Bekijk het origineel

Pro Hege

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pro Hege

18 minuten leestijd

XXV,

En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volkeren; en dan zal het einde komen. Math, 24 : 14.

Het eigenaardig stempel op onzen tijd is gedrukt, ten eerste door de verrassende macht die de mensch over de Natuur verkreeg, ten tweede door de bewonderenswaardige uitbreiding van onze kennis, maar ook ten derde, gelijk we zagen, door het schier tooverachtig opkomen van telkens niéuwe middelen van verbinding en verkeer, v/aardoor allengs keel de wereld, met alle land en alle volk, in het ééae groote complex van 's menschen heerschappij is opgenomen. Ook dit laatste moest afbreuk doen aan den bloei van het godsdienstig leven, aan den bloei van de Christelijke religie, en zoo ook aan de erkenning van het Koningschap van Christus. Met nadruk is hierop reeds in het 6Je artikel van deze volgreeks gewezen. We voegen er thans aan toe, dat het snellere verkeer grootere bewegelijkheid aan het leven schonk, de stilheid ook van den Sabbath verbrak, het kerkbezoek deed afnemen, en voor wie kennis maakte met de landen van den liiam en met de volkeren van het heidendom, zoo licht leidde tot een vergelijking van onze Christelijke religie met deze valsche religiën, die er op uitliep, om de volstrekte tegenstelling in een betrekkelijk verschil te verzwakken, het Christendom met alle overige religiën als eene slechts in graad verschillende openbaring van de ééne religieuse idee op te vatten, om ten slotte, ? .ij 't in vsel kleiner kring, nu reeds die andere religiën als voortreffslijk boven het Christendom te loven. In da dusgenaamde godsdienstige wereldcongressen is deze zienswijze op eene voor de Christenen krenkende wijze tot uiting gekomen. Ds priesters van Buddha maakten zich niet aan grootspreken schuldig, toen ze betuigden meer liefde voor het Buddhisme in de Christenwereld, dan voor Christus in het land van Buddha gevonden te hebben. Perzen dorsten verzekeren, dat hun Sufisme het moderne Europa toesprak, terwijl er omgekeerd in Perzië zoo goed als geen enkel Perzisch Christen wordt gevonden. En hoe de Islam door gedoopte Christenen vaak boven het Evangeiie v/ordt verheven, vernam een ieder, die zijn oor bij onze koloniale magnaten of bij Engelsche machthebbers in Voor-Indie en Egypte te luisteren legde. Ook deze ommekeer heeft begrijpelijkerwijs onder de trouwe belijders van Christus' koningschap ergernis gewekt, en ook wat dit punt betreft, behoort alzoo met ernst de vraag te v/orden overwogen, of die opneming van heel de wereld in onze menschelijke ontv/ikkeling te beoordeelen is als iets, dat van Christelijk standpunt te betreuren vait, dan wel of het dient toegejuicht als een eisch van de Christelijke religie zelve, zóó dat niet het feit zelf, maar alleen het verkeerde gebruik ervan gemaakt, valt af te keuren.

Ook deze vraag moet scherp onder de oogen worden gezien. Zonder helder in te zien, in welke verhouding de Christelijke religie zich tegenover dit insluiten van heel de wereld in de sfeer onzer menschelijke actie, krachtens de Schrift zelve plaatst, staat de belijder der Christelijke religie machteloos tegenover de religieuse verwoesting die ook door deze nieuwe orde van zaken is aangericht. We zien de materieele belangen der volken al meer de eerste plaats innemen. De dusgenaamde wereldmacht begint alle specifiek nationale leven te drukken. Er ontwikkelt zich een cosmopolitische gesteldheid, die voor het echt patriottische gevoel voor dsn geboortegrond geen plaats meer laat. Zelfs wil men door een mechanisch ineengezette wereldtaal de kracht der historische landstalen breken. Al het bijzondere en eigenaardige lost zich op in het algemeene en aan alle volken gemeenschappelijke. De kern en pit, die juist in het bijzonder, leven schuilt, verzwakt en gaat te loor. En over heel de wereld vormt zich almeer een kring van modern leven, dat zich onder den eerenaam van beschaving en humaniteit aandient, om juist daardoor in den grond aan alle religie, maar vooral aan de Christelijke religie, de gehoorzaamheid op te neggen. Nu reeds heeft zich deze beweging onder den naam van anticlericalismc vrij sterk in de meeste landen van Europa ontwikkeld. Dit anticlericalisme maakt zich, ter terugdringing van het Christendom, in Italië en Spanje, in Frankrijk en Oostenrijk, in Duitschland, België en Nederland op. En |en slotte komt dit alles neer op een steeds beslister, steeds vijandiger poging, om het koningschap van Christus teniet te doen.

In zijn diepsten grond woelt hieronder geen andere tegenstelling dan die tusschen den God van Israel en de afgoden. Nergens is in de Schrift ook maar een spoor te ontdekken van de voorstelling, alsof wel de Jehovah der vaderen hooger dan de andere goden stond, maar alsof toch ook de afgoden als wezenlijke goden, zij 't ook van lageren rang, te eeren waren. Van een vergelijkende waardeering tusschen de afgoden der heidenen en dea eenig waarachtigea God in Israel is in de Schrift geen sprake. Steeds spreekt zich de overtuiging uit, dat er slechts één God is, en dat alles wat zich naast of tegenover Jehovah als god poogt te verheffen, bij de afgoden te rekenen, en als zoodanig te verwerpen is. Dat aan alle religie iets gemeenschappelijks ten grondslag ligt, wordt betwist noch ontkend, maar dit wordt verklaard niet daaruit, dat de afgoderij een betrekkelijk recht bezit, maar heel. anders uit het dubbele feit, ten eerste dat God zelf in onze menschelijke natuur het semen religionis, d. i. een godsdienstig zaad, inlegde, en ten tweede daaruit, dat uit het paradijs heel ons men.schelijk ge.slacht zekere godsdienstige overlevering met zich nam. Het is altoos het v/erk Gods, waar op wordt terug gegaan, op wat God in den mensch legde krachtens zijn schepping naar den beelde Gods, ea op wat God den mensch geopenbaard had vóór en onmiddellijk na den val. Nooit daarentegen wordt de afgoderij in een ander licht dan van de leugen geplaatst, Ze is pseudo-religie, d. w, z. valsche godsdienst, en ze ontrooft aan den levenden God de eere die Hem alleen toekomt. Alle afgoderij is daarom bestemd, om te niet gedaan en uitgeroeid te worden, en het einde moet zijn, dat alle afgod valt, en ten slotte alleen de van God gezalfde Koning de heerschappij over de geesten erlangt.

Zoo v.'ordt noodzakelijkerwijs de grondtegenstelling tusschen God en de afgoden overgebracht op de tegenstelling tusschen de Christelijke religie en de valsche godsdiensten en, dieper opgevat, tusschen Christus, a!s den van God gezalfden Koning, en de onheilige geesten, die de heerschappij over de volkeren wisten te veroveren. Hiermee verschijnt de afgoderij in haar demonisch karakter. Het is de onheilige geest, die zich in deze godsdiensten genesteld heeft, en het zijn alleen de Joodsche en de Mohamedaansche religies, die, zij 't ook onder veel afdoling, aaa den God van Abraham, Isaac en Jacob vasthouden. De vraag of ia deze heidensche .godsdiensten toch ook niet zekere kiemen van waarheid verscholen liggen, doet hieraan niets af of toe. In den jammerlijksten misdadiger ontdekt ge evenzoo soms nog trekken van karakter die u innemen. Dit alles duikt op uit wat God in de menschelijke natuur inplantte, en verontschuldigt in geen enkel opzicht, zoo min de misdaad van den misdadiger, als den onheiligen geest, die in deze afgoderijen aan het woord kwam. Bovendien moet men wel onderscheid maken tusschen de wijsgeerige gedachten, die zich in het Heidenland ontwikkelden, en veelszins zich met de afgodische religie vermengden, en den afgodischen eeredienst zeiven, die door een eigen geest wordt beheerscht. De afgoderij in haar wezen is een overgegeven v/orden van den mensch in verkeerden zin, gelijk de apostel het ons betuigt; van daar dat ze steeds uitliep op het doen van dingen die niet betamen, en op het geven aan deze dingen, die niet betamen, van een heiligen schijn. Principieel werkt daarom in alle afgoderij een satanische drijfveer, Gelijk satan zelf zich geëmancipeerd heeft van den levenden God, en zich tot een valschen O /erste der wereld heeft opgeworpen, zoo wil hij dat ook allerwegen valsche goden zich opwerpen, om Gode zijn macht, majesteiten eere te betwisten; en juist doordien er niet één afgod, maar allerwegen tal van afgoden werden opgericht, bleef aan satan de macht der eenheid en past hij het „verdeel en heersch" toè.

Juist hieruit echter volgt voor de Christelijke religie, wat men genoemd heeft haar universalisme. Slechts is dit in zooverre misverstaan, dat men dit onder theologen bijna uitsluitend heeft opgevat in zijn tegenstelling tegen het particularisme der Joden in de dagen der Apostelen. Men kent het geding vooral door Paulus gevoerd tegenover die Christenen uit de Joden, die oordeelden, dat men, om Christen te worden, zich moest laten besnijden en de wet van Mozes moest onderhouden. Zij die zoo oordeelden, sloten de Christelijke religie in het Jodendom op, achtten dat het Christendom als een Joodsche religie de wereld in moest gaan; dat het Jodendom in de wereld moest indringen, om vele heidenen in zijn volksgeheel in te lijven; en a'aoo bestemd was, om, gelijk Israëlitisch zijn oorsprong was, zoo ook in geheel ? ^'jfl verder verloop Israëlitisch en natioaaal-Joodsch te blijven. Dit is het particularisme, het opvatten van het Christendom als een ^^> ö«d& r^ Joodsche religie. Daartegenover nu stelde Paulus, dat het Christendom de banden van het bijzondere nationale Joodsche leven moest breken; dat niet de uit Abraham geborenen, maar de in Christus geloovenden het ware Israel vormden; en dat dit geestelijk Israel a zich niet aan het ééne Joodsche volk had aante sluiten, maar alle volken der aarde moest omvatten. De Christelijke religie was nimmer Joodsch, al kwam ze op uit Israel; ze 'vas de religie der menschheid, ze droeg een algemeen menschelijk karakter, ze beoogde keel ons menschelijk geslacht, keel de menschheid voor den Christus te winnen, en alzoo in geheel eenigen zin te zijn de godsdienst der wereld, zonder eenige nationale beperking. Dit is wat men genoemd heeühetuniversalisme, dat in beginsel lijnrecht tegenover het Joodsche particularisme overstond.

Deze opvatting was niet een bijzondere opvatting van Paulus, maar genomen uit het hart van het Oude Testament; waarom hij dan ook gedurig zich op het Oude Testament beroept. Steeds werd in het Oude Verbond gepredikt, dat Jehovah niet de nationale particuliere God van Israel is, maar uit Sion alle volken en alle natiën beheerscht. Niet de kleine erve van Israel, heel de wereld is draagster van siijn heerschappij. Hij regeert niet alleen over het Joodsche volk in bij zonderen zin, maar evenzoo, in algemeenen zin, over al de volkeren der aarde. Hij is de Koning der koningen, de Heere der heeren, en alle volken zijn zijn eigendom en aau zijn Goddelijke macht ca heerschappij onderworpen. Grondtoon in het Oud Verbond is en blijft steeds: Juich Gode, gij gansche aarde. De gansche aarde aanbidde U en psalmzinge U, zij psalmzinge Uw naam. Hij heerscht eeuwiglijk met zijn macht, zijn oogen houden wacht over de heidenen. Looft ^ij volken onzen God, en Iaat hooren de stem zijns roems, " (Psalm 66 : i—8). Of een ander maal: Dat men op de aarde uwen weg kenne, onder alle heidenen uw heil. De volken zullen U loven, o God; de volken al te maal iullen U loven. De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij alle volken zult richten, en de natiën der aarde die zult Gij leiden". (Psalm 67 : 3—5). En elders: De Heere regeert, dat de volken beven. De Heere is groot in Sion en Hij is hoog boven alle volken. Gij gansche aarde, juich den Heere." (Psalm 99 : i, 2, en 100 : i). En als „ds koningen der aarde en de volken der heidenen zich opmaken tegen God en zijn gezalfden Koning, zeggende: aat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen, dan zal Hij die in den hemel woont, lachen, Hij zal ze bespotten, en spreken in jijn toorn: k heb toch mijn Koning gezalfd over Sion, den berg mijner heiligheid", en wordt het aan de koningen der volken en natiën toegeroepen: Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk, laat u tuchtigen, gij rechters der aarde. Kust den Zoon, opdat hij niet toorne, en gij niet vergaat op den weg." (Psalm 2). En öm wel te doen uitkomen, dat hiermee niet bedoeld is een aardsche heerschappij van Israel over de landen, maar de heerschappij van Christus als onzen Koning over alle natiën en volkeren, betuigt de Heilige Geest in hetzelfde Oud Verbond, dat Loammi zal worden Ammi, d, w, z. dat God volken die niet zijn volk waren, zal oproepen, om Hem tot een geestelijk volk, tot een geestelijk Israel te worden, en zulks onder tijdelijke verv/erping vao hetvleeschiijk Israel,

Toen nu de Christus verscheen, heeft reeds terstond na zijn geboorte, Simeon hem in den tempel beleden als zijnde, in de eerste plaats zelfs, „een licht tot verlichting der heidenen, " en Jezus zelf in zijn prediking sloot zich geheel hierbij aan. Hij was de goede Herder niet enkel van den schaapsstal van Israel, neen, hij had nog andere schapen, die niet van dezen stal waren, en deze moest hij ook toebrengen. En wat veel meer zegt, toen hij scheiden zou van zijn jongeren, heeft hij 't uitgesproken, dat zij zijn getuigen zijn zouden, „niet alleen te Jeruzalem, en in geheel Judea en Samaria, maar tot aan ket uiterste der aarde", deels door hun gesproken, deels door hun geschreven woord en door de nawerking van hun prediking. Uitdrukkelijk verklaarde Jezus in het Doopbevel: Gaat henen, onderwijst alle volken, ze doopende in den Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, " En vooraf reeds had hij 't voorzegd, dat „zrJD Evangelie gepredikt zou worden in de geheele wereld, tot een getuigenis allen volken", en dat dan eerst het einde zou komen, (Matth, 24 : 14). Toen hij opgevaren was ten hemel en gezeten aan Gods rechterhand, heeft God hem uitermate zeer verhoogd, „opdat in den naam van Jezus zich zou buigen < ? //(? ^«? V dergenen die in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn, en opdat alle tong zou belijden, dat Jezus is de Christus, tot heerlijkheid Gods des Vaders", In de Openbaringen van Pathmos gaat dan ook de lofzang op van allen „die gekocht zijn door het bloed des Lams, uit alle natiën, volken en tongen", en is het Gods gezalfde Koning, die verheerlijkt wordt als de Koning aller koningen, en de Heer van alle heeren.

Hierin nu ligt iets veel hoogers dan het Universalisme, dat protesteert tegen de bekrompen opvatting, alsof de Christus alleen de Messias der Joden zijn zou. Er ligt in de groote, de machtige, de alles beheerschende gedachte, dat de wereld tot aan de uiterste einden der aarde, met inbegrip van alle volken en natiën, één eenige menschheid vormt; dat geheel die wereld in eenzelfde levensverband moet worden saamgetrokken; en dat het gansch ons menschelijk geslacht is, dat God in zijn gezalfden Koning oproept, om onze hooge bestemming te vervullen. Om de zeer ver gaande strekking van deze gedachte te doorgronden, moet ge u indenken in de opvatting die men in Jezus dagen van de wereld had. Als, we in Lukas 2 lezen, dat er een gebod uitging van keizer Augustus, dat keel de wereld zou beschreven worden, wordt hiermee slechts een zeer klein deel van Afrika, een iets grooter deel vanA^ië, en nog niet de helft van het tegenwoordige Europa bedoeld. Zóó ver strekte zich het bewind van Rome's keizer uit, en het rijk van den Romeinschen keizer nam men voor heel de wereld. Wel had men e^*n vaag begrip, dat er ook buiten de grenzen van dat rijk nog barbaren leefden of omzwierven, maar deze rekenden niet mee. Deze vormden de wildernis der volkeren, die het wereldrijk op zijn grens omgaven. Van een eenheid van al wat mensch was, v/ist men niet af, van een alle volk omvattend menschelijk geslacht had men geen denkbeeld. De wereld, gelijk wij die kennen en verstaan, zonk weg in mysterie. En „de wereld" noemde men alleen dat kleine deel van onze aarde, dat aan den scepter van Rome's keizer onderworpen was.

Juist met het oog hiero|S nu heeft het zoo ernstige beteekenis, dat de Schrift steeds de eenheid van heel ons menschelijk geslaakt in het oog vat, Jezus zegt ons, dat zijn Evangelie niet alleen tot de volken van het Romeinsche rijk, maar tot „alle volken" moet gebracht worden, en dat zijn rijk moet worden uitgebreid tot „aan de uiterste einden der aarde". Zoo verwerpt Jezus de beperkte opvatting, alsof het rijk van Rome's keizer heel de wereld was, en stelt daar tegenover zijn rijk, dat ver over de grenzen van dat Romeinsche rijk, zich tot alle volken, ja, tot de uiterste einden der aarde zal uitbreiden. Eerst hier komt alzoo de cosmopolitische idee te voorschijn, die grootsche wereldgedachte, die thans bezig is zich te verwezenlijken. Ea in dat licht moet het dan ook verstaan, als het ons in het Evangelie van Johannes betuigd wordt, dat God alzoo lief „de wereld^ heeft gehad, dat Hij, haar ter behoudenis, zijn eeniggeboren Zoon heeft geschonken; of wat in den Zendbrief van Johannes ons betuigd wordt, dat de Christus een Verzoening is „niet alleen voor onze zonde, maar voor de zonde der gansche wereld". En dat de apostel Paulus dit met volkomen helderheid doorzag en begreep, blijkt wel uit wat hij in Col, 3 : 4 schreef, dat er „in Christus niet is Jood en Griek, Barbaar en Scyth, maar dat het is Christus alles en in allen". Juist toch onder dien naam van Barbaar en Scyth bedoelde hij die groepen verafgelegen of omzwervende volken, die het begrip der menschheid, als één geheel genomen, moesten volmaken. Hiermee in verband heelt 't dan ook zoo hooge beteekenis, dat de Schrift des Ouden Testaments ons de afkomst van heel het menschelijk geslacht uit één menschenpaar leert; na den zondvloed gespreid in drie geslachten; daarna de splitsing van de volken bij Babyion; en dat ze ons zelfs geslachtstafels voorlegt, om de eenheid van alle natiën in den stamvader van heel ons menschelijk geslacht te doen uitkomen.

Er is alzoo geen sprake van, alsof de opneming, door snelle verbinding en beter verkeer, van alle deelen der aarde en van alle volk en natie in ééne alomvattende menschelijke actie, tegen de grondgedachte van het Christendom zou ingaan, en door ons. Christenen, zou moeten betreurd worden. Dat ook deze allesbeheerschende ontwik­ keling van ons menschelijk leven misbruikt is en wordt, en zich thans almeer in niet geringe mate tegen het Christendom keert, valt niet te weerspreken, maar nooit mag dit ons op het dwaalspoor leiden. De opneming van heel de wereld in één verband en in één wereldverkeer is integendeel de verwezenlijking van een gedachte, die, aan het Heidendom vreemd, uit den Christelijken wortel is opgekomen, en op het innigst met de belijdenis van het ware monotheïsme en van den Christus als den Koning van het wereldrijk samenhangt. Toen buiten Israel dit machtige denkbeeld nog niet was opgekomen, en veeleer door de afgodische splitsing en deeling der volken werd tegengewerkt, was in Israël het besef van de eenheid van ons menschelijk geslacht tot aan de uiterste einden der aarde reeds ontkiemd; en voor zooverre het in Israel, vooral na de Macchabëen, nog door nationale bekrompenheid onderdrukt was, is het door geen minder dan door den Christus zelve als de heerlijke eenheidsgedachte, die de volken leiden moest, zoo beslist het slechts kon, op den voorgrond gesteld. De opvatting van heel de wereld, van heel ons menschelijk geslacht, en zoo ook van alle natiëii, volken en tongen als één onlosmakelijk door God in het leven geroepen organisch geheel, en dan ook de roeping om door verbinding en verkeer die eenheid van ons menschelijk geslacht tot uiting te doen komen, is een principieel Christelijke gedachte en die zonder het Christendom nooit verwerkelijkt zou zijn. Wel verre van om haar schaduwzijde de machtige gebeurtenissen, die hiertoe geleid hebben, te betreuren, voegt het ons deze wending in de historie dezer wereld met vreugde te begroeten, en er een ommekeer van zaken in te zien, die niet kon uitblijven, zou het Koningschap van Christus zich in zijn vollen glans ontplooien. Dat wij Christenen, niet gereed staan, om hiervan aanstonds het volle profijt te trekken, dat deze ommekeer ons overrompelde en verdeelde en daardoor machteloos vindt, hebben we als onze eigen schuld voor God aan te klagen. Jammeren baat hier niet. Alleen Inkeer In ons zeiven en opwaking van Christelijke energie kan hier 't medicijn wezen, dat betere dagen belooft. Zelfs der Zending, die in dit verband zoo grootsche taak reeds volbracht, maar, vergeleken bij haar hoogé roeping, nog al te zeer in het beperkte en kleine opgaat, voegt het haar roeping opnieuw in te denken. Maar bovenal voegt dit zelfonderzoek aan de Christelijke kerken in onze Europeesche en Amerikaansche Staten, om tot Christus als haar van God gezalfden Koning terug te keeren, opdat niet de Kerk, die naar de vreemde volken haar Zending laat uitgaan, zelve in eigen boezem opnieuw door heidensche denkbeelden overstroomd worde, haar invloed op 't eigen volk Inboete, en zich te schamen hebbe, als Buddhisten of Mohamedanen uit het verre land, Christus' Kerk in het midden van de Christen-natiën komen bezien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Hege

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken