Bekijk het origineel

Op hoe bang verlies aan nationaal

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Op hoe bang verlies aan nationaal

5 minuten leestijd

Amsterdam, 32 Nov. 1907.

Op hoe bang verlies aan nationaal vermogen de zondige speelzucht ook ook nu weer ons volk is komen te staan, valt zelfs bij benadering niet te zeggen.

Het dobbelspel op de beurs heeft weer millioenen verslonden. Een goed deel van onzen nationalen rijkdom is roekeloos verspeeld. Wat in speelholen als Ostende en Monaco als onzedelijk bedrijf door ieder veroordeeld wordt, is kinderspel vergeleken bij wat de kapitalisten in Nederland zich weer veroorloofd hebben. En de bange gevolgen van de financieele katastrophe, die ons land trof, zullen niet alleen gedragen worden door de schuldigen. Als het nationale vermogen weg-cbt, lijdt hieronder heel het land. De inkomsten van den Staat dalen en moeten door zwaarderen belastingdruk weer op peil worden gebracht. Voor handel en industrie, die zonder geld niet werken kunnen, ontbreekt straks het noodige kapitaal. En de bezuinigingsmaatregelen, die de nood aan de rijkeren oplegt, zullen oorzaak zijn dat de arbeiders geen brood kunnen verdienen.

In hoeverre dé Regeering maatregelen kan nemen om dit kwaad in ons land tegen te gaan, is een vraag, die we hier niet te beantwoorden hebben. Bovendien, zelfs de strengste wetgeving vermag zoo weinig, wanneer de conscicntie niet tegen deze zonde getuigt. Eerst als de publieke conscientie weer ontwaakt en dit dobbelspel openlijk afkeurt en brandmerkt, is blijvende beterschap te wachten.

Aan het protest, dat in heel de pers tegen deze speelzucht van onze natie opging, sluiten we ons dan ook van harte aan. Ditmaal was er van antithese geen sprake en was de liberale Rotterdammer even beslist in haar afkeuring als De Standaard. De noodzakelijkheid om publiek tegen deze volkszonde den strijd aan te binden, werd door ieder, die ons volk lief heeft, gevoeld.

Toch is het niet alleen te doen om mede onze afkeuring uit te spreken over deze dobbelzucht, dat De Heraut op dezen misstand wijst. Indien het kwaad alleen bij die kringen school, die van het geld hun god maken, zou ons protest weinig invloed hebben. Maar naar verluidt staat ook ons Gereformeerde volk hier niét vrij van schuld. De kaas om een „zoet winstje" te maken door te speculeeren, schijnt ook voor menijjeen uit onzen eigen kring te verlokkelijk te zijn geweest. Zelfs ónder onze Dienaren des Woords zouden er zijn, die mede aan deze zonde zich hebben schuldig gemaakt. En niet zoo zelden ontmoet men Christen-menschen, zelfs Gereformeerde Christen-menschen, die dit speculeeren toch eigenlijk zoo zondig niet achten en er zelfs op roemen, wanneer ze weer een handigen slag hebben geslagen.

Met ernst moet er daarom, niet alleen in de pers, maar ook in de bediening des Woord tegen dat kwaad gewaarschuwd worden. Ons christenvolk behoort, waar deze nationale zonde helaas ook in onze kringen binnensloop, door verootmoediging en schuldbesef te worden aangegrepen om dit kwaad uit eigen boezem weg te doen. We moeten naar Goddelijke roeping voor ons volk een zout zijn om het bederf tegen te gaan, en hoe zal dan het zout, wanneer het zelf door dat bederf word aangetast, anderen tot zegen kunnen zijn?

Tegen de zonde van het speculeeren moet daarom meer, ernstiger, aanhoudender getuigd worden in de prediking, op de catechisatie en bij het huisbezoek. En daarbij hebbe men ook een open oog voor de beginselen van dit kwaad. Onze Gereformeerde vaderen hebben niet ten onrechte alle hazardspel afgekeurd. Zelfs al geschiedt dit niet om geld, toch wordt daardoor de speelzucht, het vertrouwen op de fortuin aangekweekt. Het begint schijnbaar onschuldig met een spel kaarten; straks moet, om den prikkel van het spel te verhoogen, gespeeld worden om een inzet in geld, kleiner of grooter; en als de demonische macht van dat spelen om geld eenmaal zich meester heeft gemaakt van het hart, dan schrijdt het van kwaad tot erger. Juist omdat de dobbelzucht een nationale zonde is, een trek, dien we als volk van ons voorgeslacht hebben overgeërfd, kan niet ernstig genoeg worden toegezien, dat dit kwaad tot in den wortel toe worde uitgeroeid.

De vraag of het niet wenschelijk is, dat christelijke bladen, vooral degene die zich op zuiver kerkelijk gebied bewegen, ook alle advertentiën weigeren, die met effecten en geldhandel in betrekking staan, zouden we echter niet gaarne bevestigend beantwoorden. De opmerking, door een lezer van ons blad gemaakt, dat door deze advertenties de speelzucht kan worden opgewekt, is zeker niet geheel onjuist, maar men zou dan evengoed de advertenties van wijnhandelaars moeten weigeren, omdat ze den lust tot misbruik van sterken drank kunnen prikkelen. De effectenhandel is op zichzelf geen kwaad. Wie overgespaard geld heeft, behoeft dit niet renteloosjn zijn kast te laten liggen. En wanneer ook onder onze Gereformeerden er zijn, die hun geld in effecten willen beleggen, dan is het zeker beter, dat ze zich wenden tot Christelijke effectenhandelaars, die hen voor dwaze speculatie waarschuwen en zelfs weigeren daartoe mede te werken, dan dat ze in handen vallen van geldhandelaars, die het speculeeren aanraden en begunstigen. Alleen dan, wanneer het bleek, dat zulke advertenties als lokmiddel moeten dienst doen om onder christelijken naam ons volk tot speculeeren te verleiden, zou er reden kunnen zijn om zulke advertenties in christelijke bladen te weigeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Op hoe bang verlies aan nationaal

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken