Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Genadeverbond en zelfonderzoek.

10 minuten leestijd

VI.

Naar aanleiding van ons voorgaande artikel werd de vraag gedaan of onze redactie niet met zichzelf in tegenspraak kwam, waar ze beweerde dat de regel: Doop al wat in het doophuis binnen gebracht wordt, niet Gereformeerd maar Roomsch was. Men wees er ons op, dat de Heraut vroeger bij de behandeling van de Leer der Verbonden juist omgekeerd verklaard had, dat é.& z& regel de korte saamvatting was van de dooppractijk onzer Gereformeerde vaderen. Thans verklaarden we lijnrecht het tegenovergestelde. De vraag is, waaraan dit verschil te wijten is.

Ook al breken we niet gaarne den draad van ons betoog af, toch mag een opheldering niet achterwege blijven, te meer omdat de vraag nog steeds van actueel belang is. Dr. Kromsigt heeft in een onlangs uitgegeven geschrift over den Doop op dit zelfde verschil gewezen, en volgens hem staat de zaak zoo, dat de Heraut vroeger het breede en ruime standpunt innam, dat ook onze vaderen hebben ingenomen, maar later onder invloed der „neocalvinistische" doopsopvatting en van het separatisme van dat Gereformeerde standpunt is afgegleden en min of meer in Labadistischen hoek is komen te staan.

Mogen we daarom eerst een korte historische toelichting geven.

Toen de Heraut zijn artikelen over de particuliere genade en de leer der verbonden schreef, lag dit terrein der Gereformeerde theologie zoo goed als geheel braak. De Vermittlungstheologie, die toen heerschte, voelde het belang van deze dogma's niet. Wat onze vaderen desaangaande geleerd hadden, lag onder het stof der eeuwen bedolven. Alleen in de kringen van ons volk, waarin het Gereformeerde leven in stilte nabloeide, werd de verbondsleer nog gekend, en het oor moest daarom wel te luisteren worden gelegd naar wat in die kringen als Gereformeerde leer gold.

Nu kende men in deze kringen natuurlijk geen Latijn en de standaardwerken onzer beste theologen, die meest in het Latijn geschreven waren, waren daarom voor hen een gesloten boek. Ook de bezielde tolken der Gereformeerde levensbeschouwing uit de 162 en het begin der 17e eeuw waren slechts bij uitzondering bekend, omdat hun werken zoo zeldzaam waren geworden en te hoog waren in prijs. Voorzoover de aansluiting aan het vroegere Gereformeerde leven geschiedde, liep de lijn meest over Brakel's Redelijken Godsdienst, of men verdiepte zich in Comrie's diepzinnige verhandelingen of men dreef op de gemoedelijke predicatiën van Smytegelt. AI te maal epigonen uit het laatst der 17e of uit de 18; eeuw, bij wie de oorspronkelijke kracht en frischheid der Gereformeerde theologie rseds min of meer verzwakt was. Onder deze „oude schrijvers" gold nu vooral Appelius als de theoloog voor de Verbondsleer. Hij was de laatste theoloog in de i8e eeuw, die de verbondsleer uitvoerig behandeld had in zijn Aanmerkingen op het Evangelie, de Leer der Hervormde Kerk bevestigd enz. en de helderheid van zijn voorstelling en de innige godsvrucht, die uit zijn werken straalde, hadden hem groot vertrouwen bij ons volk geschonken. Was het dus wonder dat onze redactie Appelius beschouwde als den tolk der Gereformeerde verbondsleer en zelfs zonder zijn naam te noemen, breede citaten uit zijne werken in haar artikelen overnam.

Nu willen we ook achteraf aan de uitnemende verdiensten van Appelius niets te kort doen. Hij was een vroom man, die omdat hij zelf voor de heiligheden des Heeren had leeren beven, met heel den gloed zijner ziel opkwam tegen de gansch oppervlakkige en uitwendige verbondsopvatting, die reeds in zijn dagen ingang begon te vinden. Men weet, hoe hij daarvoor gestreden heeft met zijn beide Groninger ambtgenooten. Ds. Hillebrandus Janssonius en Ds. van Eerde. Die strijd liep voornamelijk over het Avondmaal. Genoemde predikanten beweerden, dat de Sacramenten alleen voorwerpelijk de belofte Gods verzegelen en dat daarom ieder onergerlijk levend lidmaat der gemeente op de Sacramenten recht had. Ojk al was men niet bekeerd, men mocht toch naar het Avondmaal gaan om daar de verzekering te ontvangen, dat God de genade aanbood aan ieder die geloofde. Tegen die verbondsopvatting heeft Appelius toen kloek en beslist den strijd aangebonden. „De Sacramenten, zeide hij, zijn teekenen en zegelen van Gods besturenden wil, naar welken Hij zijne uitverkorenen heeft wedergeboren door het woord der waarheid, zoodat hen daardoor verzekerd wordt hun dadelijk aandeel aan Christus en de goederen van het genadeverbond." M. a. w. de verzegeling v/as niet voorwerpelijk maar onderwerpeüjk, en alleen de ware geloovigen hadden op de Sacramenten recht. Een onbegenadigde, die onergerlijk leefde, mocht wel niet door den kerkeraad van het Avondmaal geweerd worden, maar voor God en zijn geweten stond het hem daarom niet vrij tot des Heeren Disch te naderen. Want het Sacrament was door God alleen voor de waarlijk geloovigen bestemd.

Maar hoe zuiver Appelius ook op dit punt de Gereformeerde leer handhaafde, hij kwam in gedrang toen zijn tegenstanders hem op den kinderdoop wezen. ladien Appelius nu tot de oude Gereformeerde leer was teruggekeerd, dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn en daarom de doop wel degelijk voor hen een onder werpelijke verzegeling is van de hun geschonken genade, d=-n zou hij deze tegenv-^erping gemakkelijk genoeg hebben kunnen weerleggen. Maar Appelius deed dit niet. Integendeel, hij ontkende zoo beslist moj^Iijk, dat een „onderstelde of daadlijke wedergeboorte" aan den doop zou voorafgaan; ook wil hij niets weten van een „za.ud des geloofs, " dat reeds in de kinderen des verbonds zou gevonden worden. Daarbij kwam, dat hij de werking van het Sacrament door „de poort van het gevoel" op het bewustzijn liet werken en daarom bij de kinderen, die zelf van den doop niets merken, van geen genadewerking van het Sacrament weten wilde. Ook de uitweg van Beza, dat het geloof der ouders voor dat der k'-nderen iü de plaats komt, v/ees hij af, omdat niet een plaatsvervangend geloof, maar alleen het eigen geloof door het Sacrament kan gesterkt worden. En waar Appelius ru toch niet op de klip eener voor wer pel ij ke verzegeling wilde vervallen, leerde hij, dat de doop eigenlijk niet een teeken en een zegel is voor dat kind dat gedoopt wordt; ook niet voor de ouders, die het kind ten doop aanbieden (want dan zouden alleen waarachtig geloovigen hun kinderen mogen laten doopen) maar voor de gemeente der ware geloovigen, ia wier midden die doop bediend werd. Het is dan feitelijk de gemeente, die in het lichaam van dat kind het sacrament ontvangt. Reden waarom de doop dan ook nooit aan huis, maar alleen in de saamkomsten der gemeente bediend worden mocht. De sacramenteele actie bestond dus daarin dat de ware geloovigen in de gemeente den doop zagen bedienen.

Gelyk de besnydenis ran Abrahams zaad een Sacrament was, voor Abraham, van het verbond dat God, met Abraham, gemaakt hadde, aangaande zijn zaad: zo is de kinderdoop een Sacrament en een zegel, niet voor dat kind in 't byzonder, ia wiens lichaam de doop bediend wordt, maar voor de gemeente, met welke God zyn verbond, aangaande haar zaad, gemaakt heeft, welke dit Sacrament onlfangt, in het lichaam van haar kinderen.

Waarom dit zoo zijn moet, legt Appelius aldus uit:

De kinderdoop kan, voor dat kitid in 't byzonder, in wiens lichaam de doop bediend wordt, geen zegel zyn, tot versterking van zyn geloye, nog een zedelyk middel tot zyne bekeering, door op zijn gezigt-en gevoel poort te werken, wanneer alle andere middelen hebben stil gestaan: maar dezelve moet een Sacrament zyn voor de gemeente, tot versterking van haar gelove, aangaande het verbond, dat God, met Abraham den Vader aller gelovige, en met haar, als de Moeder, gemaakt heeft, aangaande haar zaad. Want, dat kind doet zig niet doopen: maar de gemeente begeert en ontvangt den doop, in het lichaam van dat kind. Dat kind heeft geen historisch geloof, het welk, doordat middel des doops, gesterkt kan worden: maar de gemeente heeft het zaligmakend geloof, dat door het Sacrament, versterkt wordt. Dat kind heeft, aan het verbond, dat verzegeld wordt, gene toestemming gegeven: maar de gemeente heeft dat gedaan. Het kind kan geen gebruik maken van dat zegel: maar de gemeente. Om deze reden wordt ook de kinderdoop, in de vergaderinge der gemeente bediend. Nu is het immers zonneklaar, dat het zegel des verbonds, voor niemands anders, een zegel kan zyn, dan voor hen, met welke het verbond gemaakt is, die het zegel begeren, het kind doen dopen, en tot versterking van hun gelove, daar van gebruik maken.

Op dit standpunt doet het er natuurlijk niet toe, uit welke ouders dat kind geboren is. Uitdrukkelijk zegt Appelius dan ook, dat de grond voor den doop niet ligt in het geloof der ouders; ook niet daarin dat de ouders lidmaat der kerk en gerechtigd tot het Avondmaal zijn ; en zelfs niet in het geloof der voorouders. Want God verzegelt door den doop zijn belofte niet aan dat kind en die ouders, maar aan de ware geloovigen in de gemeente, dat Hij hun God en de God van hun zaad zal zijn.

Vandaar dat Appelius dan ook zoover gaat van te leeren, dat de Kerk ook kinderen van gansch goddelooze ouders doopen moet; dat dit evenzoo geldt van vondelingen, ook al zijn het wellicht jodenkinderen; ja dat zelfs kinderen van heidensche ouders gedoopt moeten worden, wanneer ze maar in een Christelijk gezin aangenomen en opgevoed worden. Niet het feit of een kind uit geloovige ouders geboren wordt, beslist volgens hem over het recht op den doop, maar of dat kind in „zekere betrekking tot de Christelijke Kerk staat", gelijk hij het uitdrukt. Ook hier geven we Appelius, gevoelen met zijn eigen woorden weer:

Ten anderen, dient men aan te merken, in welke kinderen, de gemeente het Sacrament ontfangt.

Gelyk Abraham het Sacrament van de belofte, die hem, voor zyn zaad, gedaan was, ontfing, en het lichaam van alle kinderen, die in zyn huisgezin waren, niet alleen die, uit zynen lyve, en uit geloovige ouders geboren waren, maar ook die uit onbekeerde dienstknegten gesproten waren, of welke hy, van vreemde afgodische volkeren, voor zyn geld gekogt, en, in zyn huisgezin overgebragt hadt; zo ontfangt de gemeente, tot hare overvloedige versterking, een Sacrament, in het lichaam van alle kinderen, welke zy, in haren uitwendigen schoot en huisgezin heeft, niet alleen, die uit haar of uit gelovige ouders geboren zyn, maar ook die, welke van onbegenadigde in haren uitwendigen schoot, gesproten zyn, of welke zy, als vondelingen, van vreemde en onbekende, als hare kinderen, voor welkere opvoeding zy zorgt, heeft overgenomen. Was het Sacrament ingesteld, om alleen bediend te worden, in het lichaam van kmderen, die, uit waarachüg ge lovige ouders geboren zyn: zo zouden zeer vele genen wettigen doop ontfangen hebben, en, 'nog, als ongedoopte zyn; ja de gemeente zoude, van vele kinderen, gene genoegzame zekerheid konnen hebben ofze wel wettig gedoopt waren. Alle Heiformde gemeentens tonen met haar gedrag, dat het hier, mat den kinderdoop, als met de besnydenisse in Abrahams huisgexin, gelegen isj wanneer zy, in het lichaam van vondelingen, van kinderen der onkundige, en der ergerlyke, welke in hare uiterlyke gemeenschap verkeeren, en beloven, datze de kinderen aan haar onderwijs overgeven, mede laten doopen. Aldus is de doop, van deze en gene kinderen, niet gegrond, in Jut gelove van hunne natuurlijke ouders, aan hen toegerekend, maar in de Godlyke insteliinge, en belofte, welke God aan de gemeente gedaan heeft, dat hy een God wil zyn van haar zaad, hetwelk zy, niet alleen uit hare lichamen, maar ook van vreemde ontfangen heeft.

Omtrent Appelius, gevoelen behoeft dus geen zweem van twijfel te bestaan. Vooral het voorbeeld, waarop hij zich telkens beroept, dat Abraham niet alleen zijn eigen kinderen besneed, maar ook de ingeborenen uit zijn huis, ofschoon daaronder kinderen van heidensche ouders waren, beslist. In hoeverre dit beroep op Abraham's voorbeeld juist is en of Appelius hier metterdaad het Gereformeerde gevoelen weergaf, zien we een volgend maal. Thans was het er ons alleen om te doen, te verklaren, waarom De Heraut in vroeger jaren, afgaande op het gezag van Appelius, schrijven kon: de regel der gereformeerde kerken was, doop alles wat in het doophuis binnen gebracht wordt. Want in dat korte Woord lag metterdaad Appelius' gevoelen, volkomen zuiver weergegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 2 December 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 2 December 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken