Bekijk het origineel

De weg van Groen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De weg van Groen.

12 minuten leestijd

Amsterdam, 6 April 1906.

IV.

Toen Groen zich het eerst in den kerke lijken strijd mengde, heeft ook hij langs „reglementairen weg" naar herstel der Kerk getracht. Vandaar het beroemde adres der zeven Haagsche heeren, aan de Synode gezonden, waarin zij op handhaving der Confessie aandrongen.

Groen volgde dien reglementairen weg, niet oindat hij de Synode als zf^//»^ bestuur der Kerk erkende en meende dat kerkherstel alleen langs reglementairen weg mocht gezocht worden. Maar omdat hij, trots de onwettigheid der synodale organisatie, rekenen wilde met den bestaanden toestand. Revolutionair was Groen niet.

Zoo heeft hij, toen velen tegen het inslaan van dezen weg bezwaar hadden, achteraf zijn adres aan de Synode gerechtvaardigd:

We ontkennen niet de onwettigheid van haar oorsprong; wij nemen de verantwoording van haar vroeger gedrag niet op ons, doch wij hebben gemeend dat het regelmatiger en in geen geval aan het belang der Gemeente schadelijk was, zich, onder betuiging van ongehoudenheid, tot eene Vergadering te wenden, wier gezindheid, ook door verandering der leden, vatbaar voor verandering was, en door wie het bestuur der Kerk, met ter daad althans, uitgeoefend werd 1).

Van een gang naar Canossa, een voetval voor de Synode, was dus^ geen sprake. Reeds in het adres aan de Synode zelf verklaarden Groen en de zijnen: „Indien (wij) de verregaande onregelmatigheid van hetgeen in 1816 heeft plaats gehad, gelooven voorbij te mogen zien, het is alleen omdat de verbindende kracht van belijdenis en liturgie tot op den huldigen dag regtens voortgeduurd heeft", (p. 2). Maar al werd t de onwettigheid der Synode over het hoofd gezien, het geschiedde onder deze ééne maar alles beslissende voorwaarde „dat de Synode óf indien zij de Hervormde leer verwerpt, afstand doe van haar kerkelijk beheer, öf met getrouwheid en ijver aan haar stellige, belangrijke en heilige verpligting voldoe", (p. 3).

Op de consciëntie der Synode deed Groen dus een beroep. Ze moest öf de belijdenis handhaven óf abdiceeren. Haar onwettig bestuur kon alleen geduld worden, wanneer de Synode aan haar verplichting om de Kerkleer te handhaven, voldeed.

Toen de Synode zich „incompetent" had verklaard om de belijdenis te handhaven, hield Groen op met aan haar adressen te zenden. Groen was te fier, te manlijk, om een Synode, die toonde geen consciëntie te bezitten, nog langer lastig te vallen. De „synodale weg" was daarmede voor Groen afgesloten.

Na 1843 acht Groen het zenden van adressen aan de Synode „onraadzaam”

Een zestig jaar later weet de confessioneele groep in de Hervormde Kerk, als de Synodus Contracta haar schandelijk vonnis spreekt, waardoor ze den Boeddist Bahler als predikant handhaaft, geen ander middel van redres te vinden, dan met adressen en protesten diezelfde Synode te bestormen. Alsof de ervaring van meer dan 60 jaar niet geleerd had, dat de Synode om deze protesten en adressen niets geeft.

Groen wist een anderen en beteren weg.

Gelijk hij, in het parlement en bij de Regeering geen gehoor vindende voor zijn rechtmatige grieven, zich beroept op het „volk achter de kiezers", zoo beroept Groen zich nu van de Synode op ^t gemeenten.

Het adres aan de Hervormde Gemeente in 1843 uitgegeven is het antwoord van Groen op de zich-incompetentverklaring der Synode. Waar de Synode haar plicht verzuimde, daar moesten predikanten, kerker aden en. gemeenteleden dubbel trouw op hun post staan (p. 94—99). Een machtige beweging moest van de Kerk zelf uitgaan, om voor haar Belijdenis op te komen.

Tegen individueele afscheiding van de Hervormde Kerk bleef Groen ook in dit adres waarschuwen. Dat was „een eigendunkelijk verlaten van den post, welken God ons aangewezen heeft", (p. 77). Niet wegloopen uit den strijd, maar ook niet lijdelijk de verwoesting der Kerk aanzien; trouw zijn in de vervulling van den door God op ons gelegden plicht; dat was de roeping waarop Groen ambtsdragers en geloovigen wees.

Steeds klaarder en duidelijker zijn Groen daarbij de oogen opengegaan voor het feit, dat die weg van plichtsbetrachting met den reglementairen weg op den duur onvereenigbaar was.

Groen klemde in 1843 zich nog vast aan de belofte der Synode dat zij, al kon ze geenerlei uitspraak over de leer doen, toch in geval van een officieele aanklacht, langs kerkdijken weg tot haar gebracht, de leer zou handhaven.

1) Aan de Hervormde Gemeente 1843, p. 42.

Vandaar dat Groen in het adres aan de Hervormde Gemeente'vx 1843 de predikanten en kerkeraden nog wees op hetgeen binnen den kring der 'reglementen tot handhaving der leer geschieden kon. Met name ried hij den ouderlingen aan om van de zoogenaamde visitatievragen door het classicaal bestuur gebruik te maken om de onrechtzinnige predikanten aan te klagen, (p. 96).

Maar ook met dezen „reglementairen weg van verzet", het bleek reeds spoedig, kwam men geen stap verder. Het jaar 1848, waarin Groen zijn beide meesterwerken schreef: Ongeloof en Revolutie en Het Regt der Hervormde Gezindheid, is ook het jaar, waarin Groen finaal en radicaal gebroken heeft met den „reglementairen weg". Van nu af wil hij van „onderwerping aan de reglementen" niets meer weten en spoort openlijk de kerkeraden aan, om zich aan de Synodale bepalingen niet meer te storen, wanneer het de handhaving der belijdenis geldt.

In het adres in dat jaar aan den Haagschen Kerkeraad gezonden, eischt hij, dat de Kerkeraad de visitatie-vragen niet meer beantwoorden, maar beslist afwijzen zal. Zij zijn „vergeleken met de houding van het synodaal bestuur een jaarlijks terugkeerende spotternij". (Verspr. Geschr. II. p. 52). Voor de bedenking dat daardoor de reglementen zouden worden geschonden, gaat Groen geen oogenblik uit den weg: „Iseen Kerkeraad gehouden tot een onderwerping, zoo vraagt hij, waarbij men noch in de eigenaardigheid van het geloof, noch in de onbetwistbaarheid van het verkregen regt der gezindheid eenige voorwaarden of perken erkent? is het centraliseerend beheer inderdaad zoo oppermagtig, dat enkel zwichten, zwijgen en zuchten te pas komt"? (t. a. p. p. 83).

De gewone voorstelling alsof Dr. A. Kuyper in 1867 het sein tot revolutie in de Hervormde Kerk gaf door met den Utrechtschen Kerkeraad te weigeren de visitatievragen te beantwoorden, blijkt dus onjuist te zijn.

Reeds twintig jaren vroeger had Groen aan den Haagschen Kerkeraad hetzelfde geraden.

Wie het bevreemdend vindt, dat Groen in 1843 juist op deze visitatievragen zijn hoop bouwde om langs reglementairen weg de onrechtzinnige predikanten uit de Kerk te krijgen, en dat hij in 1848 even beslist ontried om op deze visitatievragen te antwoorden en eischte dat de Kerkeraad zelfstandig maatregelen zou nemen tegen de onrechtzinnige predikanten, vergeet wat in 1846 was geschied.

In Leiden was toen beroepen Dr. Rutgers van der Loef „een der meest bekwame voorstanders van de Groninger School" In twee protesten bij het Klassikaal Bestuur ingediend „volgens den bij de reglementen aangewezen weg" werd met „volledigheid van beroep en bescheidenheid van uitdrukking" tegen dit beroep geprotesteerd. „Zoo immer, dan moest nu de kracht blijken, zegt Groen, van de verklaring, die de Synode in 1841 gedaan had". Maar het Klassikaal Bestuur wees niet alleen de klacht af, het beleedigde en verguisde bovendien de aanklagers „als twistzoekers, sectarissen en weetnieten". (Het regt der Herv. Gezindheid p 9—11). Het Provinciaal Kerkbestuur, al matigde het zijn toon, handhaafde deze beslissing (p. 57). De Synode deed niets. „De reglementaire weg" was hier bewandeld tot het einde toe en het resultaat was geweest, dat „een loochenaar van de Godheid des Heeren", trots het wettig protest der gemeente, als predikant te Leiden was bevestigd. Is het wonder dat Groen na dit droeve feit met den „reglementairen weg" gebroken heeft; dat hij de beantwoording der visitatievragen een „jammerlijke spotternij" noemt; dat hij na 1846 de kerkeraden aanraadt zelfstandig tegenover de moderne dwaalleeraars op te treden.

In 1854 gaat Groen nog een schrede verder. In April van dat jaar verklaart hij in de Nederlander geheel in te stemmen met den raad van Capadose „dat de getrouwe Leeraars zich zouden losmaken van de kerkgenootschappelijke banden en ondanks de Reglementen kinderen uit andere gemeenten zouden doopen". (Vos, Groen van Prinsterer en zijn tijd 1857—1876 p. 221). Vergeet nu niet dat heel de Afscheiding juist om ditzelfde feit begonnen was; dat de Cock was afgezet en gebannen, omdat hij „ondanks de Reglementen, " kinderen uit andere gemeenten doopte, en de beteekenis van dezen raad springt nog duidelijker in het oog.

In de „lijdelijkheid" der geloovigen, in het „zwichten, zwijgen en zuchten", daarin zag Groen het groote gevaar. Tegen dat lafhartig niets doen en bukken voor de Synode bond hij met al den gloed zijner ziel den strijd aan. Wat de Kerk alleen redden kon, was een kloek en mannelijk verzet, een verzet niet in woorden, maar in daden bestaande.

Groen begreep echter uitnemend goed, dat, zou dit verzet doeltreffend zijn, de „geloovigen" in een vastaaneengesloten phalanx moesten optrekken. Individueel verzet zou, al kon het plichtmatig zijn, op individueele afscheiding uitloopen. Juist dat wilde Groen voorkomen. De Gereformeerde gezindheid, d.w.z. allen die aan de Belijdenis vasthielden, moesten van de Synodale organisatie verlost worden. Alleen in eendracht school macht.

Vandaar, dat Groen voortdurend getracht heeft de Gereformeerden bij elkander te brengen.-Zoo moest allengs in de Kerk de „kern van een nieuwe Kerk" ontstaan. Reeds in 1843 dringt Groen aan op het vormen van een „Evangelische maatschappij" in de Hervormde Kerk. De „vriendenkringen" te Amsterdam, een eerste zwakke poging om dit ideaal te verwerkelijken, waren aan Groen te danken. Ook de Confessioneele vereeniging, in 1864 opgericht, was voor een niet gering deel vrucht van Groen's arbeid. En dat deze o t vereeniging aanvankelijk metterdaad jn Groen's voetspoor wandelde, blijkt uit den grondslag dezer vereeniging, die klaar en duidelijk Groen's beginsel uitsprak :

dat zij ap geene poging tot herstel of hulpbetoon in den nood der Kerk de hand leenen kan, die niet uitgaat van eene onbekrompene en ondubbelzinnige instemming met den grondslag der Kerk, in hare belijdenisschriften nedergelegd;

dat de belijdenis der Kerk boven allen kerkvorm en ieder reglement als voorwaarde der kerkgemeenschap behoort te worden geëerbiedigd en bijgevolg geene bepaling, die aan de handhaving van dit hoogste goed der Kerk in den weg staat, voor hare voorgangers en leden verbindend mag worden geacht.

dat, als het blijkt, dat de reglementen der Nederlandsche Hervormde Kerk de wering van het radikale ongeloof, dat heden ten dage in die Kerk gedreven wordt, tegenhouden, hare geloovige voorgangers en leden verplicht zijn, met terzijdestelling van die kerkorde, hunne geloofsovertuiging te handhaven. Zij mogen, om de kerkorde, niet aan kerkverwoesting medeplichtig zijn, niet als voorgangers erkennen hen, die de Apostolische getuigenis van den Christus verwerpen, niet langer den geloofsgenoot prijs laten aan de door het reglement beschermde willekeur van den bestrijder.

In 1866, toen Groen zelf verhinderd was de vergadering der Confessioneele vereeniging bij te wonen, zond hij haar een aantal punten van overweging toe, waarin o.a. deze beide waren opgenomen :

Geen kerkelijke organisEutie ontheft een Kerkeraad van de verpligting om eene godlasterlijke prediking onverwijld te beletten. Zoo het Hervormde Kerkgenootschap, in 1816 of daarna, gegrond ware op slaafsche afhankelijkheid der gemeenten, zelfs in het verloochenen of belijden van den Heer, dan zou de Kerkeraad zich van den kerkvorm behooren los te maken, om de Gemeente te beschermen tegen een, zelfs in het oog van eerlijke Modernen, oneerlijk bedrijf, eene mystificatie, een guetapens, waardoor zielemoord gepleegd wordt.

Het blijven in eene feitelijk reglementaire kerk is ongeoorloofd, zoo men niet een strijd aanbindt, die op overwinning kans geeft.”

Blijven in de „reglementaire Kerk" is zonde, wanneer men geen strijd aanbindt tegen het ongeloof.

En die strijd moest met name voor de Kerkeraden daarin bestaan, dat zij onverwijld een godslasterlijke prediking beletten.

Dat was de weg van Groen.

Hoe jammerlijk die weg van Groen verlaten is door de Hoedemakeriaansche partij, blijkt wel het duidelijkst uit twee feiten.

In 1891 nam de Confessioneele vereeniging op voorslag van Dr. Hoedemaker deze bepaling in haar statuten op:

Dat — de roeping der geloovigen is, ia die Kerk te blijven en niet ter wille van wat in de handelingen van hare besturen, in hare verordeningen of waarin dan ook verkeerds mocht worden bevonden, het Kerkverband te verbreken; integendeel in haar en aan haar herstel te arbeiden en, dat herstel vóór alle dingen in den weg van Kerkelijke plichtsvervulling te zoeken.

Groen eischte dat geloovige voorgangers en leden hunne geloofsovertuiging zouden handhaven des noods met terzijdesielling der Kerkenorde, omdat geen bepaling of besluit der Synode voor de voorgangers en leden der Kerk verbindend mag worden geacht, die de handhaving der belijdenis in den weg stond.

En Hoedemaker decreteert, dat de geloovigen nooit de Kerkenorde op zijde mogen schuiven, wat de kerkelijke besturen ook doen of bepalen.

Groen handhaafde het Apostolisch woord: Men moet Gode meer gehoorzamen dan den menschen — ook dan de Synodale machthebbers.

Hoedemaker leert: wanneer de Synodale besturen u bevelen wat met Gods Woord in strijd is, dan hebt ge u daaraan te onderwerpen, want het kerkverband verbreken moogt ge nooit.

Dit is het eerst feit.

En het tweede is dit.

Groen eischt, dat de Kerkeraden onverwijld een godslasterlijke prediking zullen beletten door de moderne predikanten af te zetten, al zou heel de Synodale organisatie daarom verbroken moeten worden.

Het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland achtte in 1905, dat Dr. Bahler de heiligheden Gods heeft aangerand en daaïom uit zijn ambt behoort ontzet te worden.

Maar de Synode vernietigt dit vonnis.

En het provinciaal Kerkbestuur van Friesland buigt voor dit vonnis het hoofd. De Classis ontvangt Dr. Bahler weer als wettig predikant in haar midden. En de Confessioneele partij, die in Friesland het machtigst is, zwicht, zwijgt, en zucht.

Is er sterker tegenstelling denkbaar dan tusschen wat Groen wilde en wat de zoogenaamde Confessioneele richting in de Hervormde Kerk doet?

En zou het geen zegen zijn voor de Kerk des Heeren, wanneer de geest van Groen weer over ons vaardig werd en de weg van Groen weer werd bewandeld?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

De weg van Groen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken