Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Genadeverbond en zelfonderzoek.

9 minuten leestijd

VII.

Het zal thans duidelijk geworden zijn waarom de Heraut vroeger, afgaande op Appelius, die in de gereformeerde kringen van ons volk als de autoriteit inzake de verbondsleer gold, zeggen kon, dat de regel onzer vaderen was: Doop al wat in het doophuis binnengebracht wordt. Appelius had dit metterdaad geleerd. Wanneer Dr. Kromsigt en de zijnen dit vroegere standpunt van de Heraut als het zuivere, echtgereformeerde thans tegen ons uitspelen, dan is dit psychologisch v/el te begrijpen. Wie een voorstander is van de Volkskerk, moet de toelating tot den doop wel zoo ruim mogelijk stellen. Heel het volk moet dan door den doop in de Christelijke Kerk worden opgenomen, om aldus gekerstend en met den Christelijken geest doortrok ken te worden. Heeft Christus zelf niet gezegd: „Gaat heen, onderwijst al de volkeren, hen doopende" f

Toch behoeft er waarlijk zulk een diepe studie van onze Gereformeerde belijdenisschriften. Synodale beslissingen en uitnemendste theologen niet gemaakt te worden om te weten, dat dit standpunt van Appelius door onze Gejeformeerde Kerk niet alleen niet gedeeld, maar uitdrukkelijk veroordeeld is. Reeds ons Doopformuüer wijst dit uit. Want al is het opschrift: Formulier om den Heiligen Doop aan de kinderen der geloovigen te bedienen, eerst van lateren tijd, de tweede doop vraag, waarin zeer beslist van de ouders gevraagd v/ordt „of zij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen des Christelijken gelooft begrepen is, en in de Christelijke Kerk alhier geleerd wordt, niet bekennen de waarachtige en volkomene leer der zaligheid te wezen", toont toch, dat dit opschrift, wat den zin en de bedoeling aangaat, volkomen juist is. Niet alle kinderen zonder onderscheid, maar alleen de kinderen der ge loovigen hebben recht op den doop. In onze Geloofsbelijdenis, art. XXXIV, wordt daarom telkens gesproken van „den doop der kinderkens der geloovigen", dien de wcderdoo pers verwerpen, maar dien de Gereformeerde Kerken handhaven, omdat „Christus zij: ; bloed vergoten heeft om de kinderkens der geloovigen te wasschen", „Daarom behooren sij' — d. z. de kinderkens der geloovigen — het tceken te ontvangen en het Sacrament van hetgeen dat Christus voor ~ hen gedaan heeft". En dat onze Catechismus er niet anders over denkt, blijkt uit het antwoord j op vraag 74, waar staat dat de kinderen „door den doop, als door het teeken des, Verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen moeten onderscheiden worden.^' Wie den doop aan alle kinderen zonder onderscheid toebedient, maakt den doop daardoor krachteloos; want volgens onzen Catechismus dient de doop juist om de kinderen der geloovigen van de kinderen der ongeloovigen te onderscheiden. Op het standpunt der Volkskerk valt deze onderscheiding geheel weg; of de ouders ongeloovigofgeloovigzijn, doeter voor den doop van het kind niet toe; heel het volk moet gedoopt worden, om daarna eerst zijn doop te leeren verstaan.

Eigenlijk zouden we met deze pertinente en afdoende uitspraken kunnen volstaan. Wat Appelius omtrent den kinderdoop leerde, kan niet beslister en duidelijker weersproken worden, dan dit door onze belijdenisschriften geschiedt. Volgens Appelius is de doop een sacrament niet voor de kinderen, die gedoopt worden, maar voor de geloovigen, die den doop zien bedienen. Volgens onze belijdenis is de doop een sacrament, waardoor Christus aan de kinderkens bezegelt, wat Hij voor hen heeft gedaan. Volgens Appelius moeten alle kinderen gedoopt worden, onverschillig of zij uit geloovige ouders geboren zijn of niet; volgens onzen Catechismus dient de doop juist om de grenslijn te trekken tusschen de kinderen der geloovigen en der ongeloovigen. Zoo lang men nog erkent, dat onze geloofsbelijdenis en onze Catechismus de uitdrukking zijn van de leer onzer kerken, kan over dit punt dus geen twijfel bestaan.

Slechts ten overvloede wijzen wij er nog op, hoe deze zelfde vraag ampel en breed op de Dordsche Synode in 1618/19 is ter sprake gekomen, omdat bij de discussie over dit punt dezelfde voorbeelden, waarop Appelius zich beroept, uitvoerig besproken en vi^eerlegd zijn. De predikant van Jacatra, Ds. Hulsebos, stond n.I. voor de moeielijke vraag „of men de kinderen der heidehen in Oost-Indië zal mogen doopen, die t' eenenmale overgegaan zijn in de familie der Christenen en die een Christen hebben, die belooft dezelve in de Christelijke religie op te voeden." Hij zond die vraag naar den Amsterdamschen kerkeraad, die haar belangrijk genoeg achtte om haar door zijn afgevaardigden op de Synode te Dordt te brengen. Op de Synode bleek over deze vraag wel eenig verschil van gevoelen te zijn. Juist die afgevaardigden, die op de Synode voortdurend een min ofmeer zwakke positie hebben ingenomen, n.I. de Engelschen en Bremers, adviseerden dat men deze kinderen wel doopen zou. Ze beriepen zich daarbij, evenals Appelius later, op het voorbeeld van Abraham, die niet alleen zijn eigen kinderen, maar ook de ingeborenen van zijn huis besneed; en ze wezen ook, wederom evenals Appelius, op de praktijk der oude kerk, die vondelingen doopte, zonder onderzoek te doen of de ouders dezer kinderen wel Christenen waren geweest. De Zwitsersche afgevaardigden, en bijna alle inlandsche leden der Synode, hebben zich daartegen echter met hand en tand verzet. Kinderen uit heidensche ouders geboren, waren niet in het verbond der genade begrepen, en hadden dus geen recht op den doop; de adoptie van zulke kinderen in een Christelijke familie, gaf wel aardsche, maar geen he'melsche rechten. Het voorbeeld van Abraham deed niets ter zake, want er stond wel dat God Abraham gelastte ook „de ingeborenen van het huis en de gekochten met geld van ailen vreemde, welke niet is van uw zaad te besnijden", maar niets bewees, dat hiermede „kinderen van heidensche ouders" bedoeld waren, die nog te jong waren om zelf in Abraham's God te gelooven. De „gekochten" waren volv/assen slaven; de „ingeborenen", kinderen die uit deze slaven in Abraham's gezin geboren waren. En waar veilig mocht verondersteld worden, dat Abraham geen afgodendienaars in zijn gezin duldde, maar ook van zijn knechten efschte, dat zij den waarachtigen God zouden dienen, daar kon aan hen en aan hun kinderen op dien grond het teeken der besnijdenis geschonken worden. Ook de practijk der Christelijke Kerk om vondelingen te doopen, kon hier niet als bewijs worden aangevoerd; want de Christelijke Kerk doopte zulke vondelingen niet in een heidenland, maar in een Christelijk land, waar verondersteld kon worden, dat deze kinderen, hoe schrikkelijk de zonde der ouders was, toch uit Christelijke ouders, en dies in het Genadeverbond waren geboren. Zelfs voor de bedenking, dat het toch schrikkelijk zou zijn, wanneer zulke kinderen ongedoopt kwamen te sterven, ging men rdet uit den weg, want terecht werd daartegen opgemerkt, dat we toch niet Roomsch zijn en niet gelooven, dat een ongedoopt kind niet zalig worden kan. De zaligheid van zulke kinderen kon men aan Gods barmhartigheid overlaten, maar de Kerk heeft bij de toediening van den doop alleen met Gods geopenbaarden wil te rekenen, en die wil is, dat het teeken des doops alleen aan de kinderen der geloovigen bediend zal v/orden. Na eene discussie, die twee dagen duurde, behaalde het gevoelen der Zwitsersche afgevaardigden de overwinning, en met groote meerderheid van stemmen besloot de Synode, dat de kinderen uit heidensche ouders geboren, ook al werden ze in Christelijke familiën opgenomen, niet mochten gedoopt worden, voordat ze eerst in de Christelijke religie onderwezen waren en belijdenis des geloofs hadden afgelegd.

Zooals men ziet, heeft de Dordtsche Synode het door Appelius voorgestane gevoelen dus "wel gekend, maar veroordeeld. En wie dit gevoelen van Appelius ook nu nog als het zuivere echt-gereformeerde standpunt handhaven wil, heeft te verklaren hoe het dan komt, dat onze vaderen te Dordt juist omgekeerd hebben geoordeeld.

Hiermede is deze zaak afgedaan. Voorzoover onze redactie zelve vroeger, op Appelius' gezag afgaande, dit gevoelen voorgestaan heeft, voegt het ons niet over hen, die dit nog doen, een hard

oordeel te vellen. Maar wanneer men ons verwijt, dat de „eigenaardige doop-opvatting yan de Heraut" en ons „breken met de volkskerk" oorzaak zijn, dat we het „echtgereformeerde standpunt" hebben prijsgegeven, sta daartegenover ons beslist protest. Betere bestudeering van wat onze Gereformeerde kerk èn in haar symbolen èn op haar synoden zoo klaar en duidelijk had uitgesproken, heeft ons getoond, dat Appeiius zich op dit punt radicaal vergist had. Voor die uitspraak onzer Gereformeerde kerk hebben we het hoofd gebogen, niet alleen omdat onze kerk het zoo beleed, maar bovenal omdat die belijdenis in overeenstemming is met wat Gods Woord ons leert.

Slechts ter voorkoming van alle misverstand voegen we hieraan toe, dat de beperking van den doop tot de „kinderen der geloovigen" noch door onze Vaderen, noch door ons ooit bedoeld is in dien zin, dat de Kerk den doop alleen bedienen mocht aan de kinderen van zulke ouders, van wie vast stond, dat ze waarachtig bekeerd waren. Dat is de dwaling der Labadisten, die, hoe vaak men De Heraut hiervan ook beschuldigd heeft, door niemand beslister dan door ons weersproken is. Oi^er den innerlijken toestand van het hart kan de Kerk geen oordeel vellen. De intimis non judicat ecclesia. Belijdenis en wandel zijn de kenteekenen, waarnaar de Kerk van Christus alleen te vragen heeft. Wie door belijdenis en wandel als een geloovige zich aandient, moet door de Kerk als zoodanig erkend worden, ook" al is hij wellicht voor Gods alwetend oog een huichelaar. Zelfs aarzelen we geen oogenblik met onze vaderen te erkennen, dat de kring van het Genadeverbond hier niet beperkt mag worden tot het instituut der Gereformeerde Kerk alleen, maar alle Christelijke Kerken omvat, en een kind uit Roomsche ouders geboren, ook in onze Kerken gedoopt zou mogen worden, wanneer waarborg voor een waarlijk Christelijke opvoeding gegeven werd. En evenzoo breken we met onze vaderen de lijn van het Genade verbond niet terstond afin het eerste geslacht. Op grond der belofte, dat God de God niet alleen van ons zaad, maar ook van ons zaadszaad zijn wil, kunnen ook kinderen gedoopt worden, wier grootouders geloovig waren, al zijn de ouders afgeweken van Gods verbond. Enghartig en bekrompen is de Gereformeerde beschouwing dus niet; zoover de lijn van het Genadeverbond strekt, handhaven we het recht van de kinderen op den doop. Maar aan de andere zijde willen we ook Gods heilig sacrament niet „gemeen" maken door het uit te deelen aan alle kinderen zonder onderscheid. De doop moet het teeken blijven, dat de kinderen der geloovigen van die der ongeloovigen onderscheidt. Een volkskerk, „die doopt al wat in het doophuis binnengebracht wordt", wischt de grenslijn tusschen kerk en v/ereld uit en vergrijpt zich aan de heiligheden van den Heere onzen God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 december 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 december 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken