Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de tien geboden.

17 minuten leestijd

CIII.

HET ACHTSTE GEBOD.

IV.

De aarde is des HEEREN mitsgaders hare volheid, de wereld en die daarin wonen. Psalm 24:1.

Na in onze laatste twee artikelen te hebben onderzocht wat naar de Schrift het oordeel van den Heere Jezus over den eigendom in het algemeen was — een onderzoek dat met name in onzen tijd noodig is, nu ook onder christenen het zedelijk oordeel op dit stuk of onzeker of verkeerd is, — komen wij in dit artikel tot de bespreking van den individueelenen den comminalen-eigendom.

In verband daarmee moet dan ook ter sprake komen het hedendaagsche „Socialisme".

Eischt een en onder een*eenigszins breede uiteenzetting, wij zullen ons daarom in dit artikel slechts tot de beschrijving en eerst in het volgende tot de ^^Ö< ? /-^^^/? «^ of critiek bepalen.

Verstaan wij onder den eigendom het recht, dat een persoon op een zaak heeft met uitsluiting van ieder ander persoon, — wij denken daarbij dan allereerst aan individueel-of privaateigendom ; aan het recht waarvan éen persoon, éen individu de drager is. Men kan zich echter ook een gemeenschap van individuen of personen ais éen persoon denken, en ook zulk een gemeen-.schap kan dan drager zijn van het recht op een zaak met uitsluiting van alle andere gemeenschappen of personen ; in dit geval heeft men dan communaal of gemeenschappelijk eigendom, en met dezen gemeenschappelijken eigendom hangt dan saam de „gemeenschap van goederen" of de communio bonorum.

Deze tweeërlei vorm van eigendom nu is niet alleen denkbaar, maar bestaat metterdaad en de communale of gemeenschappelijke is op zichzelf evenmin zedelijk te veroordeelen als de individueele oi privaateigendom.

Hoewel nu de „goederen-gemeenschap" of het communisme in volstrekten zin, d. w, z. zoo, dat er heel geen eigendomsrecht, noch het private noch het communale geldt, en een ieder dus over alle goed vrij beschikt — onder verstandige menschen geen verdedigers heeft gevonden, heeft het van oude tijden af tot op onzen tijd niet ontbroken aan voorstanders óf uitsluitend van den communalen of gemeenschappelijken eigendom óf uitsluitend van den privaatof individueelen eigendom.

De eersten is men dan gewoon aan te duiden met den naam van communisten, — waaronder men dan echter altijd een relatief of betrekkelijk communisme moet verslaan, want aan een afschaffing van den eigendom denkt geen verstandig mensch. Deze voorstanders van den gemeenschappelijken eigendom aanteduiden met den naam van socialisten, zooalsook wel wordt gedaan, is, zooals wij straks zullen zien, minder juist en verdient daarom geen aanbeveling.

Het ligt buiten ons bestek hier zelfs maar een kort overzicht te geven van de geschiedenis van het communisme. Daarom zij slechts aangestipt, hoe het communisme reeds een dertien eeuwen voor Christus op het eiland Kreta was ingevoerd en dat naar dit voorbeeld Lykurgus zijn Spartaanschen Staat inrichtte. Het vond ook zijn voorstander in niemand minder dan den grooten wijsgeer Plato, die — wel een bewijs, dat communisme en democratie op zichzelf niets met elkander te maken hebben, — in zijn ideaal-Staat de gemeenschap van goederen alleen voor de hoogste standen wilde. Voor den derden stand achtte hij geen regeling noodig. Ook in de eerste christelijke Gemeente te Jerusalem bestond communisme.

Wij lezen in Handelingen 2, 44 en 45 : „en allen, die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeen; en zij verkochten hunne goederen en have en verdeelden ze aan allen, naar dat elk van noode had"; in Handelingen 4:32: en de menigte van degenen, die geloofden, was één hart en ééne ziel; ep niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen." In vs. 5 wordt ons dan nog verder verhaald: at er niemand onder hen was, die gebrek had; want zoovelen als er bezitters waren van landen en huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen en legden dien aan de voeten der Apostelen, en aan een iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van noode had.

Met name worden genoemd uit deze kategorie van menschen: oses Barnabas, die zijn akker verkocht en bracht het geld, en legde het aan de voeten der Apostelen (vs. 36 en 37); en Ananias met zijn vrouw Saffira die verkocht eene have en onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel en legde dat aan de voeten der Apostelen (h. 5:1 en 2).

Uit het woord nu van Petrus tot Ananias: Zoo het gebleven ware, bleef het niet het uwe ? en verkocht zijnde was het niet in uwe macht.' (vs. 4), blijkt echter dat dit communisme der Jerusalemsche moedergemeente het karakter van vrijwilligheid droeg. Ananias had over zijn bezitting de vrije beschikking, hij kon haar verkoopen of behouden, en evenzoo behield hij zijn eigendomsrecht op den prijs, waarvoor hij haar verkocht had; van dwang was geen sprake, evenmin als van „afschaffing van den individueelen eigendom". Het bekende strafgericht over hèm en zijn vrouw voltrokken, had dan ook zijn grond hierin, dat zij het wilden doen voorkomen alsof zij al wat hun bezitting had opgebracht aan de voeten der Apostelen legden.

Verder vinden wij het communisme bij sommige sekten in de middeleeuwen, en in de dagen der Reformatie onder de Wederdoopers te Munster, waar de privaateigendom metterdaad opgeheven was.

In den nieuweren tijd, vooral na de groote Fransche revolutie op het einde der i8e eeuw, zijn de voorstanders van het communisme weer aan het woord.

De toepassing van de revolutie-beginselen toch, die men kan saamvatten onder den naam van de „vrijzinnigheid" of het „los" zijn van God en Zijn Woord, had in verband ook met andere factoren, zooals het gebruik van de stoom en de verbetering der machine, waardoor veel minder handen en ook mindere handigheid noodig waren geworden; de vrije concurrentie en het vrije arbeidscontract; — in de beschaafde landen, met name die waar de industrie of de nijverheid tot ontwikkeling kwam, toestanden in het leven geroepen, welke herinneren aan de meest kranke maatschappijen uit het verleden en daarom velen naar genezing, naar verbetering deden uitzien. Ook nu weer gaf de samenleving het onverkwikkelijk schouwspel van een betrekkelijk klein aantal zeer rijken en een overgroot aantal zeer armen, die als twee vijandige klassen tegenover elkander stonden.

Een tegenstelling, die men dan als kapitaal en arbeid aanduidt.

Onder de middelen nu, die voorgeslagen zijn om aan deze misstanden een einde te maken, en die hier bij het achtste gebod ter sprake moeten komen, behoorde dan ook de invoering van het communisme.

Toch moet men hier wèl onderscheiden.

Alle communisten gaan niet even ver.

De oudere communisten wilden alles in gemeenschappelijk eigendom laten en de gemeenschap tot drager maken van het eigendomsrecht. Evenals onder de leden van het gezin zou ieder nemen volgens zijn behoeften. Zoo stichtte R. Owen in Amerika in 1826 zulk een communistische maatschappij, onder den naam van New-Harmony, die echter verliep. Cabet, in lowa, een dergelijke onder den naam van de maatschappij der Icariërs, welke nog bestaat en die hij dus noemde naar zijn roman r Icarie.

Bij hen is alle privaat-of individueel bezit principieel uitgesloten.

De nieuwere communisten daarentegen, ook wel anarchisten genaamd, willen slechts den privaat-eigendom van de arbeidsmiddelen opheffen en dien dan overdragen niet aan den staat, maar aan de gemeenten of maatschappijen.

Met dit communisme nu mag niet worden verward het socialisme. Socialisme, van socius, „deelgenoot, " „makker, " is zonder meer een vrij vage term. „Sociaal" staat tegenover „individueel, " als wat betrekking heeft op de gemeenschap tegenover wat betrekking heeft op den eenling.

Dan, de woorden krijgen door het gebruik een bepaalden zin.

Zoo is het ook met socialisme.

Onder socialisme verstaat men het systeem der sociaal-democratie en onder socialisten de aanhangers van dit systeem of de sociaaldemocraten.

Dit socialisme heeft zijn voorloopers gehad in mannen als de graaf de Saint-Simon, Fourier, Louis Blanc, Rodbertus en Lassalle, terwijl het in Karl Marx den man vond, die a^^ er een wetenschappelijken grondslag aan heeft gegeven.

Wijl het socialisme tuanscea systeem, een stelsel is, waar een geheele wereld-en levensbeschouwing mee samenhangt; een stelsel dat op duizenden onzer tijd-en ook onzer landgenooten zekere bekoring oefent, verdient het reeds daarom onze belangstelling. En wijl in dit stelsel de vraag naar den eigendom een van de voornaamste, zoo al niet de voornaamste plaats inneemt, dient het zoo bij één, dan wel bij het achtste gebod nader besproken.

Te meer is zulk een bespreking noodig, omdat, al moet grif toegegeven, dat een gereformeerde, een christen in het algemeen, geen „socialist" kan wezen, in den zin dien dit woord nu eenmaal heeft — waarom dan ook de samenkoppeling van „christelijksocialisme" en „christen-socialist, " hoe goed ook bedoeld, als spraakver warrend, geen aanbeveling verdient — er ook in onze kringen omtrent het socialisme nog altijd vrij zonderlinge denkbeelden in omloop zijn.

Om iets te noemen, schijnt voor velen „socialisme" eensluidend te zijn met vrijheid in den zin van bandeloosheid. Jongens en zelfs knapen, nog te onwijs om de noodzakelijkheid van het gezag te doorzien, slaan verliefde blikken naar het „socialisme." Vrouwen, die met tegensporrelige dienstmaagden, patroons, die met onwillige arbeiders te doen hebben, zien vaak de oorzaak dezer onhebbelijkheid in het „socialisme."

Dit alles nu berust op vergissing.

Zoo er toch één systeem bestaat, waarin voor de bandeloosheid geen plaats is; zoo er één systeem is dat, indien het eens in de menschelijke samenleving zijn toepassing vond, een einde zou maken aan de „vrijheid" in nog anderen zin dan dien van bandeloosheid, dan is het zeker het socialisme.

Het mag dan ook vooral niet verward met het anarchisme, of de principieele tegenkanting van alle gezag, wat wij vroeger bespraken bij de behandeling van het vijfde gebod.

Een socialist, die goed in de leer is, is een voorstander van het gezag en van gehoorzaamheid aan het gezag.

Zeker, de socialist is een godloochenaar, een atheïst.

De bron van het gezag ligt alzoo voor hem niet in God. Hij kan dus niet gelooven, dat het Gode belieft, den eenen mensch door de hand van den anderen te regeeren, en daarom ontbreekt voor hem aan het menschelijk gezag de wijding der religie.

Maar desniettemin zijn gebieden en gehoorzamen van het socialisme onafscheidelijk.

Zeker het moet, krachtenszijn beginsel, den eenling offeren aan de gemeenschap. Alleen het Christendom toch schept tusschen beide de ware verhouding. Dan, wat nu reeds gezien wordt in het optreden van de partij tegenover haar dissentieerende leden, wijst er op, dat, mocht ooit de socialistische toekomst-staat op aarde verwezenlijkt worden, de wereld een oefening van gezag zou aanschouwen, waarbij zelfs de overdrijvingen waaraan kerk en burgerstaat zich op dit stuk hebben schuldig gemaakt, verkieslijk zouden worden.

Wat nu de voorloopers van het socialisme betreft, dan was het reeds de Saint-Simon f 1825, die, uitgaande van de toenmaals door velen verspreide stelling, dat de arbeid de eenige oorsprong van den eigendom was, leerde, dat de arbeid ook de maatstaf voor de maatschappelijke inrichtingen moest zijn; waaruit dan volgde, dat aan de arbeiders de eerste plaats in de samenleving toekwam. In zijn school gold dan ook de leuze: „aan ieder volgens zijne bekwaamheid, aan iedere bekwaamheid volgens haar werk", en stelde men den eisch, dat het goed niet zou overgaaan van de ouders op de kinderen, maar dat alleen de Staat zou erven, en dan de erfenissen verdeelen onder hen, die er het waardigst toe zijn. Ook hij wilde echter den privaat-eigendom niet geheel opheffen.

Evenmin bedoelde dit Charles L, Fourier t 1837. Hy toch wilde een „organisatie van den arbeid, " doordat de eigenaars, zonder hun eigendomsrecht te verliezen, de verschillende bedrijven gemeenschappelijk zouden uitoefenen, en wel zóó, dat zij met voortdurende afwisseling zich in de phalanstires of werkplaatsen zouden bezig houden met die takken van bedrijf, waartoe zij de meeste neiging en lust hadden.

Ten slotte zij, onder de voorloopers van het tegenwoordige socialisme, nog genoemd Louis Blanc f 1882, die de vrije concurentie wilde vervangen door den Staat als producent of voortbrenger te doen optreden, en bovendien de eerste was, welke van „een recht op arbeid" sprak, dat hij, door het oprichten van nationale werkplaatsen voor werkelooze arbeiders, wilde zien toegepast; verder, Karl Rodbertus f 1875, die aan het socialisme een wetenschappelijke tint gaf, door de leer, dat alle goederen slechts als product van arbeid waren te beschouwen; eindelijk Ferdinand Lasalle\ 1864, verdienstelijk beoefenaar van de geschiedenis der wijsbegeerte, machtig volksagitator, wiens naam vooral verbonden is aan een thans reeds opgegeven theorie over het arbeidsloon, bekend als de ijzeren loonwet.

TA^VI deze allen slechts als de voorloopers van het tegenwoordige socialisme te beschouwen, zijn stichter en tevens de man, die er een wetenschappelijken grondslag aan heeft gegeven is Karl Marx, een geboren Jood; een der „goden dezer eeuw"; in de kringen der sociaal-democratie, al verbiedt de materialistische leer ook alle adoratie, als den trooster der vermoeiden en beladenen aangebeden.

Door zijn befaamd hoofdwerk Das Kapital, waarvan het eerste deel in 1867 is uitgekomen en het tweede na zijn dood verscheen, heeft hij zijn partijgenooten alle wapenen geleverd om de inrichting der tegenwoordige maatschappij aan te vallen.

Marx werd geboren in i8i8 te Trier, studeerde te Bonn en te Berlijn, en begon als journalist. In Parijs legde hij zich toe op de studie der oekonomie en der maatschappelijke vraagstukken, en leefde daarna in Brussel, Keulen, Parijs en Londen, waar hij in 1883 stierf.

In het revolutiejaar 1848 vaardigde Marx met zijn vriend F. Engels \itt Manifest van de communistische partij uit.

Het was een oproep aan „de proletariërs van alle landen" om zich, met het oog op hun gemeenschappelijk lijden en hun gemeenschappelijke belangen, te organiseeren om de politieke macht aan zich te trekken en daardoor de „bourgeoisie" of de „heerschappij van het kapitaal" te breken. Van dien tijd dateert het: „proletariërs van alle landen, vereenigt u!”

In 1864 wist Marx te bewerken, dat in Londen een conventie of samenkomst plaats had van arbeiders van verschillende nationaliteiten, en dat, om een internationale organisatie van arbeiders te verkrijgen, de internationale arbeidersvereeniging gesticht werd. Ook ten onzent bekend als de „Internationale”.

Kenmerkend voor den geest dezer vereeniging was, dat zij in 1868 op haar congres te Brussel het besluit nam de religie te vervangen door een culte van die mannen, welke zich vroeger en later verdienstelijk hadden gemaakt voor de materieele, d. w. z. de stoffelijke belangen der menschheid; en dat zij in 1869 op haar congres te Bazel der maatschappij het recht toekende den privaateigendom aan grond en bodem om te zetten in communaal eigendom der gemeenschap.

Al spoedig bleek echter, dat het onmogelijk was een vereeniging van zoo verschillende elementen als de internationale arbeidersvereeniging, in stand te houden. Het éene gemeenschappelijke belang vermocht de onderscheidene nationale en individueele belangen op den duur niet te overheerschen; daarbij, kwam dat velen in hun ijver voor de „vrijheid", en hun anarchistische neigingen, zich aan geen leidend gezag wilden onderwerpen en zich van centralisatie afkeerig betoonden.

Het in de practijk des levens altijd zoo moeielijk probleem tusschen individualisme en socialisme, tusschen de rechten en plichten van den eenling en die der gemeenschap, kostte der Internationale het leven. Het laatste wereld-congres werd in 1873 gehouden; de generale-raad ontbonden; de poging van een wereld-organisatie der arbeiders was mislukt.

Toch leven de beginselen der Internationale of liever van Marx nog altijd voert in de tegenwoordige sociaal-democratie.

De sociaal-democraten zijn „principemenschen".

Ook in hun kringen heeft men het druk over „beginselen”.

Beginselen van wereld-en levens-theorie.

En op den grondslag der Marxistische beginselen wil men de maatschappij, de samenleving, inrichten.

De groote woorden, de klinkende leuzen, de gepeperde uitdrukkingen van het marktgeschreeuw doen slechts dienst als propaganda-middelen, — voor den oratorischen volksredenaar en den pakkend schrijvenden journalist, wier taak het is te overreden, te persuadeeren, te suggereeren, onmisbaar, — maar de innerlijke kracht der sociaaldemocratie, dat wat haar thans ook onder de meer ontwikkelden, met name onder de studeerende jongelingschap, aanhangers be­ zorgt, ligt in haar theoretische grondslagen, haar voor velen overtuigende, haar door Marx uitgedachte leerstellingen. En deze leerstellingen zijn twee.

Het zijn, zooals Marx' vriend en medearbeider Engels schreet: „de twee groote ontdekkingen: de materialistische opvatting van de geschiedenis en de onthulling van het geheim der kapitalistische productie door middel van de meerwaarde, welke wij aan Marx danken. Met haar werd het socialisme een wetenschap."

Metterdaad heeft dan ook, zoo door de leerstelling van „de materialistische opvatting der geschiedenis" als door die van de „meerwaarde" het socialisme zich een plaats veroverd in de denkwereld, in de wetenschap.

Een gevolg hiervan is, dat dan ook de Universiteiten, wier taak het is niet alleen bestaande wetenschap over te leveren aan haar studenten, maar ook die bestaande wetenschap te verrijken, thans rekening houden met „het socialisme", en dat al naar hdar grondslag is, of althans al naar de denkbeginselen zijn waarvan haar docenten uitgaan, de wetenschappelijke leerstellingen van het socialisme als juist en dus als 'n wezenlijke verrijking, of als onjuist en dus als een schijnbare verrijking van het weten óf aangeprezen óf verworpen zullen worden.

Bepalen wij ons eerst tot de eerste leerstelling van de sociaal-democratie of het Marxisme: de materialistische opvatting van de geschiedenis.

In het kort komt dat hierop neer, dat men de geheele historische ontwikkeling der menschheid uitsluitend moet verklaren uit de voorwaarden der stoffelijke productie of voortbrenging.

We zullen dit nader toelichten.

De leer van den Griekschen wijsgeer Heraklitus: „alles vloeit en niets blijft" door den meerdere dan hij, door Plato, in diens leer: „der eeuwige, onveranderlijke ideeën" overwonnen, was in de eerste helft der vorige eeuw door den Duitschen wijsgeer Uegel 11831 weer tot heerschappij gekomen. Voor Hegel was de wereld met al haar geestelijke en stoffelijke verschijnselen onderworpen aan een voortdurend proces van ontwikkeling waarin niets duurzaam is dan het eeuwig worden en vergaan; waarin alles „omslaat in zijn tegendeel”.

Even als de hierboven genoemde Z«JJ«//(? kwam ook Karl Marx uit de school van Hegel,

Van het Hegelianisme is echter bij Marx niet veel meer overgebleven dan het dogma van het eeuwige worden en vergaan; het bestendige proces der ontwikkeling.

Niet Hegel, wiens systeem doorging voor de ontdekking van het wereld-en levensraadsel, voor de absolute waarheid; niet Hegel, die als Idealist, het stoffelijke uit het geestelijke had trachten te verklaren en dan ook een geestelijken grond der wereld had aangenomen; j^maar Feuerbach f 1872 met zijn onverholen materialisme, de man van het: „der Mensch ist, was er iszt" — „de mensch is wat hij eet", werd voor Marx de wijsgeer.

Metterdaad is dan ook het materialisme, of de leer, dat het wezen der wereld materie, stof en niets dan sfof is, dat er mitsdien geen God is, dat mensch en dier niet wezenlijk onderscheiden zijn, en dat met het sterven alles uit is, door Marx de wereld-en levensbeschouwing van de sociaal-democratie.

Zoo de Hegeliaansche leer van het voortdurende ontwikkelingsproces met zijn eeuwig worden en vergaan als dit materialisme van Feuerbach brachten nu Marx tot zijn, — door zijn in 1895 gestorven vriend Engels zoo genoenide — „materialistische opvattting der geschiedenis.”

Volgens hem toch moet de ontwikkeling der menschheid uitsluitend hieruit worden verklaard, dat de productie en naast de productie de ruil harer producten, de grondslag van alle maatschappelijke inrichting is; dat in elke in de geschiedenis optredende maatschappij de verdeeling der producten of voortbrengselen en met haar de sociale indeeling in klassen of standen zich richt naar wat en hoe geproduceerd en hoe het geproduceerde uitgeruild wordt. Dientengevolge zijn de laatste oorzaken van alle maatschappelijke veranderingen en politieke omwentelingen niet te zoeken in de hoofden der menschen, maar in veranderingen der wijzen van productie en ruil; zij zijn te zoeken niet in de philosophic, maar in de oekonomie der verschillende tijdvakken.

Vandaar dan ook dat de toepassing der socialistische oekonomie of wetenschap van de huishouding der maatschappij, waartoe het volgens de Marxisten al meer en meer komt en komen moet, van lieverlede de tegenwoordige kapitalistische maatschappij

zich zal doen ontwikkelen tot de socialistische maatschappij. In haar zal dan uit de veranderde oekonomische verhoudingen ook een nieuw recht en een nieuwe zedelijkheid ontstaan, terwijl dan de religie van zelf verdwijnt.

Over de tweede leerstelling van de sociaal-democratie: die der meerwaarde, hopen wij te spreken in ons volgend artikel.

Dat artikel zal dan tevens zoo van deze twee leerstellingen der sociaal-democratie als van den privaat-en communalen eigendom een beoordeeling brengen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 mei 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 mei 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken