Bekijk het origineel

Dupliek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dupliek.

15 minuten leestijd

Amsterdam, 23 Maart 1906.

Amo Nesciri zendt ons de volgende dupliek, die wel wat lang is uitgevallen, maar die we billijkheidshalve nog aan onze lezers zullen voorleggen:

Aan de Redactie van De Heraut. Geachte Redactie !

Iemand met wien we van meening verschillen recht te begrijpen en zijn gevoelen dat we ïoe ken te weerleggen, juist wcêr te geven, is iets waarop, naar ik weet, ook door U prijs gesteld wordt. Hierom dan ook is het dat ik mij ge drongen zie, op uw uitvoerige bespreking van mijn advies over de vrijmaking der kerk, waarvoor ik U danK zeg, met eenigen ernst terug te komen. Ik hoop niet teveel plaats in uw blad met enkele opmerkingen in te nemen, vertrouwende dat gij uw lezers de gelegenheid van het „hoor en wederhoor" niet zult onthouden.

Vooraf ga een opmerking over mijn beroep op Prof. Fabius, dat door u een raadsel ge noemd wordt. Doch ligt hier het raadselachtige in mijn beroep, dan wei misschien in uw radeneering ? U hadt in uw artikel „van de eenheid der kerk" de intrekking van het Kon. Besl. van 1816 thans een „onmogelijkheid" genoemd (reg. 23 voor 't einde). Hiertegen voerde ik aan niet (gelijk u mij wilt laten zeggen) dat Prof. F. dien weg aanbeval, maar wel, dat Prof. F. dien weg niet als „onmogelijk" keurde. Nu is het wel jammer dat Prof. Fabius, bij de bespreking van anderer opinie, zijn gevoelen zoo „voor zichlig" uitdrukt, toch beroep ik mij op elk man die Nederlandsch leest om te oordeelenofProf. F. hier (a. w. blz. 399, en de noot) dej, onmo gelijkheid" der intrekking van het K. B. van 1816 uitspreekt. Hij acht dien weg „niet den eenigen" en niet den besten weg, in welke woorden immers reeds uitgesproken ligt dat de intrek king geen onmogelijkheid, maar ook een weg is.

Wat de zaak aangaat zegt U in uw laatste artikel, dat in art. 14 van de wet van '53 de intrekking van de K. B. van i8i6's2 mede begrepen is; dat is dus het omgekeerde van een „onmogelijkheid”.

Overigens betoogt U (wat een andere zaak is) aan de hand van Prof. Fabius' wetk, dat de intrekking der genoemde besluiten weinig baten zou. Prof. Fabius is hier voor U de autoriteit. Nu is het, dunkt mij, altoos ge waagd in een zaak, ook door U erkend als een zeer moeielijke, zich dp het gevoelen van één jurist i) te verlaten, welk een uitnemend man deze ook moge zijn, terwijl andere juristen

I) Een uitspraak in uw laatste artikel geciteerd van een Minister, die als Kamerlid juist het omgekeerde voorstond (gelijk meer met Groen's vrienden gebeurde), getuigt van te weinig stabiliteit in overtuiging, dan dat hierin eenige juridische kracht ZQU gelegen zijn. van eveneens erkende bekwaamhei 1 anders over zulk een zaak oordeelen (sie voor het besproken geval Mr. Heineken De Staat en het Kerkbe stuur p. 220, 223). Hoezeer ik dan ook Prof Fabius' uitnemend studiewerk in zijn historische beschouwingen waardeer, en hoezeer ik zijne belezenheid bewonder, ^oo kan ik mij toch in zijn positief advies niet vinden. Het moge een onder den diuk van 1886 prijzenswaardig gevonden uitweg zijn. we zouden er thans niet meer mede tevreden zijn. Het bestendigt toch het onrecht van 1816, voert langs een zijpad om de hoofdquaestie heen, is te weinig radicaal en bevredigt net rechtsgevoel niet. U verklaart het geheel eens te zijn met Prof Fabius; geldt dit ook voor „den beteren weg" door hem aangeduid (a. w. p. 404), heb de goedheid dat eens pertinent te zeggen, zoo \\, dan weten we wat we aan elkander hebben.

Maar wat vooral mijn hoofdbcwaar tegen uw betoog is, is dat ik nergens beweerd heb, gelijk U mij schijnt toe te dichten en waartegen geheel uw betoog gaat, dat ik kan intrekken van de K. B. van i8i6.'52 alleen heil verwacht, gelijk Groen v. Piinsierer c. s. dit deden. Integendeel oordeelde ik, dat behalve één K. Besluit van intrekking der bebluiten van 1816/52, er nog vier andere wetten noodig waren, eer er van eenige vrijmaking der kerk sprake kon zijn. (zie Wat nul p. r4). Niet dat ik daarom de intrekking der K. B. van 1816 en '52 ook als „niets te beduiden" en als „ijdel vertoon" acht. In 1816 heeft de regeering aan de kerk onrecht gepleegd. Voor alles dient dit erkend, dat is het eerste wat voor herstel van recht en voor de toekomst van een goede rechtsbasis noodig is. Daarom blijven we aandringen op openlijke en ronde terugneming van de Kon. besluiten van i8i6 en 1852.

U verwijt mij verder in uw betoog, dat ik niet reken met de lessen van 1886, dat de weg toen gezocht, nu onherroepelijk afgesloten is, en dat ik dus onnuttelijk een verlaten batterij opnieuw ga betrekken; maar, eilieve, uit hetgeen ik onder punt 2 en 4 in mijn advies voorstelde blijkt, dat ik een geheel anderen weg op wil dan in 1886 bewandeld werd. De vrijmaking der kerk heeft een kerkelijke en een politieke. zijde. Zoo er in 1886 één fout is genaakt die de actie verlamd heeft, dan is het deze: dat toen de politieke zijde verwaarloosd is, een politieke zijde die wel eerst had opgelost dienen te worden. Men is ten slotte een kerkdijken strijd voor de gewone rechtbank gaan uitvechten. Voor een rechtbank, die ik niet alleen als niet bekwaam, maar ook als geheel onbtvoegi keur om in kerkelijke zaken recht te spreken. Kerkelijke zaken moeten naar kerkelijk recht voor eigen rechtbank ook ter laatster in stantie worden beslist. Afgaande op (misleid door) het advies van Prof. De Geer vanjutfaas heeft men toen een Jjans-je dat men bij die rechtbanken meende te hebben, gewaagd en — alles verloren. Daardoor heeft men toen zelfde kroon laten zetten op 't onrecht van 1816, daar immers, gelijk, bleek de rechter rekening houdt met den toestand door de Regeering in het leven geroepen. Zoo 1886 iets geleerd heeft, dan is het ook wel dit dat de kerk bij de gewone rechtbank niet zijn moet. De kerk is souverein in eigen kring, ook tegenover den Staat, zij moet in haar eigen aard en ook in haar eigen recht door den Staat erkend worden. De Staat mag niet, ook niet door zijn recht en zijn rechtbanken, de keik de voet op den nek zetten. Bij Kon. besluit behoort dan ook een speciale commissie, of raad of rechtbank ingestela te worden die, met inachtneming der billijkheid jegens andere partijen, naar het vóór ï8i6 in de kerk vigeerend kerkrecht, recht spreke in de zaken der kerk i). Ik meen hier eenigszins in toepassing te brengen wat Groen bedoelde in zijn strijd voor het publiek recht der gezindheden. Alle wetten, ook zelfs, zoo noodig, de Grondwet, die tegen zulk een herstel van 't onrecht en tegen de autonomie der kerk ingaan, behocren ingetrokken, of gewijzigd te worden. Het gaat toch niet aan met beroep op de Grondwet (geen staatsinmenging in kerkelijke zaken) een eenmaal gepleegd onrecht (in 1816 wel inmenging) te sanctioneeren en te bestendigen. Grondwetsherziening voor dat doel zal dan zoo noodig bovenaan op het program moeten staan. Toch geloof ik nog niet, dat dit noodig is. Een ongrondwettige daad kan toch zonder schennis van de Grondwet nietig ver klaard worden, en het oph ffen der gevolgen dezer ongrondwettige daad is geen nieuwe schennis van de Grondwet, maar behoort onder het weer goed maken van de eerste schennis der wet. Daarom staan we op erkenning van het ongrondwettige van 't Kon. besluit van 1816 en hst terugnemen daarvan. Daar ligt de sleutel van de positie, de rechtsgrond voor de actie Dan is het terrein vrij voor rechtsherstel.

En waar erkend wordt dat onrecht is geschied, daar volgt dat dit voor de gelaedeerde paitij ook weer hersteld worde. Daarom wenschte ik dat de Overheid alle gereformeerden (of uit oorzaak van billijkheid alle protestanten), ook die na 1816 uit de organisntie gedrongen werden, weer als één rechthebbende partij, of plaatselijk als één gemeente, rekende. De conclusie door U hier gewaagd, alsof ik zou wenschen, dat de gereformeerden buiten de organisatie op bevel der Koningin weer in één plaatselijke kerk zouden saamkomen, met modernen, , socialisten, boedhisten, theosophen enz", ligt allerminst in mijn woorden. Hoe U hiertoe komt is mij een raadsel; en kan alleen verklaard uit 't feit dat U bij aanhaling mijn woord „gerekende" veranderde in „gevormde" gemeenten. Ik bedoelde aileen een voor de wet als één geheel gerekende gemeente.

U maant aan tot studie en ernstigonderzoek dezer zaken en waarschuwt voor overhaaste adviezen. Ik zeg hier gaarne amen op. Doch laat ons dan ook beginnen met geen lichtvaardige critiek te geven, die ietwat blijk geeft niet zonder overhaasting het advies gelezen te hebben. Zoo iets dooft de actie. Ik blijf dan ook uw louter afbrekende critiek betreuren, en zie met klimmend verlangen naar iets positiefs uwerzijds uit. Wat mij betreft, zoo ben ik dankbaar dat mijn woord eenige bespreking mocht uitlok ken en eenigermate aanvankelijk gezegend werd. En even weinig als ik mij zelven een „weinig dankbaren" leerling van Groen waan, die klak keloos diens denkbeelden over nam, even zeer vrees ik dat anderen mij van te stoute sprongen zullen beschuldigen; maar hoe dit ook zij, zoo slechts op eenige wijze door de vrijmaking der kerk de éénheid der Geref gezindheid, en daardoor meê de macht van Gods Woord over ons volksleven tot stuiting van ongeloof en revolutie, tot stand mocht komen, zoo zal een der meest verblijden zijn:

I) Zulke commissies of Raden worden immers door de Regeering voor zoovelerlei geheel wat mindere raken ingesteld. En zulk een Raad zou tevens zoo schoon den overgang kunnen vormen voor een permanenten Raad van vertegenwoordigers der kerk, w.iardoor de kerk de Christelijke Overheid voorlichten kon over zaken van het kerkelijke of algemeen godsdienstige of christelijke leven, b. v. Zondagsheiliging, eedsquaestie, echtscheiding enz. Zoo waren Kerk en Staat beiden vrij en was het «gemeen overleg" dat Groen wenschte, verkregen.

12 Maart 1906.

Uw dw. dr. AMO NESCIRI.

Gelijk men ziet, doet Atno Nesciri weinig anders dan de reeds vroeger aangevoerde argumenten nog eens herhalen, zonder eenigen schijn van bewijs zelfs aan te voeren. Dit moge getuigenis afleggen, dat Amo Nesciri hardnekkig vasthoudt aan eenmaal opgevatte denkbeelden, maar het brengt den strijd ad terminos non loqui We zouden opnieuw alles herhalen moeten, wat reeds geschreven is, om dezen brief te weerleggen, en dan waarschijnlijk even weinig succes hebben.

Slechts op een drietal concrete punten zullen we daarom kort van repliek dienen, en dan moge daarmede deze quaestie als afgedaan worden beschouwd.

Vooreerst wat het beroep op Prof. Fabius aangaat. Amo Nesciri had zich behalve op Groen, Dr. A. Kuyper e. a. ook op Prof. Fdbius beroepen, alsof deze het met hem eens was. Noch in zijn brochures noch in zijn schrijven aan de Heraut heeft nij ook maar met één woord gemeïd, dat Prof. Fabius den door Groen aangewezen »7eg uit juridisch oogpunt onmogelijk achtte. Integendeel, telkens werd een beroep op Prof. Fabius gedaan en de indruk gef^even, alsof Amo Nesciri en Prof. Fdbius éen lijn trokken. Geen le^er zaleen an; eren indruk hebben ontvangen. Nu is heel de juridische constructie van Prof. Fabius betoog juist diametraal tegen Groen's voorstel ijekeerd. De Koninklijke Besluiten van 1816 en 1852 waren volgens Prof. Fabius ongrondwettig. Indien de Regeering ze thans officieel intrekt, wordt juist door die daad ïijdelings de vroegere wettigheid dezer besluiten opnieuw erkend. Dat is het eerste bezwaar. En het tweede is, dat de intrekking dezer besluiten, waaneer daaronder verstaan wordt, dat al wat uit deze besluiten gevolgd is, daardoor van rechtskracht wordt beroofd, een daad is die de Regeering niet doen kan of mag. Het is dus niet juist, dat Prof. Fabius de intrekking dezer Kon. Besluiten wel mogelijk acht, maar een anderen weg verkieslijker vindt. Integendeel, op juridische gronden acht hij dat deze weg afgesloten is. Twijfelt Amo Nesciri aan de juistheid onzer interpretatie, dan kunnen we hem meêdeelen, dat we bij Prof. Fabius zelf inlichtingen hebben gevraagd en hij uitdrukkelijk verklaarde, dat dit de bedoeling zijner woorden was. Zoolang de regel geldt, dat ieder de beste uitlegger is ^/an zijn eigen woorden, zal Amo Nesciri ons wel toegeven, dat dit punt hiermede te zijnen nadeele is beslist.

In de tweede plaats wijst Amo Nesciri op een tegenspraak in ons antwoord. De regeering zelf heeft volgens u verklaard, zoo zegt hij, dat de Kon. Besluiten van 1816 en 1852 feitelijk vervallen zijn. Bijgevolg is de olficieele intrekking dezer besluiten wel mogelijk. Amo Nesciri vergeet hier echter, dat wat Groen in 1869 vroeg en wat hij zelf wenscht geheel iets anders is. Noch het Koninklijk Besluit van 1816 noch dat van 1852 geldt op dit oogenblik meer. Dat was de bedoeling van het antwoord der Regeering. En tot op zekere hoogte is dit volkomen juist. De Regeering erkent de Synodale organisatie niet, omdat ze zelve deze organisatie in 1816 in het leven riep en haar reglement in 1852 bekrachtigde, maar omdat de Kerk zelve thans deze organisatie heeft aanvaard en goedgekeurd. Op dat standpunt is de intrekking der Koninklijk Besluiten van 1816 en 1852 een bloote formaliteit. Wat Groen echter wilde en door Amo Nesciri thans voorgestaan wordt, is, dat de Regeering < 5? « gevolgen van de besluiten van 1816 en 1852 zal teniet doen, de Synodale organisatie zal opheffen en een nieuwen rechtstoestand in het leven zal roepen.' Het misverstand schuilt hier dus in de geheel andere beteckenis, die beide malen aan de intrekking dezer Koninklijke Besluiten wordt gehecht. De tegenspraak, waarop Amo Nesciri ons meent betrapt te hebben, is dus slechts schijnbaar.

Het duidelijkst komt dit uit bij het derde punt. Amo Nesciri zelf erkent nu, dat intrekking dezer Koninklijke Besluiten zonder meer ons niets baten zou. Hij zelf weerspreekt in dat opzicht Groen, Mr. Heineken enz. Het beroep op Mr. Heineken's proefschrift, waarin uitge gaan werd van een geheel onjuiste interpretatie van een arrest van den Hoogen Riad; een interpretatie die door de processen van 1866 onhoudbaar is gebleken; versterkt zijn betoog dan ook zeker niet. Amo Nesciri is blijkbaar van al wat na 1874 is geschied weinig op de hoogte, en zijn ietwat zonderlinge voorstelling van de doleantie toont, hoe weinig hij dit tijdvak heeft bestudeerd. Maar al laten we dit alles rusten, Amo Nesciri zegt, precies gelijk wij hem hebben laten zeggen, dat de negatieve daad van de intrekking der Koninklijke Besluiten alleen dan effect zou sorteeren, wanneer de Regeering een nieuwe reeks Koninklijke Besluiten uitvaardigde, waardoor de rechtstoestand op geheel anderen voet geregeld werd. Tot op zekere hoogte zijn wij het met hem eens, dat alleen langs dien weg rechtsherstel is te krijgen. Maar onze bezwaren tegen het plan zooals het daar ligt, heeft Amo Nesciri niet uit den weg geruimd. Die bezwaren waren tweeërlei. Vooreerst, dat de Grondwet aan de Regeering niet de macht geeft om deze besluiten te nemen. Amo Nesciri meent, dat dit bezwaar niet juist is en bovendien gemakkelijk kan verholpen worden, door de Grondwet te veranderen. Wil hij ons eens een concept geven van een artikel voor de Grondwet, waarin die macht geregeld wordt? We zullen er dan gaarne over redeneeren. En niet minder klemde ons tweede bezwaar, dat de Regeering door zulke besluiten een macht in de Kerk zou uitoefenen, die haar volgens ons niet toekomt, zeifs niet om gepleegd onrecht te herstellen. Met name wezen we er op, dat de Regeering niet al degenen, die na 1816 met het Hervormde Kerkgenootschap gebroken hebben, weer bij de plaatselijke Kerk voegen kan, wanneer zij dit zelf niet verkiezen. Amo Nesciri merkt op, dat hij dit niet bedoeld heelt. Hij wil alleen dat de Oi? erheid, bij Koninklijk Besluit, deze allen tot de plaatselijke gemeente rekent Deze opmerking zou juist zijn, wanneer hier alleen sprake was vaa het eigendomsrecht op de gofderen. De O-verheid kan zeggen: ik rtken dat alle Hervormde protestanten recht hebben op het kerkegoed en wil dit nu naar het tegenwoordig zielental verdeden. Maar Amo Nesciri wil meer dan dit. Aan de „aldus gerekende gemeenten" moet volledige vrijheid tot zelfstandige organisatie geschonken worden, en eerst nadat deze „gerekende gemeente" een nieuwe organisatie voor zichzelf vastgesteld heeft, wordt aan de groepen die tegen deze nieuwe organisatie bezwaar hebben, vrijheid gegund om tot eigen organisatie over te gaan. We hebben hier dus niet meer te doen met een juridische constructie ten opzichte van de eigendomsrechten, maar met een door de 0-, ? erheid gevormde gemeente. Een „gerekende" gemeente kan zichzelf geen organisatie geven; zoodra deze gemeente moet optreden om een bepaalde daad te doen, d. w. z. een nieuwe organisatie vast te stellen, en eerst daarna de dissentieerende minderheden het recht krijgen zich zelf te organiseeren, hebben we met een „werkelijke gemeente" te doen. Feitelijk zou de Gereformeerde Kerk op het oogenblik vaa het Koninklijk Besluit dus ophouden een eigen organisatie te zijn; zouden de Gereformeerden eerst moeten afwachten, wat de meerderheid der „gerekende gemeente" besloot en eerst daarna het geoorloofd zijn om zich opnieuw te organiseeren.

Hiermede meenen we dat het debat kan gesloten worden. Aan het publiek laten we gaarne het oordeel over, of onze critiek met den naam van „lichtvaardig" mag worden gesierd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 maart 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Dupliek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 maart 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken