Bekijk het origineel

Pro kege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pro kege.

18 minuten leestijd

TWEEDE REEKS.

IV.

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op zijnen schouder; en men noemt zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst. Jesaja 9 : 5.

Zoo rust dan alleen in den Drieëcnigen God de oorspronkelijke regeermacht, opperhooghcid en souvereiniteit. Alleen Hij die het alles schiep en in stand houdt, kan het al voor Zijn eere opeischen, en heeft over al wat bestaat een volstrekt zeggenschap en beschikkingsrecht. Hij doet met alle schepselen naar wat Htj wil, en geen creatuur, hoe hoog geplaatst ook, kan eenig recht, welk dan ook, doen gelden, waardoor de oppermacht en het beschikkingsrecht Gods zou worden ingeperkt of verkort. Juist daarom echter is diezelfde God vrijmachtig, om dit Zijn hoog gezag alzoo uit te oefenen en te laten werken, als het Hem behaagt. Het liet zich denken, dat het Hem behaagd had, dit zijn Goddelijk gezag altoos en allerwegen rechtstreeks uit te oefenen, maar het liet zich ook denken, dat het Hem behaagde in het rijk der geesten dit zijn hoog gezag middellijk, door den eenen geest over den anderen, te doen gelden, alzoo dat de met gezag door Hem bekleede engel of mensch daarbij dienst deed als zijn instrument. Dit laatste nu heeft God verkoren. Hij regeert onder menschen het kind door zijn vader en moeder; den leerling door zijn meester, de zwakkere geesten door de genieën; de stammen door hun hoofden; en zoo ook de volken door hun Vorsten.

Intusschen is de zonde oorzaak geworden, dat deze be wind voering door menschelijke instrumenten leed aan allerlei gebrek. Misbruik van gezag in despotic ontaardend eenerzijds, en anderzijds verzet en ongehoorzaamheid, tot opstand opgedreven, verstoren de natuurlijke werking van dit door God ingesteld instrumenteel gezag, en doen wat organisch en vanzelf werken moest, ontaarden in een verhouding van bedwang en geweld. Het instrumenteel gezag maakt zich almeer van den levensband los; het wordt mechanisch ineengezet; en werkt meer door den sterken arm dan door geestelijke factoren. Reeds in lager staande gezinnen valt dit te bespeuren, maar vooral komt het uit in de heerschappij over grootereen breedere kringen, met name bij de heerschappij van de Vorsten over de volkeren der aarde. Vaak behoorden deze Vorsten en hun Huizen niet eens tot het volk zelf, maar kwamen van buitenaf in. Zonder politiemacht en leger kon geen dynastie zich in den loop der eeuwen staande houden. En wat nog banger worsteling in het leven riep, volk stond tegenover volk, natie tegenover natie, en zoo ook koning tegenover koning. Het liep uit op een splitsing en verbrokkeling, die vanzelf het bange oorlogswee deed opkooien, en hierdoor het geweld van den sterken arm nog meer op den voorgrond schoof. En wat ook beproefd is, om deze gedeeldheid en verbrokkeling een einde te doen nemen, door de vele volken tot één rijk, onder één keizer, te hcreenigen, nooit heeft dit verder geleid dan tot de heerschappij van één volk over de andere volken, en tot een kunstmatige eenheid van een deel der wereld, beklonken door het zwaard.

Hiertegenover nu bleef in het menschhart, dank zij de Openbaring, het ideaal der oorspronkelijke schepping stand houden. Gods opperhoogheid over heel ons menschelijk geslacht als eenheid, en over alle kringen van gezinnen, familiën, geslachten en stammen in die eenheid, zonder eenig voorbehoud te erkennen en huldigen. De Heere is onze Koning, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Rechter. Dit gezag voorzooveel het beschikkingsrecht en voorzienheidsbestuur inhield, door God Drieëenig rechtstreeks uitgeoefend, maar voorzooveel het ons menschelijk leven uitwendig regelen en behecrschen moet, instrumenteel door menschelijke personen, die God met dit gezag bekleedde. En wel bekleedde, niet door rechtstreeks ingrijpende aanstelling, maar door de plaats die ze, krachtens het leven zelf, in hun kring innamen. Den vader, als stichter van 't gezin en verwekker van zijn kroost; waar hij wegviel de moeder; en waar ook deze afwezig was, de oudere der broeders over de jongeren. En naar dit voorbeeld moest dan de instrumenteele gezagvoering Gods over heel ons geslacht tot stand komen. Een Koning moest komen, die aan het hoofd van heel het menschelijk geslacht zou staan, maar die dan oo krachtens zijn wezen metterdaad het organisch hoofd van het menschelijk geslacht kon zijn. Een tweede Adam, die in verhoogden zin datgene zijn zou, wat de eerste Adam metterdaad was. En het is uit het grijpen naar dat ideaal, dat ook het Messias-ideaal bij Israel is opgekomen. Opgekomen niet door het zinnen en peinzen van het Israëlitische volk, dat zich als volk veeleer nimmer boven zijn particuliere enghartigheid wist te verheffen, en zelfs in Jezus jongeren nog sprak van het weer oprechten van het Koningschap in Israel, maar een ideaal dat door God aan Israels machtiger geesten geopenbaard is, en in Christus, als Koning van het Godsrijk, is vervuld geworden. In Christus Koninkrijk toch valt alle nationaal verschil van Griek, Jood of Barbaar weg, en alleen de eenheid van de herboren menschheid blijft. In zijn Koninkrijk is in deze bedeeling geen sprake meer van geweld of van uitwendig machtsbetoon, maar rust het hoog gezag uitsluitend op geestelijken grondslag. En ook in Christus' Koninkrijk is geen sprake meer van gekunstelde mechanische ineenzetting, maar van de vorming van een Lichaam, d. i. van een natuurlijk organisch in elkaar zittend volksgeheel, waarvan Hij dan zelf, krachtens zijn wezen, het alles beheerschend Hoofd is.

De Christus is óók de Verlosser, de Verzoener onzer zonde, onze Heiland en onze Zaligmaker, maar dit alles is slechts \\tt middel om te geraken tot het groote doel, en dat hooge doel is en blijft de stichting van het Koninkrijk der hemelen, van een Koninkrijk, waarin hij de Koning is. Zijn Koninklijke eere en waardigheid is alzoo niet een aanhangsel, dat bij zijn Verlosserswerk bij komt, maar veeleer het einddoel, waarop het alles aanstuurt, gericht is, en heenleidt. Het heel de menschheid omvattende ééne Koningschap, dat, buiten zonde, in het Paradijs vanzelf zou zijn opgekomen, maar met het verlies van het Paradijs, verstoord en afgesneden werd, komt langs den weg der verlossing en der levensvernieuwing van ons geslacht, dank zij de wedergeboorte, in Christus terug. Van meet af staat bij zijn optreden dat Koningschap dan ook op den voorgrond, zelfs eer de rijke schat van het Verlossingswerk nog ontplooid wordt. Johannes de Dooper treedt op als Jezus voorlooper en aankondiger, en zijn eerste roepstem luidt: „Bekeert u, want het Koninkrijk, het Koninkrijk der hemelen, is nabij gekomen". En als Jezus straks zij a prediking begint, proclameert ook hij in de eerste plaats zijn Koningschap, en getuigt evenals Johannes de Dooper: „Bekeert u, want het Koninkrijk is nabij gekomen." En aan het eind van zijn loopbaan op aarde toegekomen, spreekt hij het tegenover den landvoogd van Rome's Keizer onomwonden en plechtig uit: „Gij zegt dat ik een Koning ben. Hiertoe ben ik in de wereld gekomen." Ja sterker nog: „Hiertoe ben ik geboren" Heel zijn zending vat Jezus alzoo in deze ééne, alles beheerschende gedachte van het Koningschap saam. De wereld miste haar eigenlijken, haar waren Koning. Er waren wel Koningen der volken, en zelfs een Keizer te Rome, maar in deze allen was de eigenlijke, de ware idee van het hooge Koningschap niet verwezenlijkt. En de vervulling van die hooge idee bracht Hij. Niet als bijzaak, maar als hoofdzaak, wan hierin lag het hocge doel van heel zijn zending. Hiertoe was Hij geboren, en hiertoe was Hq in de wereld gekomen. Het ware, he wezenlijke Koninkrijk, het Koninkrijk, niet gelijk de zondige wereld het gekunsteld had, maar het Koninkrijk gelijk het van God besteld was, en Gods hoog gezag vertegenwoordigen zou. Van daar dat het beurtelings heet het Koninkrijk van Christus, het Koninkrijk van God en het Koninkrijk der hemelen. Dat Koninkrijk kwam Jezus stichten. Dat Koninkrijk zou door zijn optreden in gang komen. Dat Koninkrijk zou door Hemzijn voleinding worden tegengevoerd. En van dat Koninkrijk betuigde Johannes, dat het in Jezus nabij was gekomen, ja, betuigde Jezus zelf, dat Hij, om in dit Koninkrijk Koning te zijn, door den Vader gezonden, uit Israel geboren, en in de wereld gekomen was.

Nu heeft men dit alles verzwakt, en e zijn eigenlijke beteekenis aan ontnomen, door het te vergeestelijken. Zoo liet men Jezus Koningschap in zijn profetische eere ondergaan. Jezus heeft óók getuigd, óók waarheid geopenbaard, óók den aard van het geestelijk leven ons ontvouwd. En zich daaraan aansluitende, heeft men het voorgesteld, alsof het Koninkrijk dat Hij stichten kwam, uitsluitend bestond in de macht der waarheid, die allengs de macht van de leugen, en in de macht van heiliger zin, die allengs de macht der zonde zou terug dringen. M. a. w., men nam de woorden Koninkrijk, Koningschap en Koning niet k in eigenlijken, maar «enkel in overdrachtelijken zin. Zoo als ook wij wel zeggen, dat de waarheid heerscht over de leugen, en de deugd over de ondeugd, zoo ook heerschte dan Jezus, doordat hij op geestelijk terrein een hooger standpunt inr-a"s dan alle andere godsdienststichters. JJat was dan wel geen Koninkrijk, maar men noemde het zoo bij wijze van beeldspraak. En Hij was dan wel geen Koning, maar men gaf hem dien eeretitel in overdrachtelij ken zin. Dit echter is ten eenenmale in strijd met al wat de Schrift prophetisch in het Oude, en historisch in het Nieuwe Testament ons voorstelt, en het is door het ongemerkt toegeven aan die vergeestelijking, dat ook in onze kringen de glorie van Jezus Koningschap zoo veelszins is gaan tanen. We komen hierop nader terug. Maar kracht vond die geestelijke, overdrachtelijke opvatting vooral in wat in door de Schrift zelve, omtrent dit Koninkrijken omtrent Jezus' Koningschap, ter bestrijding van de nationale en materieele opvatting, die bij de Joden had post gevat, betuigd staat. De Joden, vooral in Jezus' dagen, hadden de groote profetie van den Koning, op wiens „schouder de heerschappij zou rusten, en wiens naam zou zijn Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, " geheel voor zich zelve als jfoodsche natie opgeëischt. Gewisselqk, de Messias zou komen, maar om Koning der Joden te zijn, Israels nationale Koning, die Israel over de heidenen zou doen triomfeeren. Zij konden zich daarom het Koningschap van Messias niet anders voorstellen dan met een elpenbeenen troon, als waarop eens Salomo schitterde, in het paleis te Jerusalem, en heel Israel naar het zwaard grijpend, om onder de banier van dezen Koning, de volken van rondom te^ overheerschen. Deze enghartignationale, en door en door valsche opvatting van het Messiaansche Koningschap, zat er bij Israel in Jezus dagen zoo diep in, dat zelfs Jezus' eige: t jongeren, lot den einde toe, tot na zijn opstanding, ja tot op den Olijfberg vlak voor de hemelvaart, nog altoos bleven vragen: Heere, wanneer zult gij in Zf^a^/het Koninkrijk weder oprichten? Moederlijke teederheid had zelfs de moeder van twee der apostelen doen vragen, welke hooge waardigheid haar kinderen in dat nieuw opgerichte Israëlitische Koninkrijk zouden bekleeden. In die gegeven omstandigheden kon het dus niet wel anders, of Jezus moest tegenover die aardsche en wereldsche opvatting van zijn Koninkrijk, volstandig en gedurig op het geestelijk karakter van zijn Koningschap wijzen. En het is nu door die herhaalde en sterke verklaringen van Jezus, dat men zich verleiden liet, om in 't eind zijn Koningschap ^«^^^/ te vergeestelijken, en het feitelijk, door een opvatting van den naam Koning als ware die enkel overdrachtelijk bedoeld, geheel te vernietigen.

Hiertoe echter miste men ten eenenmale elk recht. Reeds de enkele betuiging van Jezus: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, " werpt geheel deze opvatting omver. Wat Jezus bestreden heeft, en inde gegeven omstandigheden bestraffin moest, was tweeërlei: i". elke voorstelling alsof Israel, en niet de wereld, het oogmerk van Gods genadewerk was, en 20. alsof zijn t Koningschap een Koningschap zou zijn gelijk aan het Keizerschap dat onder de volken bestond, rustend op uitwendig geweld. t Israel was uit de volken als volk verkoren, om drager der Goddelijke openbaring te zijn; wat komen zou af te schaduwen en voor te bereiden; en uit zich de Messias te zien geboren worden. Het was door deze uitverkiezing geroepen niet tot heerschappij, maar tot dienst. God was God over heel de wereld en voor heel de menschheid. Hij had niet Israel, maar de wereld alzoo liefgehad, dat Hij haar zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk. Jood, Griek of Barbaar, die in Hem geloofde, het eeuwige leven zou hebben. Het ware ondenkbaar en onmogelijk geweest, dat de Almachtige God, Wiens heel de aarde, heel de wereld, en heel hetJ menschelijk geslacht is, in zijn genadewerk alleen op het kleine, onbeduidende volk der Joden zijn oog zou hebben r geslagA. Zijn genadewerk kon niet anders dan heel de wereld bedoelen, en zich uitstrekken naar al wat mensch was. En Israels eere was niet, dat het bij God in de plaats van heel de wereld trad, maar dat het geroepen was om aan heel de wereld het heil afschaduwend en voorbereidend te bedienen. Dat het daarom toch in het eind der dingen een plaats der eere onder de overige natiën zou behouden, gold alleen van het echte Israel, dat tot Jezus bekeerd werd, en kon zijn openbaring eerst dan vinden, als eerst de overige natiën tot het heil zouden geroepen zijn. Der Joden fout was, dat ze niet dienen wilden om 't heil in de wereld uit te dragen, maar heerschen wilden over alle andere volken, en uit de overige menschheid alleen diegenen wilden begenadigen, die zich door het teeken der besnijdenis bij Israel lieten inlijven. In stee van instrument voor de glorie van hun Messias te zijn, wilden ze dat de Messias er zijn eere in zou stellen om hun volksglorie te verhoogen. Dit is Israel's val geweest. Dat de Joden heerschen wilden in stee van te dienen, was hun volkszonde, en toen ze ten slotte het wreed geschrei van: kruist hem, kruist hem! voor Gabbatha deden klinken, deden ze niet anders dan de logische consequentie van deze hun diepste volkszonde aan Jezus voltrekken. Jezus had 't zelf zoo duidelijk mogelijk op den voorgrond gesteld: Ik, uw Koning, ben gekomen niet om gediend te worden, maar om te dienen. Juist dit zeggen nu tastte Israel's volkszonde in haar hartader aan. Moest Israel heerschen, en niet dienen, veeleer dan nog zou Israel's Koning tot heerschappij en niet tot dienst geroepen ziji^ geweest. Maar ook omgekeerd, nu Israel's Koning betuigde gekomen te zijn, niet om heerschappij te voeren, maar om te dienen, gold dit in nog verhoogde mate voor het volk van dien Koning, dat dan evenals hij zijn dienst onder Gods bestel te volbrengen had, en aan geen heerschappij over de andere volken mocht denken. Wat het hart van den Jood in Jezus dagen vervulde, was roof aan het heilige. Een poging om het heilige Gods, dat aan Israël was toevertrouwd ten einde de wereld te zegenen en haar Gods eere te doen dienen, op te ëvsticufo. voor zich als natie, er zich zelf op te verheffen, er eigen hoogheid door te willen bejagen, en zoo zich op te maken, om de heerschappij over alle volken der aarde te gewinnen. De Jood moest groot zijn; de Joodsche natie moest groot zijn; en al het bestel Gods moest dienen, niet om den Raad Gods met heel deze wereld uit te voeren, maar om het Joodsche volk tot de hoogste eere te verheffen. Jezus worsteling met dezen Joodschen volksgeest, die in zijn dagen het hart van heel Israel vermeesterd had, was alzoo een worsteling voor het heilige Gods, voor het hoog bestel des Heeren, voor de glorie van het genadewerk, voor de redding van heel de wereld, en voor de vestiging van dat geestelijk Koninkrijk, dat niet binnen de enge grenzen van Palestina zou besloten zijn, maar heel ons menschelijk geslacht, voor zoover het aan zijn God vasthield, én onder hen die nog op aarde waren, én onder hen die reeds ter zaligheid waren ingegaan, én onder hen die nog stonden geboren te worden, in heilige eenheid zou omvatten. Zijns was niet een Koninkrijk gelijl^de volkeren dit hadden. In zijn Koninkrijk viel integendeel alle gedeeldheid der volken weg. De splitsing van Babel's torenbouw werd in zijn Koningschap te niet gedaan. Niet over één der volken, noch over meerdere volken, en ook niet over het volk van Israel zou hij Koning zijn. Zijn Koningschap doelde op de ongedeelde menschheid, op heel ons menschelijk geslacht.

En nu de tweede tegenstelling. Jezus niet Koning der Joden, maar Koning over een eigen volk uit alle natiën, en alzoo zijn Koninkrijk zich over heel de wereld uitstrekkend, dat was de tegenstelling tegenover de Joden. Maar hierbij kwam een tweede tegenstelling, nu niet tegenover de Joden, maar tegenover de overige volken, tegenover het aardsche Koninkrijk, tegenover de Koningen „gelijk de volkeren die hadden." Die tegenstelling sprak Jezus uit in twee verklaringen. De eerste toen hij zeide: „Mijn Koninkrijk komt niet met uiterlijk gelaat. Het is binnen in u"; en de tweede toen hij tegen Piiatus betuigde : „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Anders zouden mijne dienaren voor mij gestreden hebben." Het kenmerk van de vorstelijke macht, gelijk deze zich onder de onderscheiden volken ontwikkeld had, was juist, dat deVorstopzijntroonenonderzijnkroonmoest schitteren in praalvertoon, allerwegen in uitwendige vormen zich moest aankondigen, in banieren en schilden uitwendig verzinbeeld moest wezen, en door dit „uiterlijkgelaat" d.i. door dit praalvertoon, den indruk moest maken van hoog boven het gewone leven der menschen-kinderen uit te steken. In het aardsche Koninkrijk kon en kan dit niet anders. We bepleiten daarom de overdreven weelde niet, noch de alle grenzen te buiten gaande schittering, waarin het Kontnkrijk onder een Lodewijk XIV, en het Keizerrijk eerst te Rome en later onder Napoleon zijn kracht zocht; maar noodzakelijk is het nu eenmaal, dat in onzen aardscben toestand hij die de kroon draagt, niet leeft als een gewoon burger, maar in de weelde van het paleis de hoogheid en de eere van het Rijk afschaduwe. Kroon en troon moeten indruk maken, en naar onze aardsche verhoudingen moeten ze dat óók doen door wat voor oogen is en het oog boeit. In stand staat de Vorst boven deH hoogsten stand onder zijn onderdanen, ea hrt is daaronl eisch, dat zijn hofhouding boven'het hoogste levensniveau uitga. Maar deze noodzakelijkheid vindt haar grond in den aard en in het karakter van onze aardsche huishouding, van maatschappij en staat. Daar nu Jezus' Koninkrijk niet aan die aardsche maatschappij, maar aan eett hooger levensexistentie zijn stempel ontleent, behoorden de discipelen van Jezus diep doordrongen te zijn van de waarheid, dat bij Jezus Koningschap van zulk praalvertoon geen sprake kon zijn, en dat zij in staat moesten zijn de hoogheid van Jezus Koningschap te herkennen, ook al viel hierbij elk praalvertoon weg. Hier gold een geheel andere maatstaf van eerc-schittering, niet voor het oog, maar in de ziel, en het was naar die grootheid en eere, dat de jongeren moesten grijpen.

En niet anders stond het met het andere kenmerk van het aardsche Koningschap: het machtsvertoon en het wapengeweld. In den huldigen aardschen toestand is zonder de beschikking over zulk een uitwendige macht geen Koninkrijk, althans niet in een Staat van grooteren omvang, denkbaar. In onzen toestand stuit elke heerschende macht gedurig op verzet van kwaadwilligheid of op gevaar dat van buiten dreigt, en om dit verzet te breken, en orde en veiligheid te handhaven, is een gewapende macht onmisbaar. Had Jezus dan ook het Koningschap over het ééne volk der Joden, over de Israelietische natie aanvaard, zoo zou ook Jezus de zijnen hebben moeten wapenen, om den krijg tegen de macht van den Romeinschen Keizer aan te binden. Hij zegt 't zelf: „Ware mijns zulk een Koninkrijk geweest, mijne dienaren zouden voor mij (met het zwaard) gestreden hebben". Juist echter omdat Jezus Koningschap niet van deze aardsch-zondige, maar van een geestelij k-heilige orde was, kon er voor Jezus van zulk een stelsel van dwang of gfeweld geen sprake zijn. Ware het op machtsstrijd aangekomen, dan zou het in geen geval geworden zijn een strijd van een nieuwe aardsche macht tegen de bestaande aardsche macht, maar een worsteling van twaalf legioenen engelen tegen de legioenen onder den Romeinschen adelaar, en we zullen later zien, dat zulk een worsteling in 't eind allerminst is uitgesloten.Maar niet alzoo zou Jezus Koninkrijk in zijn aanvang optreden. Jezus Koningschap was niet mechanisch, maar werkte van geest op geest, Jezus trad niet in het strijdperk voor een gebrekkig aardsch Koninkrijk, dat met geweld heel de menschheid inlijven zou. Hij stelde het ideale en ware tegenover het gebrekkige en gekunstelde Koningschap dezer aarde. Vandaar zijn zeggen tot Piiatus, dat hij om Koning te zijn geboren was, ten einde alzoo aan het ware getuigenis te geven.

Maar juist omdat we dat universeele en ideale karakter van Jezus' Koningschap hoog houden en scherp doen uitkomen, dient te ernstiger geprotesteerd tegen elke poging van half-geloof of ongeloof, om op grond van het geestelijk karakter van Jezus Koninkrijk de realiteit van Jezus Koningschap teniet te doen, door het te vervluchtigen in zekeren beheerschenden invloed, dien men erkent, dat op religieus en ethisch gebied van Jezus is uitgegaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 oktober 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Pro kege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 oktober 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken