Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pro Hege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Pro Hege.

18 minuten leestijd

XII.

Macht tegen mij. Joh. 19: II.

Moet onder de machten, die het Koningschap van Christus pogen te verdringen om er zich voor in de plaats te schuiven, ook de Overheidsmacht gerekend worden.' Velen stellen zich dit, min nadenkend, zoo voor, maar geheel ten onrechte. Immers de Overheidsmacht is niet in 't Koningschap van Christus begrepen. Gelijk vanzelf spreekt, kan ook die Overheidsmacht zich tegen zijn Koningschap keeren, en zijdelings pogen het te ondermijnen, terwijl omgekeerd ook de Overheidsmacht geroepen is, de glorie van den Christus te dienen; maar dit alles neemt niet weg, dat het onderscheid tusschen het Koningschap van Christus en de Overheidsmacht op aarde scherp in het oog moet worden gevat. In het verder verloop van ons betoog zal dit breeder worden toegelicht, maar toch dient nu reeds tegen misverstand gewaakt, en moet althans de hoofdlijn, die de grens aanwijst, worden uitgestippeld.

Jezus uitspraak, dat „hem gegeven is «//< ? macht in hemel en op aarde", is vaak zóo verstaan, dat dus ook de Koningen en Vorsten der aarde hun Overheidsgezag aan den Christus ontleenden. Van Roomsche zijde is dit zelfs in dien zin uitgewerkt, dat alle Vorstelijke hoogheid uit den Christus is af te leiden, en dat alzoo de Stedehouder van Christus op aarde ook Kroon en Scepter te geven en te ontnemen heeft. Hiermee werd wel niet ontkend, dat de Overheid regeerde bij de gratie Gods, maar de opdracht en de overdracht van het gezag werd verstaan in middellijken zin. De Overheidsmacht was wel een macht uit God, maar die in naam des Vaders door den Christus en alzoo middellijk aan den magistraat toekwam. Van Gereformeerde zijde heeft men er daarentegen steeds nadruk op gelegd, dat de opdracht van het gezag aan de Overheid een onmiddellijk karakter droeg, en dat hierbij niet aan den Christus als tusschenpersoon mocht gedacht worden. Uitgewerkt hebben onze Gereformeerde Theologen dit punt niet. Slechts onder tweeërlei opzicht is het bij hen aan de orde gekomen. Eerst in den strijd met de Roomsche godgeleerden inzake het gezag van den Paus over de Vorsten; en ten tweeden male in hun verzet tegen de Remonstranten, die omgekeerd aan de Overheid een gezag in de kerk, een jus in sacra, wilden toekennen, en dit poogden af te leiden uit de macht die op haar uit den Christus afdaalde. Slechts voor zoover dit onderwerp in de geestelijke worsteling dier dagen was opgenomen, hebben zij het uitgeplozen, maar niet het in zijn diepte doorgrond. Dit bleef aan onzen tijd voorbehouden, nu de tegenstelling tusschen het middellijk en onmiddel lijk karakter van het O verheids gezag door den strijdtegen den modernen tijdgeestvan zelf aan de orde is gekomen. In zooverre echter trokken ze delijnder tegenstelling juist, dat ^ klaar en duidelijk het pleit voor het onmiddellijke, het immediate karakter van het Overheidsgezag, als rechtstreeks uit God af te leiden, opnamen en volhielden. Uitgangspunt en grondsl^ was hun hierbij de apostolische verklaring in Rom XIII. Geen apostel heeft met meer nadruk dan de man van Tarsen, de macht van den Christus in al haar glorie doen schitteren. En toch, *aar het in Rom. XIII er op aankwam, de juiste verhouding van den belijder van den Christus tot de Overheid vast te stellen, liMft hij dit gedaan in bewoordingen, die '^sn Christus geheel buitensluiten, en waarin geen oogenblik en met niet één letter van ^enigen anderen oorsprong van het Overheidsgezag anders dan in God Drieëenig sprake 'S-Christus wordt in heel dit verband zelfs "'et genoemd, en daarentegen wordt in ^«ze korte verzen tot vijfmalen toe de naam yan God op den voorgrond gesteld. „Er 'S geen macht dan van God". „De machten dje er zijn, zijn van God verordend". »Wie zich tegen de Overheidsmacht stelt, Wederstaat de ordening Gods" „De Over-««d is Gods dienaresse, u ten goede". En "ndelijk, ze „is Gods dienaresse, als een wreekster tot straf dengene, die kwaad °oet". En in heel dit hoofdsruk van ^oin. XIII komt de naam van den Heere •f^sus Christus eerst heel aan het einde wee ""or» in het laatste vers, waar geen sprake ""eer is van het Overheidsgezag, maar in-'^gendeel van den geestelijken invloed op het saamleven der burgers, als het heet: „Zoo °et dan aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden."

Wat Jezus zelf tot Pilatus sprak, bevestigt dit. Zooals blijkt uit Joh. 18 : 36, stelde Jezus zich tegenover Pilatus, niet in zijn positie als Verlosser van zonde, noch als de Voleinder der profetie, maar als Koning. De Profeet en Hoogepriester trad terug, om zich als Koning tegenover den Stedehouder van den Keizer te stellen. Dat Pilatus hiertoe aanleiding gaf door zijn vraag: Zijt gij dan een Koning? " doet niets ter zake. Jezus is op die vraag ingegaan. Beslist luidde zijn antwoord: Ik ben niet alleen een Koning, maar hiertoe ben ik ook geboren en in de wereld gekomen." En niet alleen dat Jezus allen nadruk legde op zijn Koningschap, maar hij sprak met even stelligen nadruk van zijn Koninkrijk. Edoch, zoo, dat hij den aard èn van dat Koningschap èn van dat Koninkrijk in zijn eigenaardig en bijzonder karakter nader omschreef. De kracht van zijn Koningschap lag daarin, dat hij „gekomen was, om der waarheid getuigenis te geven, ", en zijn Koninkrijk was hierin van het Koninkrijk der aardsche vorsten onderscheiden, dat hunner het Koninkrijk der wereld was, en dat zij een gewapende macht onderhielden om dit hun Koninkrijk te verdedigen; terwijl omgekeerd Jezus'Koninkrijk „niet van deze wereld was", en dat, al had ook hij dienaren, zijn dienaren niet voor hem met het zwaard mochten strijden. Een karaktertrek van zijn Koningschap en Koninkrijk, dien hij nader bevestigde door zijn slotwoord: Mijn Koninkrijk is niet van hier". Dat der Koningen en Keizers was wel van hier, maar niet het zijne.

Maar er is meer. Jezus had niet tot Pilatus gezegd, dat hij Koning stond ie worden; dat hij eerst door zijn opstanding en door zijn hemelvaart zijn Koninkrijk verwerven zou, en eerst zóó zou gekroond worden. Neen, als Koning stelde hij zich tegenover & .t.i\ Stedehouder van den Keizer Ais door God gezalfde Koning tegenover het Koninkrijk der wereld. En toch, in die volle majesteit van zijn Koningschap voor Pilatus staande, heeft hij erkend, dat de Keizer van Rome macht over hem had, macht van Boven, macht van God. En wel zulk een macht, dat in naam van den Keizer Pilatus hem kon gevangen houden en loslaten, en ook hem aan het recht van Roma's Keizer tot in den dood kon onderwerpen. Dat Pilatus, door Jezus tot den dood te veroordeelen, zou zondigen, sprak vanzelf, maar slechts in zooverre als hij, in zijn quaiiteit van rechter, niet naar recht, maar tegen het recht in het doodvonnis over Jezus zou uitspreken. Vandaar dat Jezus er bijvoegde : „Maar die mij aan u hebben overgeleverd, hebben meerder schuld, begaan grooter zonde". Het was te Jerusalem een gemengde rechtspraak. Eenerzijds een rechtspraak van het Sanhedrin, en anderzijds een rechtspraak naar het Romeinsche recht. En in zooverre nu de Romeinsche rechter, voor wat de feitelijke gegevens betrof, het vonnis van het Sanhedrin niet geheel buiten rekening kon laten, rustte een dubbele verantwoordelijkheid op de Joodsche rechtbank, die Jezus, als door het Sanhedrin ten doode gewijd, voor zijn rechterstoel bracht. Vandaar de zonde bij Pilatus. maar de nog grooter zonde van het Sanhedrin. Doch al was er vermenging van recht, en inmenging in dat recht van tweeërlei, in graad verschillende, zonde, — dit heeft niet belet, dat Jezus zonder eenig voorbehoud erkend heeft, dat Pilatus, als stedehouder van den Keizer van Rome, macht over hem had, en dat deze macht over hem aan den Keizer van Rome door God gegeven was. Natuurlijk bleef Pilatus voor zijn vonnis verantwoordelijk, en moest hij weten of zijn vonnis rechtmatig of onrechtmatig was. Maar zag hij metterdaad in Jezus een pretendent, die zich opwierp om het gezag van den Keizer in Palestina te niet te doen, dan was zijns de macht om dit verzet tegen het Keizerlijk gezag te breken. Tweeërlei spreekt hier Jezus alzoo uit. Eenerzijds dat hij zelf Koning is, en anderzijds dat hij, ook ais Koning van het Godsrijk, onderworpen is aan een macht der Overheid die deze niet uit zich zelve, maar van God, ook over hem, ontving.

Dit nu kan tot geen andere slotsom leiden, dan dat er tweeërlei Koningschap is; dat beide rechtstreeks van God Drieëenig uitgaan, en dat deze twee evenwijdig naast elkaar r loopen. Er is eenerzijds het Koningschap der wereld, dat rechtstreeks van God uitgaat, en op aarde de Overheidsmacht in het leven roept. En anderzijds is er het Koningschap van Christus, dat niet van hier, niet uit de wereld is, en heerscht op een ander terrein, maar dat op dit zijn eigen terrein even rechtstreeks uitgaat van God. De Overheidsmacht is door God verordend, en daarnaast staat, dat aan Jezus als Koning van het Godsrijk is gegeven „alle macht in hemel en op aarde." En van deze beide Koningschappen nu geldt, dat ze eens een einde zullen nemen. Het aardsch^c "koningschap met den ondergang der wereld, omdat het uit de wereld is en tot de sfeer der wereld behoort; maar ook evenzoo het geestelijk Koningschap, als na het oordeel „de Zoon zelf het Koninkrijk zal overgeven aan den Vader, opdat God zij alles en in allen." Er is hier dus tweeërlei afgeleide Souvereiniteit. De oorspronkelijke Souve reiniteit, de primordiale Overhoügheid, rust in God Drieëenig, en in Hem alleen, omdat hij is de Schepper van hemel en van aarde. Maar uit deze oorspronkelijk in God alleen rustende Souvereiniteit is tweeërlei Souvereiniteit afgeleid. Ten eerste de Souvereiniteit van de Overheid, die Gods dienaresse is, bij zijn gratie regeert, en als zijn dienaresse zelfs het recht over leven en dood over de onderdanen heeft. En ten tweede de Souvereiniteit van den Christus in zijn Koninkrijk, zoodat in zijn Koninkrijk alle ziel aan hem van Godswege onderworpen is; niet alleen zij, die Hem als Koning erkennen, maar ook zij, die hem loochenen, of zelfs nog nimmer van zijn Koningschap hoorden. Jezus was als inwoner van Palestina, als burger in Israel, onderworpen aan Pilatus en den Keizer van Rome, en zij konden en mochten hem oor deelen naar het wereldlijk recht; maar ook èn Pilatus èn de Keizer van Rome waren onderworpen aan Jezus als Koning van het Godsrijk, en als zijn dag zal gekomen zijn, zal Jezus hen oordeelen. Maar de Overheidsmacht zelve, en als zoodanig, behoort niet tot het Koninkrijk van Christus. Ze loopt er naast, ze loopt er evenwijdig meê, maar ze gaat er niet in op. Ze staat er zelfstandig naast. Vandaar de zelfstandigheid van de Overheid tegenover de Kerk, . maar ook de zelfstandigheid van de Kerk tegenover den Staat. Staat en Kerk zijn twee sferen, beide van God verordend, maar zóo, dat de ééae sfeer, die der wereld, voor de Staatsinrichting, aan de Overheid, en daarentegen de andene sfeer, de geestelijke, voor alle menschelijke saamleving aan den Christus onderworpen is en blijft.

Bedenking hiertegen kon worden ontleend aan Jezus Koningschap over Sion. Sion toch vertegenwoordigde in de dagen toen Psalm 2 gezongen werd, een volksmacht, een nationale sfeer, het verkoren volk van Israël. De strijd in dien Psalm gaat tusschen Israel en de volken der Heidenen. De volken van rondsom willen Israel vernietigen, en tegenover die volkerenmassa moet Israel, als het volk van God, nationaalin stand blijven. En nu zegt de Psalm ons, dat God zijn Messias „gezalfd heeft over Sion, den berg zijner heiligheid", en dat de volkeren tegen Sion aiets zullen vermogen. Veeleer wordt hun toegeroepen: „Kust den Zoon, opdat hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, als zijn toorn ook maar een weinig zou ontbranden". Verstaat men onder dit Sion het type van elke natie, en elk volk, dat Gode zijn eere zal geven, gelijk maar al te dikwijls geschied is, dan zou di tot de slotsom leiden, dat Jezus gezalfd is tot koning over elk volk afzonderlijk, en dat op elk koninkrijk of op elke republiek toepasselijk ware, wat onder het Oud Verbond gold voor Israel. En daaruit zou dan zijn afteleiden, dat derhalve de Christus ook nu nog als de eeniglijke bestuursmacht over Nederland, Engeland, en wat landen er meer zijn, te eeren ware. Het behoeft intusschen nauwlijks betoog, dat geheel deze opvatting de beteekenis van Israel, van Sion, van den Messias, en van de door God in het land der aartsvaderen ingestelde ordening ten eenenmale miskent. Israel is een zinbeeldige verschijning. In zinbeeldige opvatting was en bleef het „Gods volk, " ook in de dagen toen er in elke straat van Jeruzalem aan de afgoden geoflferd werd. Maar dit zinbeeldige volk zou door het echte volk dan eerst vervangen worden, als Messias zou gekomen zijn, en het ware Israel, niet der besnijdenis in het vleesch, maar der besnijdenis des harten, uit alle volk zou verzameld worden. De apostelen spraken het dan ook duidelijk uit, dat het echte, het eigenlijke Sion is het Sion boven, het Jeruzalem in de hemelen; dat het volk van Messias de gekochten door zijn bloed zijn, en dat niet de kinderen uit Abraham, maar de geborenen uit den geest zijn het Israel Gods.

Hier is alzoo tweeërlei bedeeling. De zinbeeldige, de symbolische bedeeling, waarin nog slechts de schaduwen en afbeeldingen gezien werden, en die hield stand tot de Messias gekomen was. En daarnaast stond de wezenlijke bedeeling, toen de schaduwen en zinbeelden wegvielen en het geestelijke koninkrijk zijn intocht hield. Van daar de geheel exceptioneele toestand van het aardsche overheidsgezag in Israel, waarmee het overheidsgezag onder geen ander volk te vergelijken is. Ia Israel de theocratie. De onmiddellijke Godsregeering. „De Heere is onze Koning, de Heere zelf is onze wetgever, de Heere zelf is onze Rechter." En van daar ook in Israel de onmisbaarheid van het bestendige wonder, als rechtstreeksche openbaring van de theocratische macht die Israel beheerschte. Daarentegen bij de andere volken geen theocratie, maar afgeleide en opgedragen souvereiniteit, de wetgeving van de vorsten zelve uitgaande, en de rechtspraak door de Overheid ingezet en bezegeld. Niet dus die andere volken, alleen Israel kon type en z^nbeeld van het Koninkrijk van Christus zijn, Israel alleen kon type en zinbeeld van het volk des Heeren wezen. En alleen in Israel's volksstaat kon de staat van het geestelijk Koninkrijk worden voorafgeschaduwd. Een rechtstreeksche gevolgtrekking uit wat in Israel bestond tot het leven der natiën en volken is alzoo nimmer te maken. Iets wat niet zeggen wil, dat de theocratische wetgeving .aan Israel niet veel in zich heeft, dat voor alle volken geldt, maar toch dient het verschil duidelijk uitgesproken, opdat niet óf het theocratisch en symbolisch karakter van Israel te niet worde gedaan, óf ook niet op ons nationale leven worde overgebracht, wat op ons niet kan passen, omdat er ten onzent noch een theocratisch, noch een symbolisch volk bestaat.

Nog uit een ander oogpunt moet dit bezien.

Terecht zegt Art. 36 van onze Belijdenis, dat de instelling van de Overheidsmacht op aarde strekt om de zonde te bedwingen. „Wij gelooven en belijden dat onze goede God, uit oorzaak van de verdorvenheid des menschelijken geslachts, koningen, prinsen en overheden verordend heeft, willende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde, en het alles met goede ordinantiën onder de menschen toega." Ge behoeft u den toestand waarin de wereld verkeeren zou, indien de zonde haar verwoesting niet had aangericht, dan ook slechts even in te denken, om aanstonds de overtuiging te ontvangen, dat er alsdan voor het optreden van de Overheid geen plaats zou geweest zijn. Bij ontstentenis van alle zonde, zou alle wetgeving volstrekt overbodig zijn geweest, daar een ieder de wet in zijn hart zou beschreven hebben, en nooit iets anders dan Gods wil zou bedoelen of doen. Een rechtspraak zou geen zin hebben, waar geen overtreding bestond en geen geschil kon opduiken. Zonder zonde zou er geen vloek, dus ook geen krankheid of verwoesting door de elementen der natuur zijn, en zou derhalve van alle maatregelen die thans de Overheid moet nemen, om onze gezondheid en zekerheid te waarborgen, geen sprake zijn. Aan oorlog onder de volken zou niet te denken wezen, waar allen in vrede zouden saamleven. De deeling en de splitsing onder de volken zou zelfs nooit zijn opgekomen. Geen vloot t en geen leger zou men toerusten. Van wat men noemt het particulier initiatief, dat nu nog zoo veelszins door onedele concurentie in zijn werking belemmerd wordt, zou volle en genoegzame kracht zijn uitgegaan, om alle noodzakelijke gegevens voor het leven in te richten. De huislijke saamleving zou, in de familie voortgezet, patriarchaal alle noodige regeling van de saamleving vanzelf met zich hebben gebracht. En als men dan ook, op de rij af, al onze departementen van algemeen bestuur nagaat, kan men tot geen andere conclusie komen, dan dat ze in een toestand zonder zonde, het één voor, het ander na, volmaakt overbodig zouden zijn. De aardsche bedeeling van de Overheidsmacht doelt dus op een ongeestelijken toestand, waarin de gevolgen der zonde voor het publieke leven ondervangen moeten worden, en de uitbreiding van het kwaad moet worden bedwongen, en wel bedwongen met geweld. Immers dwang uit te oefenen is juist het eigen karakter van deze aardsche bedeeling. Ze gaat tegen de zonde met den sterken arm, desnoods met het zwaard in.

Doch wat heeft dit alles nu gemeen met het koningschap van Christus, met het geestelijk Koninkrijk, met het Koninkrijk der hemelen? Dat dit niet mag verstaan, alsof het Koninkrijk van Christus tot vage ideeën en geestelijke gevoelens ware te vervluchtigen, zal later wel anders blijken. Maar het principieel verschil tusschen de wereldsche macht die dwang oefent tot met het zwaard, en den geestelijken aard van het Koninkrijk van Christus, dat geen dienaren heeft die er met het zwaard voor strijden; dat niet van de wereld is, noch met uitwendig gelaat komt, maar binnen in u is; mag daarom toch geen oogenblik uit het oog worden verloren. Zeker, ook dat Koninkrijk van Christus gaat tegen de zonde in, maar het tast de zonde niet van buiten in de wild uitgroeiende loten der overtreding, maar in kern en wortel aan. Het besnoeit den boom niet, maar genekt de verkankering van den wortel. En ook, het gaat niet onder voorzoover de zonde mocht overwonnen zijn, maar blinkt juist dan eerst in voller luister.

Beide Koninkrijken loopen alzoo in oorsprong, aard, instrument en doel geheel uit elkander. Ze zijn elk op eigen terrein en in eigen machtssfeer van geheel onderscheiden aanleg. Ze zijn niet gelijksoortig, maar vertegenwoordigen beide elk een eigen soort. En hoe zou dan ooit het Overheidsgezag uit het Koningschap van Jezus zijn af te leiden?

Wel poogt de geest, die tegen het heilige ingaat, ook de aardsche instelling van de Overheidsmacht te ondermijnen, aan God te ontrukken en tegen Hem te keeren. Luid is het geroep, dat nog te spreken van een „koning bij de gratie Gods", overblijfsel is van uitgesleten en verouderde begrippen. Al meer dringt de overtuiging door, dat het de mensch zelf is, die in eigen wijs bestel zich een staat inricht en overheden over zich aanstelt. Steeds verder woelt het besef, dat het volk de wet stelt, en dat de volkswil de hoogste wilsuiting op aarde is. Het recht is wat het volk tot recht stempelt. Van een eeuwig geldend rechtsbeginsel mag geen sprake meer zijn. Schending van het recht te willen wreken, gelijk Rom. 13 't wil, heet nieuw onrecht plegen, daar immers de misdadiger niet de schuldige, maar het slachtoffer van anderer schuld is. Kortom, het „laat ons hun banden verbreken, " is de toon waarin de emancipatiezucht onder alle volk haar lied inzet. En natuurlijk keert ook deze ontwrichting van alle vastigheden zich tegen het Heilige, en loopt er op uit, dat ze ook het koningschap van Christus driestweg aanrandt. Maar nooit volgt hieruit, dat deze actie der volkssouvereiniteit zich in beginsel tegen den Christus keert. Ze keert zich rechtstreeks niet tegen den Christus, maar tegen de Opperhoogheid en Souvereiniteit van God, en eerst in de uitwerking en in de gevolgen ook tegen het Koningschap van den Christus. In den samenhang van ons betoog mag daarom de razernij van de volkssouvereiniteit niet ingeschakeld als een der principieele vormen, waarin de tijdgeest optreedt, om eigen koningschap in de plaats van het Koningschap van den Christus te stellen. Uit dezen vorm van het kwaad komt niet de loochening van het Koningschap van Christus, maar de rechtstreeksche loochening van God, het atheïsme, op. De volkssouvereiniteit zegt niet in haar hart: ik vervang den Christus, maar heel anders: ik zet mijn hart als Gods hart. Mijzelven zal ik ten God zijn. Een volk dat erkent: „Onze koning regeert over ons bij de gratie Gods, " is daarom nog allerminst een Christelijke natie, en een volk dat uitroept: „Weg met den vorst bij de gratie Gods!" werpt daardoor op zichzelf zijn Christelijk kleed niet af, maar wordt goddeloos.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Hege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken