Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pro Rege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Pro Rege.

17 minuten leestijd

TWEEDE REEKS.

XVII.

Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd. Rom. I3 ; I.

Moet nu de Koninklijke heerschappij vaa den Christus in dien alomvattenden zia worden verstaan, dat van het oogenblik vaa zijn hemelvaart af, alle gezag dat op aarde bestaat, te beschouwen is als van hem uitgaande.' Oatleent met Eame de Orerheid, na Jezus' hemelvaart, aan den Christus haar overheidsgezag.' Regeert niet alleen de Christelijke keizer van Duitschland, maar ook de heidensche keizer van Japan door den Christus.' Vooral in vroeger eeuwen was deze vraag daarom vaa zoo overwegand belang, omdat de „stedehouder van Christus"de bewering opwierp, dat hem het zeggenschap ook over tronen en kronen toek*-ara Maar al is deze theorie over de pauselijke volmacht thans schier in vergetelheid geraakt, het vraagstuk zelf blijft desniettemin zijn gewicht behouden, en we hebben er ons rekenschap van te geven, of aan het gezag op aarde een zelfstandige sfeer toekomt, dan wei, of alle wereldlijk gezag onder menschen thans te beschouwen is als uitgaande van den Middelaar. Van het gezag van de Kerk spreken we nu niet. Dat alle kerkelijk gezag van den Christus tot ons afdaalt, is onbetwist. De vraag, waarvoor we staan, doelt slechts op het wereldlijk gezag, op dat gezag, dat, niet alleen onder Christenen, maar ook onder Heidenen en Mohamedanen, door den éénen mensch over den anderen wordt uitgeoefend. Er wordt (Vilder ravHschen gezag uitgeoefessd door een vader en moeder over hun kinderen, door een man over zijn vrouw, door een vorst die regeert, door diens ambtenaren en aangestelden, door den rechter in de recntszaal, door een veldheer over zijn leger, door een admiraal over zijn vloot, door een onderwijzer over zijn leerlingen, door een patroon over zijn werklieden, door een heer of vrouw over haar dienstbaren, door genie en talent in de sfeer waarin zij schitteren. Overal waar meerderen saamleven, is er een die leidt en zijn er anderen die volgen. Er kan zonder deze heerschappij van een ambtelijk of inklevend gezag, noch geordende saamleving, noch ontwikkeling en vooruitgang zija. O^rermacht bestaat ook in de planten-ea dierenwereld, maar een overmacht alleen in geweld gegrond. Onder menschen alleen is daardoor een hoogere saamleving ontstaan, dat hier het gezag voor het geweld in de plaats treedt, en zich wel, des noodig, óók door den sterken arm handhaaft, maar niettemin rust op een zedelijken grondslag. Een koning, die zich alleen door de macht van het zwaard v^eet te maintineeren, is verloren, en de zenuw van zijn oppermacht vindt een koning niet in zijn soldaten, noch in zijn politie, maar in de conscientie van zijn onderdanen. Zoolang slechts een deel van zijn onderdanen in verzet komt, kan hij dezen met geweld te keer gaan, maar ook dan nog alleen in de onderstelling, dat de overgroote meerderheid van zijn onderdanen hem trouw blijft en zijn gezag blijft huldigen. Zelfs ook de troepen, die een opstand moeten onderdrukken, zouden geen steun meer aan zijn gezag bieden, zoo hij niet rekenen kon ophuntroaw. Het geweld is bijkomstig, den grondslag van zijn heerschappij kan een Vorst alleen vinden in de trouw van zijn onderdanen; een trouw die in hun coascientie opkomt uit de overtuiging, dat ze hem om Gods wil eeren en gehoorzamen moeten. De macht nu, die op dezen grondslag rust, draagt het karakter van gezag, en het is dit gezag, dat het cement is van alle menscheiijke saamleving. Moet men nu zeggen, dat dit gezag onder menschen (de Kerk er altoos buiten gelaten) door God Drieëenig, of wel dat het door Christus, als Koning van het Godsrijk, gelegd wordt op hen, die er mede bekleed zijc.' Of ook, indien dit gezag in vroeger eeuwen van God Drieëenig uitging, moet dan althans na Jezus' hemelvaart beleden worden, dat het uitgaat, niet van God Drieëenig maar van den verhoogden Messias, die gezeten is aan de rechterhand des Vaders.'

Op die vraag nu luidt het antwoord, dat, vóór als na Jezus hemelvaart, alle wereldlijk gezag onder menschen niet van den Christus, maar van God Drieëenig uitgaat. De koning regeert bij de gratie Gods, en niet bij de gratie van Christus. Ds heerschappij die aan de koningen der aarde toekomt, is evenals de geestelijke heerschapiq van dea Christus, door God Drieëenig hun toebedeeld. Jezus is Koning in zijn Koninkrijk, en zij zijn koning in het koninkrijk dat hun is toegewezen, beide malen krachtens het bestel, de beschikking en verordening van God Drieëenig. Verre steekt de heerschappij van den Christus boven hun heerschappij uit. Hun koninkrijk is noch wat omvang, noch wat duur, noch wat innerlijke kracht betreft, ook maar van verre met het Koningschap vaa Christus te vergelijken; maar toch staat het er naast, niet er onder. De Christus is de Koning der koningen endeHeereder heeren, niet omdat hij de koningen en heerea aanstelt, maar omdat hij onder alle koningen en onder alle heeren in alle opzicht de tioogste, de uitnemesidste, de voortreffelijk ste is, en omdat hij eens over hen geestelijk zal oordeelen en hun rechter zal zijn. Maar de bron, de oorsprong van hun gezag is niet in den Christus té zoeken. Die oorsprong, die bron ligt in God Drieëenig, in den Vader, deu Zoon en den Heiligen Geest, en alzoo óók in den Zoon, in zooverre bij met den Vader en den Heiligen Geest eenswszend is; maar niet in den Zoon des menschen, niet 'm den Middelaar, niet in den Koning vaa het Godsrijk als ïoodanig.

Het duidelijkst gevoelt men dit, zoo men allereerst let op het ouderlijk gezag, dai met het Overheidsgezag één in soort is Dit ouderlijk gezag toch gaat geheel buiten het verlossingswerk, wat zijn oorsprong betreft, om. Het komt op uit de teeling voor wat de ouders, en uit de geboorte voor wat de kinderea aangaat. Deze teeiing nu en geboorte komen op uit een Scheppingsordinantia. Op zich zelf ware het zeer wel denkbaar geweest, dat alle menschen, evenals Adam, rechtstreeks door God gescl? apen warea. Waarom niet.' Met de engelen ging het immers niet anders toe. Een huwelijk is er onder de engelen niet. Jezus zelfwees er op, dat ia den hemel zelfs onder da gezaligden niemand ten huwelijk gegeven wordt. Wat wij de generatie van het ééne creatuur uit hst andere noemen, bestaat alleen op onze aards. Het bestaat ïa hel plantenrijk, dat zaadzaaisade geschapen is. Het bestaat evsnzoo in ds dierenwereld, waar het céae dier uit het andere geboren wordt of uit het ei voortkomt. En zoo heeft God het in zijn Scheppingsordinantie ook verordend voor dea mensch. Na Adam is Eva door eea afzonderlijke scheppingsdaad ontstaan, maar na Adam en Eva heeft ieder mensch een vader en een moeder. In die geboorte nu uit vader ea moeder is beider gezag over het uit hen geboren kind gegrond. By het dier is ook in deze verhouding van gezag geen sprake. Zoodra het jonge dier ophoudt hulpbehoevend te zijn, gaat het zijn eigen weg, zoekt zeif zijn voedsel, en het duurt niet lang of het herkent zelfs zija eigen moeder niet meer. Van een tijdelijk kennen van zijn vader is slechts bij hooga uitzondering sprake. Bij de menschen nu begint dit op gelijke manier, maar om reeds spoedig een geheel anderea vorm aan te nemen. De hulpbehoevendheid wordt door het kind aanvankelijk niet eens gevoeld. Hst jonge, pas geboren dier is aanstonds veel verder ontwikkeld dan het jonge, pas geboren kind. Het kind weet van niets, merkt niets. Het kan niet loopen, het kan zijn moeder niet zoeken. Het wordt gedragen, en het ondergaat het eerste leven geheel bewusteloos en hulpeloos. En niet alleen dat het jonge kind veel minder ontwikkeld is dan het jonge dier, maar ook als de ontwikkeling en de groei intreden, gaan die veel langzamer. Een jong dier, van een jaar oud, vindt veelal reeds zija eigen weg, eea eenjarig kind is nog in alles van de moederlijke zorg afhankelijk. Het duurt ten minste zeven, en veelal tien jaar, eer het jonge kind een begin vaa zelfstandigheid begint te erlangen, en verreweg de msesten kunnen niet, eer ze vijftien, zestien jaar onder verzorging zijn geweest, op zich zelf staan en in eigen nooddruft voorzien. Daarbij komt, dat het jonge dier enkel lichamelijke ontwikkeling behoeft, en voorts op instinct drijft, terwijl het jonge kind, naast zijn lichamelijke ontwikkeling, ook om geestelijke ontwikkeling roept. Dit nu schept niet slechts een tv^eede huipbshoevendheid en afhankelijkheid, maar kweekt ook tusschen kind en ouders een geheel anderen band. Bij het dier is soms reeds enkele tnaanden na de geboorte elke verstandhouding met zijn moeder geheel verbroken. Bij het jonge kind daarentegen wordt in een reeks van levensjaren tusschen zijn hart en het hart van zijn ouders een steeds hechter band geweven. In deze beide nu, èn in die lang aanhoudende, hulpbehoevendheid van het kind, èn in dien geestelijken band van hart tot hart, rust het ouderlijk gezag, en uit beide komt de erkenning van dat gezag bij het kind op.

Nu zeggen we niet, dat dit bij onze kinders buiten zohde en genade, en alzoo buiten het Verlossings-werk omgaat. Eer ligt het in den aard der zaak, dat de zonde In de ouders, en de soade in het kind gestadig dit gezag ondermijnen. Het is de zonde de* ouders die 200 telkens de zorge voor het kind en hst gezag over het kind bij vader en moeder verzwakt, en omgekeerd is het de zonde in het kinderhart, die aan ds gehoorzaamheid afbreuk doet en aanspoort tot ongehoorzaamheid, zoo niet tot verzet. En evenzoo is het omgekeerd volkomen waar, dat de genade èn bij de ouders èn bij het kind dit bederf in zonde stuit, en het ouderlijk gezag op vaster grondslag vestigt. De doop is ook een steunsel voor het gezag, Maar ook al moet erkend, dat zonde en genade ook op deze verhouding inwerken, toch is genade er niet de grondslag van. Sterk komt dit uit, zoo ge opmerkt hoe b.v. in China het vaderlijk gezag zelfs veel hooger staat dan in het Christelijk Europa. Geen zoon, al is hij 40 of 50 jaar, zal in China in tegenwóordigtieid van zija vader gaan zitten, of zija vader moet er hem toe hebben uitgenoodigd. De eerbied voor den vader althans, en ten deeie ook voor de moeder, is in Caina de '.CEuw van alle zedelijke ontwikkeling. En al moge uit anderen hoofde ook op deze verhouding zijn af te dingen, wat au nog in China bestaat, bewijst in eik geval, dat hst vaderlijk gezag hoog kan opbloeien en standhouden onder een volk, dat nog aan alle inwerking der bijzondere genade ia jijn volksleven vreemd is.

Is nu èn de ordinantie, dat niet elk mensch afzonderlijk geschapen, maar uit ouders geboren wordt, èa de ordinantie van de volstrekte tiulpsloosheid van het pasgeboren kind, gevoegd bij zijn niet dan zeer langzame ontwikkeling, in de scheppLij-; en nier in het genadewerk gegrond, dari volgt hieruit met noodzakelijkheid, dat ook het ouderlijk gezag, dat uit deze beide ordinantiën opkomt, afgeleid worde uit Hem, die de aarde schiep met al v/at daarin is, en niet uit dea Middelaar. Dit gezag moge, v/sar het v/arstocrd dreigde te worden, door dea Middelaar worden hersteld, en in zijn uitaefening geheiligd, maar in zich zelf vormt het een zelfstandige sfeer, die, gegrond in de tsatuurlijke orde der dingen, onafharskclijk van het zaligmakend geloof bestaat, in stand bleef ook in landen en streken, waar van de kerstening van het volk ganschelijk geen sprake was, en soms krachtiger zelfs m heidensche landen dan onder menig Christenvolk, zich wist te handhaven. Voor zoover ons bekend, is dan ook nooit beweerd, dat het ouderlijk gezag uit den Christus iou zijn af te leiden, en uitvloeisel zijn zou van zijn Koninklijk beste!. Denkt men zich di eeuwen vóór Christus komst, en overziet men het leven van deze wereld, voor zoover het den doop van den Christus niet ontving, zoo is vooral het ouderlijk gezag het uitgangspunt voor alle menschelijke saamle-Atig. De menschelijke maatschappij heeft zich alle eeuwen door, en in alle streken uit het gezinsleven ontwikkeld, en dat gezinsleven vond steeds ten principale zija saamhoudenden band in het gezag, dat 'tzij door beide ouders, 'tzq door vader tf moeder over de kinderen werd uitgeoefend. Is nu het ouderlijk gezag niet uit den Christus, maar uit de scheppiagsordinantie, dan volgt reeds hieruit, dat ook de verdere iaecnzettsng vaa het maatschappelijk en staatkundig leven der volkeren niet uit dea Christus kan zijn, maar uit het bestelende beschikking der Goddelijke Voorzienigheid moet verklaard worden.

Uit het gezin en het ouderlijk gezag heeft zich toch vanzelf het patriarchaal gezag ontwikkeld, en het patriarchaal verband is ongemerkt in het stamverband overgegaan. Ook in deze patriarchale kringen ea bij deze stammen wordt behoefte gevoeld aan zekere orde en regeling niet alleen, maar ook aan zekere eenhesd, om zich te krachtiger tegen derden te kunnen weren. Onder allerlei vorm ontstond er zoodoende een eenhoofdig gezag, en ook dit gezag had met de komst van den Christus niets uitstaande. Het bestond, eer hij verscheen. Het bleef na zijn komst wat het vóór zijn verschijnen geweest was. En het hield stand ook bij de stammen, die buiten de sfeer van den Doop hun bestaan voortxetten. Is nu van lieverlede uit dit stamverband ook het volksverband en staatsverband opgekomen, lang eer de Christus in Bethlehem geboren werd, en is ook de vorming dier staten van oudsher buiten elk verband met den Christus doorgegaan, zoo valt niet in te zien, waarom van het Overheidsgezag over heel een volk niet geheel hetzelfde zou gelden, als van het vaderlijk gezag in het gezin. Het is zoo, het Overheidsgezag is ingesteld om der zonde wil. Buitea zonde, zou het gezag dat rechtstreeks uit het gezin opklom, volstaan hebben, geen geweld zou gepleegd zijn, geen geweld zou Ie keeren zijn geweest, en het grooter deel van wat wij de Staatsinrichting aoeme», zou niet zijn opgekomen. Ook de deeliag der volken, die nu van Babels spraakverwarring uitging, zou zijn uitgeblevea. Het Staatsgezag is alzoo een correctief, dat strekt om de verstorende werking der zonde ïegen te gaan. Toch is deze opkomst van het Staatsgezag niet te danken geweest aan het bijzondere Verlossingswerk, maar v/as uitvloeisel vandeGemeene gratie. De genade dra.agt tweeërlei karakter. Ze is zaiigtnakcnd met het oog op het eeuwige leven, maar ook tijdelijk herstellend met het oog op dit aardsche leven. Zaligmakend verlost se alleen de uitverkorenen, als tij delijk herstellende macht strekt ze zich tot gehee! de menschheid uit, en het optreden der Orerheid moet alxoo niet uit de Zaligmakende, maar uit de Gemeene gratie verklaard worden, in zoover ook het Staatsleven en het daarmee verbandhoudeiid Overheidsgezag oader alle volken Is opgekomen, zóo voor als na Christus' verschijning stand hield, en ook daar zich voortdurend deed gelden, v/aar de naam van der. Christus zelfs niet genoemd wordt. Dit correctief van het Staatsgezag richtte zich uit dien hoofde op de menschelijke saamleving, gelijk ze krachtens de Scheppingsordinantie bestond. Het gebrek, door de zonde in het leven, dat krachtens die scheppingsordinantie opkwam, teweeggebracht, gaf aan ia wat vorm dit Staatsgezag had op te treden. Het werd er door bepaald. Het onderging er den invloed van. Gegeven de Scheppingsordinantie voor ons menscheüjk saamleven, en gegeven de verstoring hierin door de zonde aangebracht, waren hierdoor ook vanzelfde lijnen voor hst optrekken van het staatsgebouw aangewezen, en zoo ging die opbouwing van den Staat uit haar aard gesieel buiten het Verlossingswerk om. Stel voor esn oogenblik dat het heil in Christus nooit verschenen ware, toch zou d-a Staat zijn opgekomen, toch zou er een O^/erheid zijn opgestaan, en toch zou deze Oterhsid haar gezag hebben doen geiden. Al datgene nu wat er evenzoó zou geweest zijn, indien de Christus nimmer ware verschenen, kan niet uit dea Christus worden verklaard, maar moet zija oorsprong en de bron van zijn ontstaan vinden in een Goddelijke ordinantie, die dcorden Schepper van ons mcnscheiijk geslacht over heel ons geslacht besteld is. Dat de Christus ook op het staatsieven, gelijk het nu eenmaal bestaat, inwerkt, en dat wie den Christus belijdt, ook bij zijn staatkundig beleid zich door dea Christus laat bezielen, is hiermee allerminst ontkend. Veeleer zal in de derde reeks van onze artikelen hierop breedvoerig gewezen worden. Maar dit alles is entisg op den oorspronkelijken stam, en destam waarop geënt wordt, heeft eigen oorsprong, en kan nooit uit het entsel worden veskiaard.

Opmerkelijk is het dan ook, hoe de apostelen, die er steeds op uit waren, om het Koninklijk gezag van den Christus op het hoogst te verheffen, als ze toekomen aan de bespreking van de wereldlijke autoriteit, nooit op és.& Christus vs-ijzen, maar steeds op God. Vooral wat de apostel Paulus aan de Kerk van Rooie dienaangaande uiteenzet, spreekt hier sterk. Hij schrijft:

„Alle ziel zij dea machten over haar gesteld, onderworpen; want es-is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd; Alzoo dat die zich tegen de nsacht stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zich zslven een oordeel halen." Tot driemalen toe wordt alzoo met nadruk ds naam van God op den voorgrond geplaatst, en \a hetg-sen volgt, wordt nogmaals driewerf de Oi? erheid een „dienaresse Gods" geaoeorsd, zonder dat in heel dit verband de naam van dan Christus ook maar genoemd wordt, Jezus zelf heeft in zijn getuigenis voor Pilatus evenzoo verklaard, dat Pilatus geen macht over hem hebben zou, indien die macht hem niet van Boven gegeven ware, Jezus zegt niet: indien die machï u niet van mij, maar, indien ze u niet van Boven gegeven ware. Steeds heeft Jezus zich aan die van God gestelde macht onderworpen. En de groote zonde van hettoenmalig Israel, en voor korten tijd ook van de jongeren, was juist, dat zij zich den Messias voorstelden als een wereldlijke macht, die Israel lot heerschappij over de volken en Israels Koning tot een soort Keizer over alle vorsten verheffen zou. Jezus heeft er nooit aanspraak op gemaakt, dat de wereldlijke Davidische Koningsmacht op hem was overgegaan. Nooit heeft hij naar het bewind over Israel de hand uitgestrekt, maar veeleer steeds de feitelijk regeerende Souvereiniteit èa zelf erkend, èn zijn jongeren tot de erkenning ervan verplicht. Zijn afkomst naar het vleesch uit David doelde dus allerminst op de overerving op hem van het wereldlijk gezag, dat eens door David was uitgeoefend. Davids Koningschap is v, fereldiijk en had geen andere dan nationaal-s-ymbolische beduidenis gehad. Israel was sinbeeldea prototype van het Godsrijk, en David was in hoogeren zin slechts de voorafschaduwing van wat de Christus in het geestelijk Koninkrijk wezen zou, Jezus ea zijn spostelen laten daarom de bestaande orde onaangetast en ongestoord voortbestaan. Het Is iti die bestaande orde dat zij optreden. Geen poging gaat van hen uit, om hiervoor een andere orde van zaken ia de plaats te brengen, en het is vaa de bestaande machten dat de apostel zegt, dat ze uit God zijn. Zoo was het toen, en zoo is het nog. Het bestek voor ons mcnscheiijk leven is in de schepping zelve gegeven, zoowe! voor ona lichaam als voor onzen geest, ers zoowel voor den enkelen mensch, als voor de menschelijke saamleving. Het is naar de ordinantie vaa dit bestek, dat nog steeds het menschelijk leven zich voortzet. En alle dese lijnen vaK dit oorspronkelijk bestek liggen vóór eü alzoo buiten het Verlossingswerk, ea mogen deswege niet uit den Christus, maar moeten uit de Wijsheid en Almachtigheid van den Drieëenigen God, aüsr creaturen Schepper, worden verklaard, ea er uit worden afgeleid. Niet het groüdbestek der Schepping heeft zich naar het Verlossingswerk, maar het Verlossingswerk heeft zich naar dit grondbastek geschikt. Het is God de Heere, dis beide verordende: eerst het Scheppingswerk naar de door Hem gestelde ordinantie, en daarna het Verlossingswerk, deels in de Gemeene gratie, deels in d$ bijzondere genade, en God de Heere heeft zich bij dit tweede v/erk gericht naar de grondlijnen van het eerste werk. Zoo is dan Christus gesteld als Hoofd der gemeente en ais Koning van het Godsrijk, door het besluit Gods, en het is krachtens een even heilig besluit Gods d.it het gezag van mensch over mensch ia het wereldlijk regiment is ingesteld, zoo vaa de ouders over de kinderen, als van ÓAoverkeido'Jst de volken. Zoowel de Christus als Koning van het Godsrijk, als de vorsten van de Koninkrijken der aarde, regeeren bij de gratie Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 januari 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Rege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 januari 1908

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken