Bekijk het origineel

De weg van Groen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De weg van Groen.

7 minuten leestijd

VII.

Eer we onze artikelen over Groen's kerkelijk standpunt eindigen, dient nog de vraag beantwoord, hoe Groen over het al of niet geoorloofde van afscheiding dacht.

Gelijk bekend is, heeft Groen de Afschei ding van 1834 veroordeeld. Ze was volgens zijn overtuiging prematuur, d. i. ontijdig. Ook in 1868, toen het proces-Zaalberg aan de orde was en Ds. Schwartz bij Groen op Afscheiding aandrong, herhaalde hij opnieuw, dat hij Afscheiding voorbarig achtte. „Bij uitnemendheid prematuur en averechtsch ijver-betoon". (Kerkgem. Overleg. V, p. 96).

Was Groen daarom absoluut tegen Afscheiding; achtte hij Afscheiding nooit geoorloofd; stond hij op standpunt der Hoedemakeriaansche partij, dat liever alles moest geduld, dan tot Afscheiding over te gaan?

Ook hierover heeft Groen zich duidelijk genoeg uitgesproken.

In de Verklaring van Beginselen, in 1848 opgesteld, zegt Groen:

„Men wil geen afscheiding, maar wij zullen ons afscheiden, zoo men ons bewijst, dat de Symbolische Schrift in het Kerkgenootschap geen wettig gezag heeft; dat elk uitzicht op verbetering en herstd onder de vrome wenschen of droomerijen van welmcenend zelfbedrog behooren". (Verspr. Geschr. Il, p. 103).

Evenzoo in de Narede na vijfjarigen strijd 18SS p. 70.

„Geen afscheiding maar Kerkherstel moet worden bedoeld.

„Afscheiding kan het gevolg zijn; maar onder den vorm van zoodanig eene Vrije Kerk (waardoor ook bij en welligt om haar volkomen afscheiding van den Staat) de rechten eener Christelijke Natie, de regten eener Protestantsche bevolking kunnen worden beschermd."

Niet minder beslist in Le Parti Antirevolutionnaire et Confessionel i860 p. 4.

„Nous sommes chez nous; ce n'est point è, nous de sortir d'ici et nous n'en sortirons que chassés." (Monod) Il faut y rester, afin même si l'on est chassé, de ne sortir qu'avec les honneurs de la guerre et remportant dans la défaite un succes reel; aprés avoir mis la veritable question en evidence; aprèsj avoir averti et éclairé les masses, aprés avoir grandi dans 1' Eglise établie et préparé ainsi une de ces retraites collectives, qui emportent, comme disait M. de Gasparin, les institutions et le drapeau.

Il faut rester dans 1' Eglise, mais pour y latter. La lutte doit 's établir sans compromis, sans relache, jusqu'a ce que le but soit atteint et que 1' Eglise ait triomphé, soit qu'elle se reorganise sur ses immuables bases, soit, que cédant a 1' injustice et è la force, elle se dégage des formes désormais mensongères".

Als in 1868 de procedure-Zaalberg den Kerkeraad van 's-Gravenhage voor het moeilijke dilemma plaatst: of een modern predikant te dulden of door verzet tegen de Synode het gevaar te loopen van afgezet te worden, verklaart Groen: „De Kerkeraad mag Ds. Zaalberg nimmer weder toelaten als predikant, zelfs niet al zou van een non possumus ontslag en scheiding het gevolg zijn". (Kerkgem. Overleg V. p. 52).

En nog duidelijker ontwikkelde Groen zijn denkbeelden, toen hij in No. VI van zijn Kerkgemeentelijk Overleg aan Ds. Schwartz duidelijk wilde maken, waarom hij het oogenblik voor een individueele afscheiding van de Hervormde Kerk niet gekomen achtte. Hij verwees hem naar het voorbeeld van Thomas Chalmers, den stichter der Vrije Kerk in Schotland.

Bedrieg ik mij niet, dan heeft de geloofsheld, wiens invloecf en voorbeeld aldaar beslissend geweest zijn, dan heeft Thomas Chalmers, bedachtzaam en onvertsaagd, geen scheiding bedoeld. Zij is het ultimwn remedium geweest. Hij was voor verbrokkeling beducht; daarom heeft hij aangespoord, niet tot uitwijken, maar tot een strijd die, door eensgezindheid en zamenwerking, ook toen scheiding onvermijdelijk werd, verbrokkeling voorkwam. En waardoor verkreeg men eene zoo treffelijke uitkomst ? Omdat, toen de onafhankelijkheid der kerk in geestelijke zaken aangerand werd, het feit, in ééne Gemeente (buiten 's lands nauwelijks bij name bekend) van Staatswege gepleegd, als beslissend voor de gansche Kerk, het sein gaf van eendragtig verzet.

Om daarna hieruit de volgende les voor Nederland te trekken:

Het voorbeeld van dezen even genialen als godvruchtigen leidsman geeft ons Nederlanders tweederlei les. Niet aan scheiden te denken, eer door een strijd van den echten stempel, eer door eensgezindheid en beleidvol moedbetoon, in de Kerk zelve reeds een herlevende Kerk, als zelfstandig geheel en rijpe vrucht, gevormd zij. Voorts, even gelijk in Schotland, den strijd zaam te trekken op het punt, waar, om de onmiskenbaarheid van het regt, of de zege behaald, of, door het ralliement der geestverwanten, zelfs in de nederlaag, een soort van zegepraal bereid wordt.

Groen's standpunt zal hiermede duidelijk genoeg zijn geworden.

Groen wilde geen afscheiding. Hij begeerde haar niet; hij zou haar niet uitlokken ; hij zou haar niet eigenmachtig in het leven roepen.

Want afscheiding beteekende, dat men den strijd in de Hervormde Kerk opgaf; het huis, dat ons wettig toekwam, verliet; aan den vijand gewonnen spel gaf.

Individueele afscheiding, als personen zich onttrekken aan de Hervormde Kerk, was daarom ongeoorloofd, zoolang nog hoop op herstel bestond.

Maar waar men in de Kerk bleef, daar moest het zijn om te strijden; te strijde» zonder ophouden, zonder ooit kamp t« geven, zonder eenig compromis. Een strijc niet met machtelooze protesten en nog machteloozer adressen, maar een strijd me\ daden, waardoor men tegenover elk godde loos bevel eener onwettige Synode een non possumus plaatste.

Die worsteling, zoo opgevat, dat doorzag Groen uitnemend goed, zou tot een crisis moeten leiden. Een crisis die öf tot de overwinning leidde en de Kerk herstelde op haar onwankelbaren grondslag óf zou eindigen met afzetting, het uitgejaagd worden uit het Kerkgenootschap, een scheiding.

Afscheiding kon het gevolg zijn.

En Groen toonde ook daarin zijn machtig veldheerstalent, dat hij reeds vooruit met vaste hand de lijnen trok, waardoor de schijnbare nederlaag een feitelijke victorie worden kon.

Begin met het volk, de breede massa in te lichten. Vorm zoo in de Kerk, het uitwendige genootschap, een herlevende kerk. Concentreer dan den strijd met de Synode op één punt, waarbij de onmiskenbaarheid van het recht klaar en duidelijk in het oog springt. Waag dan den veldslag, en al behaalt ge de overwinning niet, uw nederlaag zelf zal een overwinning zijn, want ge neemt de vlag mee en trekt met krijgsmans-eer uit.

Geen individueele afscheiding, maar een „retraite collective", een terugtocht, waarbij het leger vast aaneengesloten blijft en „door het ralliement der geestverwanten een soort van zegepraal bereid wordt", — dat wilde Groen.

Slechts één vraag blijft nog te beantwoorden over.

Moest men dan wachten met den beslissenden slag „totdat alle Evangeliebelijders als een eenig man zich solidair verklaarden ? "

Zoo oordeelde Ds. Bronsveld in 1868, die daarom „de tijd nog niet gekomen achtte" om trouw te zijn. Dezelfde uitvlucht, die ook thans nog telkens vernomen wordt. Ziehier wat Groen daarop antwoordde.

Neen voorwaar, die tijd is niet gekomen. Doch ik voeg er bij: Die tijd zal nimmer komen.

Nooit is er tot kerkherstel, in tijden gelijk wij thans beleven, iets wezenlijks verrigt door hen die gewacht hebben totdat al de belijders van het evengelie, als een eenig man, zich solidair verklaarden en uitriepen: „Nun mit Gott wir wollen 's wagen."

Kerkherstel is voorbereid of tot stand gekomen, ook door één enkel man, die, in den geest der martelaren, in den geest van een Huss of van een Luther, uit pligtbesef, zeide of dacht: „Ik kan niet anders, al zou ik alleen staan; en ook aldus sta ik niet alleen, want de Heer is met mij, en, ook in het bezwijken, overwin ik."

Die tijd, dat alle geloovigen een lijn trekken, zal nooit komen. Wie daarop

wachten wil, zal voor kerkherstel niets •wezenlijks verrichten.

Kerkherstel is alleen mogelijk, wanneer de geest der martelaren, de geest van een Luther weer vaardig over ons wordt en desnoods één man den moed heeft om te verklaren: Ik kan niet anders, zoo waarlijk helpe mij God Almachtig.

Dat is de weg van Groen.

Een niet onbevoegd beoordeelaar schreef, dat wat Groen in 1868 aan denHaagschen Kerkeraad aanried, als twee druppelen water gelijkt op wat in i886 door den Amsterdamschen Kerkeraad is gedaan.

Een oordeel, waarvan de juistheid zeker kwalijk kan ontkend worden.

Metterdaad beantwoordt de actie van 1886 zelfs tot in de kleinste bijzonderheden aan het plan, dat Groen in 1868 ontwierp. Eerst het volk voorlichten om in de Kerk de kern eener herlevende Kerk te krijgen.

Dan den strijd aanbinden op een cardinaal en beslissend punt om de Synode te dwingen kleur te bekennen.

Vervolgens, wanneer de conscientie is wakker geschud, wanneer het volk weet waarom het gaat, wanneer een agitatie in heel het land in het leven is geroepen, met een kloek non possumus, wij kunnen niet, de onchristelijke bevelen eener onwettige Synode weerstaan.

En als gevolg daarvan, v/anneer de Synode niet wijken wil een „retraite collective", een gemeenschappelijk breken met de Synodale heerschappij.

Alleen zoo verwachtte Groen herstel der Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

De weg van Groen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken