). Terecht kon Groen dan ook aan Ds. van Velzen verklaren: „Ik heb nooit eenige gelegenheid laten voorbijgaan, om te verklaren, dat ik hetregt der Afgescheidenen erken; dat ik verontwaardigd ben over het onregt door hen verduurd; dat velen onder hen, naar mij voorkomt, standvastigheid en veerkracht hebben betoond ; dat zij, evenzeer als wij, leden zijn der bestaande Nederlandsche Hervormde Kerk; dat de herstelbaarheid van het Hervormde Genootschap twijfelachtig en daarentegen eenheid der kerkgemeenschap, waar vasthouding aan de leer met vruchtbaarhtid van geloofsleven gepaard gaat, ontwijfelbaar is". (Verspr. Geschr. II. p. 135).

We zullen elke vergelijking met de houding door de fractie Hoedemaker en de „Gereformeerde Kerk" tegenover de Scheiding en de Doleantie aangenomen, hier achterwege laten. We zullen er ons niet over beklagen, dat in de dagen der Doleantie niet één dezer broeders tegen het onrecht is opgekomen door Kerk en Staat ons aangedaan ; dat daarna in geschrift en gesprek altoos weer het schandmerk ons opgedrukt is, dat we independenten, scheurmakers enz. waren, en dat de felste pijlen vaak veel meer tegen de Gereformeerden buiten het Genootschap dan tegen de modernen in het Genootschap waren gericht.

Wat Groen boven die bekrompenheid verhief, wat hem dien breeden blik schonk, was, dat hij nooit de Hervormde Genootschapskerk met de Hervormde Kerk of de Hervormde Gezindheid vereenzelvigd heeft. „Laat ons allen, gescheidenen of leden van het Kerkgenootschap, bedenken dat wij leden zijn van de Nederlandsche Hervormde Kerk, van de Gereformeerde gezindheid", (Het regt der Herv. Gezindheid p. 136). Het kenmerk der Gereformeerde Kerk was voor hem niet de Synodale organisatie, maar de Gereformeerde belijdenis. De Afgescheiden Kerken, die op den grondslag dezer Belijdenis stonden, waren daarom deelen dex Gereformeerde gezindheid. Afvalligen waren ze, wellicht van het Genootschap, maar voorzeker getrouwe leden van de gezindheid, van de kerk.

Vandaar dat het hart van Groen altijd weer naar deze Gereformeerde broeders trok; dat hij op alle punten saamwerking met hen zocht; dat hij dankbaar was voor elk woord van sympathie uit hun kring; dat hij dorstte ilaar eenheid. Hoe de eenheid komen moest, kon hij niet voorspellen, De ontwikkeling der omstandigheden zou daarop het antwoord geven. „Maar, zoo zegt hij, zie hier het tweeërlei alternatief: Of eene wezenlijke hervorming in het Kerkgenootschap zal de leus der terugkomst van onze uitgewekene geloofsgenooten zijn; of wij zullen, door de volkomenheid van het onregt, tot eene scheiding worden gedrongen", (t. a. p. pag. 137).

De vraag der afscheiding was in Groen's oogen daarom een vraag „van ondergeschikt belang." Wat voor hem alles beheerschte, was de vraag naar herstel der Gereformeerde gezindheid. Handhaving der belijdenis en vereeniging van alle Gereformeerden, daarom was het hem te doen. Kon dit door hervorming van het Hervormde genootschap, dan was hem dit het liefst. Maar bleek dit onmogelijk, dan moest met het Genootschap gebroken, om de Gereformeerde gezindheid te herstellen.

Over de vraag of Groen's oordeel over de Afscheiding en de Afgescheiden Kerken geheel juist is geweest, kan men zeker van gevoelen verschillen. Maar dit zal men ons althans toestemmen, dat Groen mijlen ver verwijderd was van alle enghartig kerkisme, en dat het door hem ingenomen standpunt tegenover de „uitgewekene geloofsgenooten" getuigt van een breedheid van blik, van een ruimheid van hart, van een trekken van den broederband, die wel diep beschamend zij n voor vele Hervormden van onzen tijd.

Terugkeer tot het standpunt van Groen dunkt ons daarom voor de Gereformeerde broeders in en buiten de Hervormde Kerk niet anders dan winst te zijn. Om eenheid van al het Gereformeerde volk moet het te doen zijn. Niet om de eenheid der volkskerk, de valsche eenheid, waartegen Groen altijd getoornd heeft, maar om de eenheid der Gereformeerde gezindheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1906

De Heraut | 4 Pagina's

De weg van Groen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken