Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Niet ganschelijk of ganschelijk niet.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Niet ganschelijk of ganschelijk niet.

6 minuten leestijd

III.

Dacht Guido de Bres er anders over ? Leerde hij soms, dat de doop gansckelijk niet de erfzonde te niet doet} Vatte hij den doop op in Zwingliaanschen zin als een bloot uitwendig teeken .•' Stond hij lijnrecht tegenover de leer van Calvijn, die juist tegenover die Zwingliaansche onderschatting der Sacramenten steeds geleerd had, dat de Sacramenten — doop en avondmaal — geen ledige teekenen zijn, maar dat God waarlijk ons schenkt, wat in het teeken ons voor oogen wordt gesteld?

Art. XXXIII van onze belijdenis geeft daarop het duidelijk antwoord. Niet eerst in 1566, maar reeds in 1561 wordt daar beleden dat de Sacramenten „waarteeckenen ende sienlicke mereken der dinghen zijn, door welcke Godt door de kracht zijns Gheests in ons werct, ende en zijn gheen ijdele ende ledighe teeckenen, om te bedrieghen”.

En niet minder beslist spreekt de Confessie van 1561 zich inzonderheid over het sacrament des doops uit: „Also warachtelick als dit water, dat gesien wort op den lijue des ghenen, die gedoopt ende besprenghet v/ort, werckt oock dat seluige het bloed Christi, inwendichlick door den heylighen Gheest, aen der zielen, besprengt se en de reynicht se van haren sonden ende maeckt door de wedergeboorte van eenen kinde des toorns een kinde Gods". Geldt dit alleen van den doop der volwassenen.? Neen, gaat onze Confessie in 1561 voort, want „Christus en heeft niet min (=« minder) zijn bloedt ghestort om de kleyne kinderkens der Gheloouighen te wasschen dan hij voor den volwassen ghedaen heeft. Ende daarom moeten zij ontfanghen het Teecken ende het Sacrament van het ghene dat Christus ^oor haer ghedaen heeft.”

Niet eerst in 1566 na de revisie door de Synode van Antwerpen, maar reeds in 1561 staat dit alles duidelijk in de confessie te lezen, en van de „forsche ontkenning, dat de Doop aan de erfzonde niets doet", blijft derhelve niets over.

Alle twijfel hieromtrent kan bovendien opgeheven worden door de uitdrukkelijke verklaringen van Guido de Bres zelf. Indien we van zijn hand alleen de Confessie hadden, kon over de beteekenis van de daar gebruikte woorden nog verschil bestaan. Maar nu Guido de Bres in zijn „De Wortel, den Oorspronck enz. der Wederdooperen" zich zeer breed en uitvoerig over de beteekenis van den doop uitliet, behoeven we naar zijn bedoeling niet te raden of te gissen, maar treedt hijzelf als uitlegger der Confessie voor ons op.

Nu heeft zeker niemand beslister en krasser gestreden tegen de verzwakte opvatting van den doop, alsof daarin alleen een uitwendig teeken ons geschonken wordt, dan Guido de Bres. Al onderscheidt Guido de Bres overal tusschen het uitwendige teeken en de beteekende zaak, de sacramenteele vereeniging van deze beide geeft hij nooit prijs.

Onze kinderen moeten gedoopt worden, zegt hij, „gemerckt Godt onse kinderkens geweerdicht in den bloede zijns lieuen Soons te wasschen ende door dien middel hen vergheuinghe haeer sonden mede te deylen ende dat de Doop den zegel ende den pandt is van de genadige vergeuinge der sonden." (ed. 1589 fol, 298.)

Vandaar dat Guido de Bres geenoogeu blik aarzelt te zeggen, dat de Doop in sacramenteelen zin de erfzonde afwascht, begraaft enz. Zoo zegt hij fol. 295 „dat de „doop dienstelijck ende nut is om de zonden „af te wasschen, niet alleenelijck de voorle-„den zonden maer oock de gene, die alle „de daghen onses leuens ghedaen worden". De doop dient dus volgens Guido de Bres om ook de „voorleden sonde", d. i. de erfzonde, af te wasschen.

Zoo verwijt hij elders den Wederdoopers, die aan de kinderen den doop ontzeggen, omdat ze nog geen persoonlijk geloof hebben, dat dan ook de zaligheid aan de kinderen ontzegd moet worden: „sy (nl. de kinderkens)^«fö««f« nae v rekeninghe haer Erfzonde door den Doop niet begrauen; wat sal dan den staet deser armeronnooséler Menschen wesen "> ."(fol. 299) Volgens de Wederdoopers konden de kinderen door den doop de erfzonde niet begraven, en Guido de Bres bestrijdt juist dit gevoelen en zegt, dat dit consequent er toe leiden moet, dat ook de zaligheid aan de kinderen moet ontzegd worden.

En wederom elders zegt hij: „Want hoewel de cleyne kinderkens de zonde niet en connen afsteruen noch begrauen in sulcker voegen als ghy (t. w. de Wederdoopers) het verstaet, nochtans dies niet tegenstaende, so zijn sy nae het getuygenisse van Gods Woort in den doot Christi ingelijft ende ingegrifïet door den Doop, ende dat tot gheen ander eynde oft meyninghe dan opdat daer door de cracht des Doots Christi hen medegedeylt worde." (f.278) Door den doop ff ordX. dus volgens Guido de Bres het kind in Christus' dood ingelijfd en de kracht van Christus, dood hem medegedeeld, en zoo wordt de afsterving en begraving der zonde (dus ook van de erfzonde) bij hem teweeggebracht. Niet alleen de afwassching of vergeving der schuld wordt dus door den Doop geschonken, maar ook de kracht van Christus om de erfsmet te dooden en te begraven.

En wil men nu den trefifendsten commentaar hebben op wat Guido de Bres in Art. XV geschreven had, dan leze men wat hij op fol, 290 zegt: „Eenerley verderiunghe ende aangeboren boosheyt is in allee ende ouer alle kinderen Adams wtgestort; ende volgens dien zijn sy alle onder den vloeck begrepen, wtghenomen de kinderen der Geloouighen, die door Gods ghenadighe aenne minghe ende door de cracht der beloften ende des Verbonts van sulcke verderffenisse verlost, gheheylicht ende wedergheboren zijn, hoewel de verderffelyckheyt der nattteren noch in hen blijft." Evenals in Art. XV wordt hier gezegd, dat in de kinderen des Verbonds de erfzonde, voorzoover ze „verderfelijkheid der nature" is, blijft, maar dat deze kinderen van de verdoemenis verlost en aanvankelijk geheiligd zijn. Wel wordt hier het woord doop niet uitdrukkelijk gebruikt, maar waar de doop juist „de kracht der belofte en des Verbonds" verzegelt en bekrachtigt volgens Guido de Bres, doet deze plaats wel zeer duidelijk uitkomen, wat in Art. XV bedoeld wordt met de woorden: „dat de erfzonde door den doop niet wordt weggenomen, hoewel God haar door zijn genade en barmhartigheid den kinderen Gods ter verdoemenisse niet toerekent.”

De Synode van 1566 heeft dus geenszins de oorspronkelijke leer van Guido de Bres prijsgegeven, toen zij in Art. XV de woorden invoegde, dat de doop de erfzonde niet gansckelijk te niet doet. Ze beleed niet anders dan wat Guido de Bres zelf tegenover de Wederdoopers duidelijk en klaar geleerd had. Van principieel verschil is derhalve geen sprake. Er bestaat juist omgekeerd tusschen de Synode van 1566 en Guido de Bres in deze zaak volkomen overeenstemming. Het onder-scheid tusschen 1561 en 1566 bestaat alleen daarin, dat de Synode van Antwerpen nog iets nauwkeuriger en correcter het Gereformeerde dogma geformuleerd heeft. De formule van 1561 kon tot tnisverstand aanleiding geven. Men kon haar lijnrecht in strijd met Guido de Bres' gevoelen uitleggen, alsof de doop niets deed ten opzichte van de erfzonde. Zoo nu had noch Guido de Bres noch de Gereformeerde Kerk het ooit bedoeld. En daarom verduidelgkte de Synode van 1566 de bedoeling dezer woorden. Niet weggenomen, dan wilde de Synode zeggen, moest niet in absoluten maar in relatieven zin worden opgevat; het beteekende, niet ganschelijk te nietgedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Niet ganschelijk of ganschelijk niet.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken