Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Genadeverbond en zelfonderzoek.

10 minuten leestijd

XVIII.

Het zal thans duidelijk zijn, waarom het Genadeverbond onder Israel een nationaal karakter moest aannemen, maar ook waarom onder de Nieuwe bedeeling van zulk een nationaal verbond geen sprake meer zijn kan.

Onder den dienst der schaduwen en ceremoniën moest de waarheid, dat God de Heere dit verbond heeft opgericht met den Messias en zijn uitverkoren volk, weizichtbaar en in beeld worden voorgesteld. God koos daartoe een aardsche natie, een bepaald volk, dat als type optrad van het ware volk Gods. Maar zoodra de bedeeling der schaduwen voorbij is, wordt het type vervangen door de realiteit; het vleesche lijke Israel, de aardsche natie wordt verworpen, en in plaats daarvan treedt het ware Israel, het geestelijke volk Gods, de gemeente der geloovigen.

Hieruit volgt van zelf, dat ook de ordinantie Gods voor het teeken des Ver bon ds een wijziging moest ondergaan. Niet alles wat onder het Oude-Testament ten opzichte van besnijdenis en pascha bepaald is, kan zoo maar op doop-en avondmaal worden toegepast. De verandering in het Verbond brengt ook een verandering meê ten opzichte van het teeken des Verbonds. En de vraag moet daarom beantwoord worden, waarin die verandering bestaat.

Ook hier stellen we weer op den voorgrond, om alle misverstand af te snijden, dat we met onze vaderen aan de wezenlijke eenheid van de Sacramenten van het Oudeen Niéuwe-Testament beslist vasthouden. Omdat het Genadeverbond zelf niet pas met het Niéuwe-Testament begint, maar terug reikt tot het Paradijs, zijn de Sacramenten als teekenen van het Verbond der Genade voor de geloovigen des Ouden Verbonds niet alleen schaduwen en uitwendige typen geweest, maar hebben ze tegelijk werkelijk de weldaden des Verbonds verzegeld. De onderscheiding, die de Roomsche Kerk maakt tusschen de Sacramenten van het Oude-en Niéuwe-Testament, dat „de eerste de genade niet veroorzaken, maar alleen afbeelden, dat deze genade door het lijden van Christus zal geschonken worden, terwijl de laatsten de genade bevatten en meedeelen aan allen, die ze waardig ontvangen", gaat daarom aan beide zijden mank. Aan de Sacramenten van het Nieuwe Verbond wordt hier een kracht toegekend, die e niet bezitten, en de sacramenten van het ude Verbond worden daarentegen onderchat. Wat Paulus zegt in Rom. IV : 11, dat braham het teeken der besnijdenis ontving ot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs oont dit voldoende. Ook de Sacramenten an het Oude Verbond hadden een veregelende kracht; ze wezen niet alleen op en toekomstige genade, ze waren tegelijk v v g a v G u t g D g G a d g t h o d f e k W b n e nderpanden en zegels van de ontvangene enade.

En even beslist als we met onze vadeen het wezenlijk sacramenteele karakter an de teekenen des Ouden Verbonds tegenver Rome handhaven, houden we ook et deze vaderen, nu in hun strijd met e Wederdoopers, staande, dat de verbondselofte aan Abraham geschied: dat God iet alleen zijn God maar ook de God van ijn zaad wilde zijn, geldt niet alleen voor et Oude Verbond, maar ook voor het ieuwe Verbond. Voor zoover de besnijenis die belofte verzegelde aan den gelooigen Israëliet voor hem en voor zijne kineren, kan dus metterdaad gezegd worden, at „de Doop nu in de plaats der Besnijenis gekomen is" en men daarom „de kineren als erfgenamen van het Rijk Gods en van zijn verbond doopen moet", of gelijk nze Geloofsbelijdenis het uitdrukt „dat de kinderen der geloovigen behooren gedoopt n met het merkteeken des verbonds verzegeld te worden, gelijk de kinderen in Israël besneden werden op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan zijn."

Aan de wezenlijke eenheid van de Sacramenten van beide Bedeelingen doen we dus allerminst te kort. Maar dit toch neemt niet weg, dat er een onderscheid is, dat onze vaderen ook wel erkend hebben, al hebben ze het niet altoos even klaar en duidelijk doen uitkomen. Aan de sacramenten des Ouden Verbonds kleeft wel degelijk een schaduwachtig en typisch karakter, dat onder de Nieuwe Bedeeling vanzelf vervallen moest. Turretinus, om ons alleen op hem te beroepen, zegt in zijn Institutio Theologiae Elenc' ticae t III p. 416 dat de sacramenten van het Oude Testament „in a^éani sua Legali fuerunt umbrae et typi rerum futurarum; Heb. 10 : I et Coloss. 2 : 17" ^); ook al hebben ze in hun oxéasi Evangelica 2) Christus met zijne weldaden op hunne wijze aangeboden en toegepast.

Voor zoover de sacramenten tot de wet der ceremoniën behoorden, waren ze typen en schaduwen, en dat typische karakter komt uit niet alleen in het teeken zelf, maar ook in de personen aan wie het teeken geschonken werd. Er is dan ook niemand die dit ontkent. Onder de Oud-Testamentische bedeeling gaan beide sacramenten, besnijdenis en pascha, met bloedstorting gepaard. Nu het wezenlijke offerbloed op Golgotha vergoten is, houdt dit op. De besnijdenis wordt vervangen door het waterbad des doops, en het paaschlam, dat geslacht wordt, door het breken des broods en het vergieten van den wijn. En evenzoo is het met de ordinantie Gods, dat het sacrament der besnijdenis op den achtsten dag moest bediend worden en dat alleen kinderen van het mannelijk geslacht dit teeken ontvangen zouden. Onder het Nieuwe Testament, nu het „onderscheid der dagen" is te niet gedaan, is er geen de minste reden meer om een kind juist op den achtsten dag te doopen. En waar de Apostel ons leert, dat „in Christus noch man noch vrouw" is, doopt de Christelijke Kerk terecht niet alleen de kinderen van het mannelijk, maar ook van het vrouwelijk geslacht. En precies hetzelfde geldt ook van het Pascha. Onder Israel mocht het pascha slechts eenmaal in het jaar gevierd worden, onder het Nieuwe-Testament denkt niemand er meer aan het Avondmaal alleen op het Paaschfeest te vieren. Aan het Oud-Testamentische pascha nam heel het gezin van den Israëliet deel, ook de kleine kinderen; voor het Nieuwe-Testament geldt de regel, dat ieder die tot het Avondmaal toetreedt, vooraf zich zelf te beproeven heeft en geeft de Christelijke Kerk daarom het sacrament alleen aan degenen, die tot jaren des onderscheids zijn gekomen en belijdenis des geloofs hebben afgelegd.

Stemt men dit alles toe, dan gaat het ook niet aan, den regel, dat oilder Israël heel het volk aan deze Sacramenten moest deelnemen, voor het Nieuwe Testament van toepassing te verklaren. Bij Israël, waar het Genadeverbond in een nationale gestalte optreedt, moeten de teekenen des verbonds ook nationaal zijn. Het een volgt noodzakelijk uit het ander. Omvat het verbond heel het volk als zoodanig, dan moeten ook alle kinderen van dat volk besneden worden en moeten alle gezinnen van dat volk aan den Paaschmaaltijd deelnemen. Volks'hesniy denis en volks-pascha, hooren bij het volksverbond, dat met Israël gesloten is. Het een is zonder het ander niet denkbaar. Zoo sterk wordt dit dan ook gehandhaafd, dat wie onder Israel niet besneden werd of niet aan het Pascha deelnam, moest uitgeroeid worden uit het volk.

Onder het Nieuwe Verbond, nu dit uitwendige nationale karakter van het Genadeerbond ophoudt, kan de doop echter geen olksdoop meer zijn. Of liever, ook hier aat het type in de vervulling over. Evenls Israel, het uitwendige volk, plaats maakt oor het geestelijke Israel, het ware volk, ods, zoo moet het bevel Gods, dat elk kind it Israel geboren, besneden moet worden» hans van het geestelijk volk Gods, van de emeente der geloovigen worden verstaan. e doop verzegelt de beloften Gods aan de eloovigen en hun zaad. Dat is de ordinantie ods voor het Nieuwe Verbond, gelijk niet lleen blijkt uit het exempel der Apostelen, ie alleen de geloovigen en hun kinderen edoopt hebben, maar ook uit wat de Aposel Paulus in I Cor. 7 ons leert over de eiligheid der kinderen, die uit geloovige uders geboren zijn.

Ten slotte zij er nog op gewezen, dat aardoor alleen het anders onbegrijpelijke eit te verklaren is, dat Johannes de Dooper n de Apostelen van Christus den eisch van beeering en doop totde Joden hebben gebracht. aren besnijdenis en doop precies hetzelfde, eteekenden en verzegelden ze dezelfde geade op dezelfde wijze, dan zou de besneden Jood niet opnieuw behoeven gedoopt te worden. Het teeken van de inlijving in het Genadeverbond kan toch uit zijn aard niet herhaald worden; wie eenmaal ingelijfd is, kan niet opnieuw ingelijfd worden. Is de doop niet anders dan de besnijdenis dan hadden de Apostelen van Christus wel de nog niet besneden kinderen kunnen doopen, maar niet de reeds besneden Israëlieten.

1) »In hun wettischen vorm waren ze schaduwen n voorbeelden der toekomstige dingen."

2) Evangelischen vorm.

Toch zien we dat dit wel gebeurt. Christus zelf is eerst besneden en daarna gedoopt. En zoo wordt ook de Christelijke doop zelfs in de eerste plaats tot Israel gebracht, niettegenstaande Israel reeds besneden was en in het verbond stond. En dit gold niet alleen voor den volwassen Jood, maar ook voor zijn kinderen. De Israëliet, die tot het geloof in den Messias kwam, werd gedoopt met zijn gezin, dus met zijne kinderen, niettegenstaande die kinderen in de besnijdenis het teeken des Verbonds reeds hadden ontvangen.

Indien de doop evenals de besnijdenis een nationaal teeken was, zou dat ondenkbaar zijn geweest. Ziet men daarentegen in, dat de besnijdenis bij Israel als volk behoorde en inlijfde in het volks-verbond, terwijl daarentegen de doop niet in een bepaald volk inlijft, maar het teekenis der inlijving in het geestelijke volk, in de Christelijke Kerk, dan vervalt de moeilijkheid van zelve. Zoodra de Nieuwe bedeeling aanbreekt, vervalt het volksverbond, gaan kerk en volk uiteen, en moet daarom het nationale teeken vervangen worden door den christelijken doop en dient die doop juist om onder hetjoodsche volk scheiding te maken tusschen dat deel, dat in den Messias gelooft, en dat deel, dat den Messias verwerpt, De besnijdenis drukte deeenheid van Israels volksbestaan uit, de doop breekt die eenheid voor goed.

En zoo zal het ook duidelijk worden, waarom de Christenen uit de Joden, zoolang het Joodsche volk nog een eigen nationaal bestaan had en zij daarvan deel uitmaakten, tegelijk de besnijdenis en den doop ontvangen konden. De Jerusalemsche gemeente heeft de besnijdenis nog onderhouden totdat met de onderdrukking van den opstand van Bar Chocba en de volkomen verwoesting van Jerusalem, Israels nationaal bestaan vernietigd was. Eerst na 135, dus een eeuw na de stichting der gemeente, trad de eerste onbesneden christelijke bisschop te Jerusalem op, gelijk Eusebius en Sulpicius Severus ons uitdrukkelijk getuigen.

Dat de Joodsche Christenen zoolang de besnijdenis onderhouden hebben naast den doop was omdat ze als burgers van het Joodsche volk besneden moesten worden. Die besnijdenis was teeken van hun nationaliteit, evenals de doop van het toebehooren tot Christus gemeente. Zoo vielen toen de beide elementen, die in het Sacrament des Ouden Verbonds nog vermengd waren, uiteen. De doop was voor hen het ware sacrament, het bad der wedergeboorte; de besnijdenis alleen een uitwendig teeken, dat ze tot Israel behoorden. Maar juist daaruit blijkt dan ook zoo klaar en duidelijk, dat dit nationale karakter van het teeken des Verbonds niet behoorde tot het wezenlijke en blijvende van het sacrament, maar slechts een schaduw en type is geweest, die onder het Nieuwe Verbond heeft opgehouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken