Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

»Uit de hand Gods.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

»Uit de hand Gods.”

9 minuten leestijd

X.

Het feit, dat in het Nieuwe Testament Christus en de Apostelen aan de gemeente den last hebben opgelegd voor het onderhoud der Dienaren te zorgen, staat dus vast.

De vraag blijft alleen over, of daarin een Goddelijke ordinantie ligt voor de Kerk aller eeuwen, dan wel of we daarin met een tijdelij ken maatregel te doen hebben, die alleen voor de eerste Christelijke Kerk gold.

Ds. Sikkel meent het laatste.

Omdat er destijds geen Christelijke Overheid was, die voor het brood der Kerk zorgde, zegt hij, moest de gemeente, noodgedwongen, wel uit eigen middelen haar Dienaren onderhouden. Maar zoodra de normale, de door God gewilde verhouding weer intrad, en de Overheid haar roeping tegenover de Kerk vervulde, hield de verplichting der gemeente, om zelve voor het onderhoud harer Dienaren te zorgen, op.

Ook hier halen we Ds. Sikkel's eigen woorden aan.

Na eerst vermeld te hebben, hoe bij 't opkomen der Kerk de door God gewilde toestand „in het ongereede" was gekomen, omdat „de zorg der Overheid" ontbrak en de „wetten geen vaste inkomsten voor de Kerk voorschreven", gaat htj aldus voort:

„Zoo verzorgde (dan) de ««rste Gemeen-^ ten uit de Heidenen naar vermogen, soms boven vermogen den dienst des Woords. Ze droegen ook in den nood, die over de gemeenten in Judea kwam, het hunne aan, om de moedergemeenten staande te houden. £n zij zorgden mede voor den arbeid van het Woord Gods, die in de Zending uitging".

„Dat waren echter ongetwijfeld overgangS' toestanden. Zeker, die toestatiden moesten duren, zoolang de Gemeente van Christus niet erkend werd en rechteloos gelaten werd in het publieke volksleven... In regelmatige toestanden (daarentegen) moet de Kerk van Christus in het sociale leven der volken haar vaste inkomsten hebben" (p. ^6, 37).

Ds. Sikkel spreekt beslist mogelijk uit. zich hier dus zoo

Het was volgens hem een overgangstoestand, dat de eerste Gemeenten uit eigen middelen den dienst des Woords versorg' den, £sn overgangstoestand, dat ze een collecte hielden voor arme kerken. En evenzoo een overgangstoestand, dat ze zelve voorzagen in de kosten voor den dienst der Zending,

Zelfs verklaart hij, dat elke twijfel hieromtrent bij hem is • buitengesloten. Het is ongetwijfeld zoo.

Die overgangstoestand moet volgens hem duren, zoolang de Kerk van Christus door de Overheid niet erkend wordt. Maar zoodra die erkenning door de Overheid geschiedt, treedt de regelmatige, de normale, de door God gewilde toestand in, dat de Overheid bij de wet vaste inkomsten voor de Kerk voorschrijft. De gemeente is dan van dezen last ontheven.

Nu meent Ds. Sikkel, dat dit gevoelen niet alleen op Gods Woord is gegrond, maar ook door onze Gereformeerde Vaderea eenparig wordt gedeeld. Zelfs zou het door onze Kerk in Art. XXXVI uitdrukkelijk beleden zijn. En degenen, die hierin van hem verschillen, verwijt hij van de Gereformeerde Belijdenis af te wijken.

Op Art. XXXVI komen we later terug. Thans veroorloven we ons alleen de opmerking, dat dit gevoelen van Ds. Sikkel, zooals het hier door hem wordt uitgedrukt, toch zeker niet door de Gereformeerde Kerken in ons land is gedeeld geworden.

Het bewijs daarvoor ligt in de historie van Art. XI onzer Kerkenorde.

In dat artikel zegeen onze Kerken, gelijk men weet, dat „de Kerkeraden, als represeaceerende de gemeenten, gehouden zijn hare Dienaren van bekoorlijk onderhoud te voorzien, "

Dit artikel is opgesteld op de Synode van Emden, toen de Kerken nog onder bet kruis leefden en van Overheidstractementen nog geen sprake was. Maar — en dit pleit tegen Ds. Sikkel's voorstelling — toen de Kerken in ons vaderland later publiek erkend werden en de Overheid de zorg voor de predikantstractementen op zich nam, werd dit artikel niet als „overgangsmaatregel" geschrapt, maar bleef het in alle volgende redacties der Kerkenorde als Gereformeerd beginsel behouden.

Wel hebben de Libertijnse he regenten dit artikel telkens willen wijzigen en daarvoor in de plaats willen stellen; V.'^rj Overheid nullen voor het onderhoud der predikanten zorgen, gelijk men o.a. zien kan in de Kerkenordening, die de Staten van Holland ia 1620 ontwierpen, maar de Kerken hebban die Kerkenordening juist niet aanvaard.

Is dit een vergissing, een slordigheid van onze Kerken geweest, dat ze Art. XI niet wijzigden, of stak hierin een beginsel}

Het antwoord daarop moge gegeven worden door onzen grootmeester in het Kerkrecht, Gijsbertus Voetius. Hij merkt eerst op, dat de Apostel in Gal. 6:6 aan dt gemeenten den plicht oplegt voor het onderhoud harer dienaren te zorgen en zegt dan: Vandaar dat de Kerkenordeningen te Emden, Dordt, Middelburg, den Haag en Dordt 1619 in de Nationale Synodes vastgesteld, de zorg voor het onderhoud der Dienaren aan de Kerkeraden (als representeerende de gemeenten) opleggen. Deze Synodale bepaling in Art. XI der K. O. oordeelen wij, dat niet gewijzigd moet worden, omdat zij op het Goddelijk recht berust, " Na daarna verhaald te hebben, hoe in sommige provinciën de Staten dit artikel hadden willen wijzigen, herhaalt hij nogmaals: Het is echter beter, die woorden niet weg te nemen, omdat daarin het Goddelijk recht en si/n verplichting worden voorgesteld." Al zorgt een rijke heer of de Overheid voor het tractement der Dienaren, dit verandert, zegt Voetius, aan het Goddelijk recht niet. „Want die hulp is veranderlijk en slechts voor een tijd. Maar het Goddelijk recht is altijddurend, dat allen, dat overal, dat steeds de kerken bindt, zoolang de kerken kerken zijn. En dat recht moet altijd weer aan de ge-^ meenten worden ingeprent, opdat het niet door tijdelijke buitengebruik-stelling in vergetelheid of onbruik gerake". (Pol. Eccl. II p. 821, 822).

Zooals men ziet, zegt Voetius dus precies het omgekeerde van wat Ds. Sikkel beweerde. Volgens Ds. Sikkel was de toestand, dat de eerste Kerk „den Dienst des Woords verzorgde", een overgangstoestand, die met de Goddelijke ordinantie niet overeenstemde. Volgens Voetius is dit juist het blijvende Goddelijke recht (jus divinum perpetuum). Elke andere regeling, waardoor dit Goddelijk recht buiten werking wordt gesteld, is volgens Voetius menschelijk, tijdelijk en veranderlijk. Wat alleen bindt, altoos van kracht blijft en voor alle Kerken geldt, is de ordinantie door God den Heerc in Gal. 6:6 gegeven, dat wie onderwezen wordt schuldig is mee te deelen van zijne goederen aan dengene, die hem onderwijst. Hoe deze besliste en krasse uitspraak daarmee te rijmen valt, dat onze Vaderen in de practijk de zorg voor het onderhoud der Dienaren toch aan de Overheid overlieten, zullen we later zien. Thans was het er ons alleen om te doen, de voorstelling te logenstraffen, alsof onze Vaderen ooit principieel hadden uitgesproken, dat wat Christus en de Apostelen verordend hadden, slsohts een

overgangsmaatregel was geweest. Door Art. XI in de Kerkenorde te handhaven als Goddelijk recht, toonden ze het tegendeel.

Trouwens, het Woord Gods laat hieromtrent ook geen twijfel over.

Indien Paulus aan de gemeente van Corinthe geschreven had: Broeders, aange-2ien de O «verheid voor het onderhoud uwer DienareQ niet zorgen wil, moet gij zelf uit barmhartigheid hen onderhouden, dan ha Ds. Sikkel volkomen gelijk.

Maar niet allee», dat daarvan in I Cor. 9 geen woord staat, de bewijsvoering van den Apostel sluit zelfs elke gedachte aan ee overgangstoestand uit.

Paulus beroept zich toch in de eerste piaats op de natutirlijke orde der Schepping. De wijngaardenier eet van de vrucUt van zijn wijnstok. De herder eet van de melk zijner kudde Hij verwijst vervolgens naar wat de wet Gods reeds bij Israel bepaalde: wie het altaar bedient, zal met het altaar deelen. Hij zegt eindelijk, dat Christus het alzoo verordend heeft als een blijvende inzetting: v/ie het evangelie bedient, zal van het evangelie leven. En daarom houdt hij aan de gemeente voor, dat ze van Godswege schuldig is, voor het onderhoud harer Dienaren te zorgen.

Bij een „overgangstoestand" nu kan men zich niet op de natuurlijke orde der dingen beroepen, gslijk de Apostel Paulus hier doet, en zou heel dit betoog geen zin hebben Waar de Apostel dezen plicht der gemeente afleidt uit de natuurorde, uit de vjet der ceremonièn voor Israel en uit Christus eigen woord, daar blijkt, dat we hier niet met een noodmaatregel, maar met een altijd geldende Goddelijke ordinantie te doen hebben, gelijk Voetius terecht opmerkt.

En wat nu eindelijk het argument betreft, dat er destijds geen Christelijke Overheid was en de Apostel daarom op de 0/erheid de taak niet kon leggen, om voor het brood der Kerk te zorgen, meenen we te kunnen volstaan met hetzelfde antwoord, dat onze vaderen eens aan de Libertijnsche Regenten gaven, toen deze, zij het dan ook in een andere eaak. dezelfde exceptie hadden opgeworpen: „Hiertegen geldt niet de exceptie, dat dit alleen heeft plaats gehad, dewijl de Kerk nog was onder de heidensche Oiferheid. Want vooreerst geven de Apostelen niet eenen regel, welke voor dien tijd alleen zou dienen, maar die ook in het toekomende voor altijd ia de Kerk zou onderhouden worden. En ten andere is het ook opmerkelijk, dat niet bewezen kan worden, dat zoo ergens, ten tijde der Apostelen, een Overheid Christen is geworden, aan deze dit recht van de Apostelen is overgegeven, of dat zij 't zelve hebben aangenomen, maar wel het contrarie is blijkende uit het exempel van Sergius Paulus, tot het geloof in Christus gekomen zijnde den welken, niettegenstaande hij stadhouder van Cyprus was, zoo heeft Paulus hem (deze zorg) niet aanbevolen."

Of liever, want op dit voorbeeld van Sergius Paulus, hoe snedig ook opgemerkt, willen we niet te sterken nadruk leggen, de Apostel Paulus heeft ia Rom. XIII zich zeer beslist uitgelaten over het gezag, de roeping en de taak der Overheid. Wat hij daar schreef is zelfs het fundament van onze Christelijke staatsbeschouwing. Maai noch daar noch elders, waar over deOi/erheidstaak in het Nieuwe Testament gehandeld wordt, wordt haar ooit opgedragen voor het brood der Kerk te zorgen.

„Naardien dan, zoo besluiten we met onze vaderen, uit den Woorde Gods geen andere regel kan voortgebracht worden, zoo moet noodzakelijk volgen, dat de regel, dien Christus en de Apostelen ons hebben gegeven, in Gods Kerk moet perpetueel (altijd geldend) zijn."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 januari 1908

De Heraut | 4 Pagina's

»Uit de hand Gods.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 januari 1908

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken