Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pro Rege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pro Rege.

18 minuten leestijd

TWEEDE REEKS.

XVIII.

Zoo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in Hem ?

In de aatikondiging van den engel Gabriel aan Maria wordt aanstonds het Koningschap van den Christus op den voorgrond geplaatst. Van Johannes den Dooper heet 'tin Zacharias lofzang: „En, gij, Kindeken, zult een prof eet des AUerhoogsten genaamd worden", maar van Jezus betuigt de engel, nog eer hij geboren is: „Deze zal groot zijn, en zal de Zone des AUerhoogsten genaamd worden, en God zal hem den troon zijns vaders David geven, en hij zal over het huis Jacobs Koning zijn, en zijns Koninkrijk zal geen einde zijn: " Ook Jezus zal profeet zijn, maar Johannes gaat als de profeet voor Jezus uit, en Jezus verschijnt als Koning. Jezus zal ook priester wezen, maar ook dit priesterschap treedt aanvankelijk terug, en het is zijn Koninklijke majesteit en Koninklijke roeping die, als heel zijn leven beheerschend en al het overige in zich opnemend, met uitsluiting van elk ander ambt, door den engel aan Maria wordt aangezegd. Ook de Wijzen uit het Oasten komen naar Jerusalem met de boodschap, dat er een groot Koning in Israel moet geboren zijn, en dat ze zijn star in het verre Oosten aan het firmament hebben gezien. Straks treedt Johannes de Dooper op, om de komst van het Koninkrijk der hemelen in te leiden en de schare voor te bereiden op de verschijning van den Koning, die in dit rijk den scepter zal zwaaien. Om zijn Koningschap wordt Jezus geoordeeld door het Sanhedrin en gevonnist door Piiat'.'s. Het is zijn Koninklijke titel die hem ten smaad op zijn Kruis wordt gespijkerd. Het is als Koning dat hij opvaart ten hemel en nu gezeten is aan de rechterhand des Vaders. En als in de Openbaringen op Pathmos de uitgang der dingen ons in visioen na visioen getoond wordt, is het altoos weer Jezus, die als „de Koning der koningen en als Heer der heeren, rijdend op het witte paard zijner majesteit, zijn vijanden terugslaat en de zake Gods doet triomfeeren. Alzoo de Koning eerst, de Koning van den aanvang tot den einde, de Koning steeds op den voorgrond tredend, en zijn eere als Redder en Zaligmaker eerst uit dit Koningschap voortvloeiend, Niet aanvankeluk enkel redder en medicijiimeester, om eerst als zoodanig tot Koninklijke eere op te klimmen, maar juist dank zij zijn Koningschap in staat, om onze redder en heilaanbrenger te zijn. Niet de Zaligmaker wordtYiomxi.%, maar de Koning wordt Zaligmaker, en kan alleen doordien hij Koning is, onze Zaligmaker zijn. Christus is de Behouder. Hij is de Behouder des Lichaams, maar ook de Behouder der wereld. Hij is niet tot de wereld gekomen, „om de wereld te oordeelen, maar om de wereld te behoudeny Het oordeel komt ook wel, maar het moet toeven tot de voleinding ingaat. Ware Jezus terstond als Rechter verschenen, zoo zou voor het werk der behoudenis geen plaats geweest zijn. Zijn eerste en zijn tweede H? fs*/allen uit dien hoofde niet enkel naar tijdsorde, maar veel meer nog zelfs naar aard en karakter uiteen. Zijn eerste komst is niet om te oordeelen, maar om te behouden; zijn tweede komst zal zijn, niet om te behouden, maar om te oordeelen. Dit onderscheiden doei van tegenovergesteld karakter bepaalt den eigenaardigen vorm waarin Jezus de eerste maal te Bethlehem verschijnt, en zal eens evenzoo den eigenaardigen vorm bepalen, waarin hij ten oordeel zal komen. Eerst als Redder, straks als Rechter maar in alle die gestalten de Koning die zijn roeping vervult en zijn taak voleindt, en die, hetzij als Redder, hetzij als Rechter verschijnend, beide malen de Be houdenis der wereld verwezenlijkt. Behoudenis, de eerste maal door wat krank is te genezen en te herstellen, de andere maal door al wat ongeneeslijk krank bleek te zijn, uit te schiften en te verdoen.

Jezus volbrengt dit werk der Behoudenis nitt mechanisch, niet werktuigelij k, niet als een arts die een medicijn ingeeft, en voorts zich verwijdert, en veelmin als een goudsmid, die een kostbaar keurgesteente, dat in het ongereede raakte, herstelde en nu terugzendt aan den eigenaar; neen, dat werk der Behoudenis gaat organisch toe. D.w.z. Jezus gaat zelf in die wereld, die hij behouden zal, in. Hij daalt niet maar op die wereld neder, om haar oppervlakte met zijn voetzool aan te raken, en straks weer op te varen ten hemel, Jezus gaat in het leven zelf van die wereld in, en verkeert op die wereld, en onder de kinderen der menschen. niet als een vreemde hemelling, niet ais een engel of gezant van boven, maar als mensch treedt hij onder menschen op. Niet als een nieuw geschapen mensch, die bij ons oude Adamitisch geslacht zich aandient als een mensch op zich zelf, die stichter en stamvader van een nieuw menschengeslacht zal zijn, maar als „des vleesches en des bloeds der kinderen deelachtig, " met het gevallen Adamitisch geslacht eenzelfde bloed in zijn aderen dragend. Om de wereld te behouden laat hij zich in die wereld zóó opnemen, dat hij nu zelf tot die wereld behoort, dsel aan haar leven heeft, en van binnenuit zijn macht op haar kan laten inwerken. En hierin juist openbaart zich zijn Koningschap. Onze koningin is koningin van Nederland, maar ze is niet koningin van Java of Sumatra. Java en Sumatra zijn wingewesten, die aan haar kroon onderworpen zijn. Maar wij zijn haar volk. Het verleden van cnze vaderen is dooreengeweven met het verleden van haar vaderen. Tusschen ons en onze Koningin bestaat levensgemeenschap. Zij onze Koningin en wij haar volk. En zoo ook Is het hier. De wereld is niet als wingewest aan Jezus overgegaan en, als hem vreemd, aan zijn macht onderworpen, maar hij is tot ons gekomen, tot ons leven Ingegaan, onzer één geworden. Zoo is hij onze Koning en zijn wij zijn volk, en het is als onze Koning in dien engeren en organischen zin, dat hij de wereld zal behouden. Het Is één leven, dat hij met ons en v/ij met hem gemeen hebben, en van dat leven zelf dat óns met hem en hèm met ons gemeen is, gaat de kracht uit, die het gif uitdrijft, het kranke geneest, en van ons het ongeneeslijke zal afscheiden, om eenmaal het behouden zijn, en voor eeuwig behouden zija, der wereld te vieren, als geen smet of rimpel haar meer ontsieren zal, en niets dat onrein of onheilig is, meer in haar zal worden gevonden. Dan eerst zal het Verlossingswerk voltooid en de Behoudenis der wereld voleind zijn. Niet deze wereld mott v/eg, om er een andere wereld voor in de plaats te stellen, Deze eigen, deze zelfde wereld moet blijven. Ze moet niet vernietigd, maar behouden worden. Vernieuwd, hersclsapen, 'tzij zoo, maar toch altoos in wezen en ordonnantie diezelfde wereld, waartoe wij behooren, waaarin wij leven, da wereld van alie voorgeslachten, de wereld die God eens schiep en zag dat ze goed was. God laat niet varen 't werk dat Zijn hand begon. Van verijdeling van het werk Gods kan geen sprake zijn. Schijnbaar moge alles verloren zijn, maar die schijn zal worden te niet gedaan. Al wat satan en zonde in de wereld inwrongen, om haar te verderven, gaat er eens uit, maar de wereld als wereld blijft. Wat voorbijgaat is „deze gedaante van de wereld", niet de wereld in haar wezen. Die blijft als „nieuwe aarde onder den nieuwen hemel, " en Gode zal eeuwig de glorie van zijn Scheppingswerk zijn.

Om nu die behoudenis van de wereld tot stand te brengen, heeft Jezus die wereld aangegrepen bij den mensch. Die mensch is hier op aarde de kroon der Schepping. De mensch is van deze wereld het heerschende en alles beheerschende creatuur. Er is een onbezielde natunr. Te midden dier onbezielde natuur komt het leven uit van de bezielde schepping in plant en dier. Maar ook hiermee is de schepping nog nist voleind. Het gebouw mist zijn gevel en kroonlijst nog, en de voltooiing wordt eerst bereikt, als de mensch in het paradijs verschijnt om uit Gods hand den scepter over al het geschapene te ontvangen. Zoo zijn alle deelen der schepping op deze wereld ineengevat. De onbezielde natuur dient de bezielde; de plantenwereld voedt het dierenrijk; en dierenrijk zoowel als plantenrijk zijn aan den mensch onderworpen; en eerst deze vier orden saam vormen wat men noemt het leven der •wereld, en het is dat leven der wereld, dat moest behouden worden. Van daar, dat Jezus bij zijn komen tot deze aarde, haar aangrijpt in den mensch. Hij gaat tot ons menschelijk geslacht in, voegt zich irs de rij der menschenkinderen, en schuift zich in dit ons menschelijk geslacht in de plaats van Adam. Was Adam de vanzelf aangewezen Koning der menschheid in het paradijs, in zi]n plaats wordt Jezus nu Hoofd der menschheid. Koning van ons geslacht. Wij menschen zijn ongelijk; de één verschilt van den ander; er zijn onder ons meerderen en er zijn minderen; van de meerderen gaat heerschappij over de minderen uit; en juist die vanzelf opkomende heerschappij schakelt ons tot één geheel saam. Die werking van mensch op mensch bepaalt zich niet tot den tijd dat we hier op deze aarde leven. Machtige geesten werken na, ook al gingen ze van ons. Juist de invloed, die van deze machtiger geesten uitgaat, - verbindt de ge­ slachten, vormt volken en natiën. En is er nu onder al deze machtige geesten één die hun allen in macht en geest te boven gaat, en dienvolgens hen door : ^[a geest beheerscht, nu en in volgende geslachten, dan is die ééne, allesovertreffende geest, aller Koning, de Koning der geesten, de Koning van ons geslacht, de Koning der menschheid In deze wereld, niet in naam en titel alleen, maar feitelijk, werkelijk, omdat hij Koninklijk over allen heerscht, en aller geest aan zijne majesteit onderwerpt. Dat was oorspron keiijk Adam en dat had Adam kunnen blijven, maar hij viel uit, en toen lag alles ontredderd ter neder, juist omdat we toen een rijk zonder een Koning waren geworden. Dit duurde tot de komst van Jezus tot deze wereld en den ingang van Jezus in ons menschelijk geslacht. Immers van die ure af had de menschheid, had deze wereld weer een Koning, haar Koning, den alle geesten in macht te boven gaanden geest, waarvan vanzelfde heerschappij uitging. Dat merkte de wereld nïet, df, ar vernam men In de Koninklijke residentiën nie^s van. Israel zelf verstond het niet, en ook de jongeren begrepen er van verre de beteekenis niet van. Maar feitelijk was het zoo. Van het oogenblik af dat Jezus in Maria's maagdelij ken schoot ontvangen was, en Jezus als kind des menschen zijn aanzijn begon, behoorde hij tot de menschheid, was hij in ons geslacht, en was zijns de geest, die de macht van alle andere geesten in ons geslacht, niet slechts betrekkelijk, maar volstrekt, in kracht te boven ging, en daardoor was hij onze Koning. Hij werdhtX niet eerst na zij ir hemelvaart, maar was het van meet af, omdat de sterkte en macht van zijn gee& t en waarheid terstond potentieel al het andere te bovenging. Eerst na zijn hemelvaart kon dit Koningschap zich In zija schittering naar buiten openbaren. Aanvankelijk mocht het schüi!c-K, gelijk toe ieUlh-''-* jpraakveriaogen schuilt in het pasg^Doren wicht. Maar de Koninklijke meerderheid moest niet nog eerst veroverd worden. Die was er van de ure zijner ontvangenis af. Dit is het mysterie van het eeuwige Zoonschap. Hst Woord is vleesch geworden, God is geopenbaard in het vleesch. Er kon alzoo In ons geslacht niets creatuurljjks zijn of komen, dat boven Jezus uitging. Hij was, hij is boven allen, en zal steeds boven allen zijn. Vandaar dat zijns vanzelf, en zonder overdracht, de heerschappij en de macht over allen geest der menschen is. Er moge tijdelijk tegenstribbeiing, er moge verzet, er moge tegenworstelrng zijn, maar de einduitkomst moet en zal zijn heerschappij bezegelen, allen tegenstand breken, en eens moet de ure komen, dat alle knie voor hem zich buigt, en dat alle tong hem belijdt als aller Meester, Heer en Koning.

Maar tusschen Bethlehem en die volzalige einduitkomst ligt een langdurig geschiedkundig verloop, dat nu reeds twintig eeuwen aanhield, en wie weet hoelang nog doorgaan kan. Niet enkel om de behoudenis van den mensch, maar om de behoudenis van de wereld is het te doen. Ingegaan in ons menschelijk geslacht, moet Jezus alzoo, vandaar uit, ook üf^Vw^r^/d? aan zija Koninklijke macht onderwerpen. Die wereld staat niet op zichzelf, maar staat in verband met de wereld der geesten, zoo met de heilige engelen Gods, als met de gevallen engelen die satans heirscharen vormen. Als on se Koning moet Jezus deswege ook in die geestenwereld bestellen, wat tot behoudenis van onze wereld noodig is, en hij kan dit, omdat hij tevens is der engelen Heer. Te onderscheiden is alzoo:10. wat Jezus als Koning doet voor en in de enkele personen; 2". wat hij als Koning doet voor èn in de samenleving van ons geslacht; 3". wat hij als Koning doet om het wereldleven buiten den mensch aan den mensch te onderwerpen; en 40. tenslotte hoe hij als Koning strijdt, om de macht van zonde en satan en dood te niet te doen. Het eerste: e toebrenging en behoudenis van de enkele personen, grijpt geestelijk het diepst in, omdat hierbij Goddelijke macht den geest in 's menschen ziel rechtstreeks omzet. Bij de enkele uitverkorenen komt het tenslotte altoos aan op persoonlijke wedergeboorte. Bekeering is niet sterk genoeg gesproken. Bekeering is de persoonlij k-^^zfwjfe uitwerking van de wedergeboorte; maar de levensomzetting die objectief In het wonder der wedergeboorte zelve tot stand komt, is een mystiek Goddelijke daad, die elke verklaring tart. Door die wedergeboorte wordt de omgezette persoon reeds, zonder dat hij 't zelf weet, een onderdaan van Koning Jezus, en door het persoonlijk geloof ontstaat het bewust verband tusschen die v/edergeboorte en de eenmaal volbrachte verzoening. Zoo wordt de onderdaan tevens de gekochte door het bloed des Lams, en als zoodanig, naar ziel en lichaam, Jezus' onderdaan en eigendom.

Ook met dat lichaam moet hier worden gerekend. Geschiedde er niets meer esï niets verders, dan dat de afgescheiden zielen der verkorenen, na het sterven, ten hemel ingingen, 200 zouden er aan het geestenhelr om Gods troon andere geesten zijn toegevoegd, maar hetgeen God ia den mensch, zoo geheel anders dan in den engel, schiep, zou niet tot zijn recht komen. De hooge beteekenis toch van de wereld der menschen in onderscheiding van de wereld der engelen ligt juist daarin, dat in den mensch bet zienlijke en het onzienlijke vereenigd Is. In de onbezielde schepping is alleen het zienlijke, In de engeienwereld Is alleen het onzienlijke, maar In den mensch sijn beide docreengevlochten. Vandaar dat Jezus, om onze Koning te kunnen zijn, ook het vleesch en het bloed der kladerkens moest aannemen; niet alleen naar de ziel, maar ook naar het ~ lichaam lijden moest; en in het laten vergieten van zijn bloed zijn liefde moest bezegelen. Daarin, dat het Woord vleesch is geworden, ligt het uitgangspunt voor de behoudenis van ons geslacht. De opstanding is alleen door de vleeschwordlng noodzakelijk en mogelijk geworden, en zelfs de hemelvaart is niets anders dan het noodzakelijk gevolg van zijn overwinning op den dood, niet enkel geestelijk, maar ook welterdege van de zijde van het lichaam. Hoe nu veel lieve vromen zich een Koningschap van Jezus denken konden, dat ook nu nog In zijn verheerlijkt lichaam triomfeert, en het zich toch niet anders voorstelden, of de afgestorvenen zouden eigenlijk alleen naar de ziel blijven voortbestaan, is, met de Schrift voor oogen, een volkomen raadsel. De vleeschwordlng eischt opstanding en hemelvaart en de heerschappij van Jezus aan Gods rechterhand in het «erheeriijkt lichaam. En hieruit volgt weer met noodzakelijkheid, dat de verlosten door het bloed des Lams ook op hun beurt der wederopstanding deelachtig zullen worden, en dat ook hun vernederd lichaam sens door Christus aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig worde gemaakt. En dit nu levert 't bewijs, dat het Koningschap van Christus niet tot het onzienlijke beperkt is, maar zich welterdege ook tot het zienlijke uitstrekt, en dat uit dien hoofde alle eenzijdig spiritualisme . moet worden veroordeeld. Immers ons lichaam is geen vrucht van op zichzelf staande schepping. Heel het v/erk der Schepping is als éen keten, waarvan ds enkele schalmen in elkaar zijn geklonken. De mensch is, wat zijn" lichaam aangaat, geschapen uit het stof der aarde. Zijn schepping sluit de reeks der afzonderlijke scheppingen af. Wat in plant en dier geschapen werd, moest vooraf gaan, om op wat in het lichaam der menschen nog zooveel rijker en zooveel edeler zou worden, heen te wijzen. En als we ook nu nog het lichaam des menschen ontleden, of de voeding. Instandhouding, verzorging en genezing van dat lichaam wetenschappelijk bespieden, blijkt telkens weer, dat schier alles wat buiten den mensch in het zienlijke bestaat, zeker verband vertoont met hetgeen we in ea aan het menschelijk lichaam waarnemen. Zal derhalve Jezus Koningschap zich uitstrekken over den geheelen mensch, en aan den geheelen mensch naar ziel èn lichaam volzalige heerlijkheid waarborgen, dan kunt en moogt ge den Christus op geenerlel wijs van de overige zienlijke schepping isoleeren, maar is het elsch, dat ge in uw belijdenis ook geheel de zienlijke wereld in haar samenstel aan het Koningschap van Jezus onderwerpt en er bij inlascht.

En geheel ditzelfde nu geldt evenzoo van de menschelijke samenleving. Met die menschelijke samenleving is hier bedoeld niet het gezelschappelijke, maar het rijke, organische leven, dat uit da veelheid der menschen In hun onderling verband opkomt. In de Libysche woestijn doolden in de 8e eeuw tienduizenden van eenzame kluizenaars rond, die In de afzondering van het menschelijk leven hoogere heiligheid zochten. En, al zullen we ons wel wachten om de bedoeling die hen daartoe uitdreef, uit de hoogte te veroordeelen, toch behoeft men met deze omdolende eenlingen het rijke menschelijk leven aan den Nijl slechts te vergelijken, om aanstonds te voelen, hoe de menschelijke samenstelling iets heel anders, iets veel rijkers, iets veel verheveners is, dan het laven van vele enkelingen, elk op zich zelf. Al datgene nu wat in zulk een menschelijke samenleving, ia gezm en maatschappij, in landbouw, nijverheid en handel, In wetenschap en kunst, in zedelijke ontplooiing en bovenal In godsdienstige verheffing uit komt, is bij wijze van kiem door God self in onze menschen wereld gelegd. Hij schiep niet maar den enkelen mensch, maar een wereld van menschen, en in die wereld van menschen schittert zijn veelvuldige wijsheid. En nu Is het wel zoo, dat de zonde ook deze saamleving aangetast en haar leven vergiftigd en bedorven heeft, maar hierom geeft God den schat niet prijs, dien Hij In dien menschenwereld Inschlep. Veeleer moet die menschenwereld onder zijn Verlossingsbestel, van het onreine, onheilige en satanische gezuiverd, en daarna tot hooger en rijker ontplooiing worden opgevoerd, om eerst in het eind der eeuwen op de nieuwe aarde ea onder den nieuwen hemel den vollen rijkdom van de menschelijke saamleving in ongedempte heerlijkheid te doen schitteren. Maar is dit zoo, dan kan de menschenwereld in haar organische ontplooiing ook niet buiten Jezus Koningschap liggen. Dan moet Jezus Koningschap zich niet alleen tot onze ziel en ons lichaam, maar ook tot onze saamleving als menschenwereld uitstrekken. En eerst zóó opgevat, komt de uitspraak der Schrift, dat God zijn Zoon gegeven heeft, om de wereld te behouden, tot haar recht. Elke poging, om hier onder wereld alleen de zielen der verkorenen te verstaan, miskent de diepere opvatting van het Verlossingswerk, dat in de Schrift steeds op den Voorgrond treedt, als ^^^Zonze menschelijke existentie omvattend, naar ziel, lichaam èn saamleving.

Doch ook hiermee is nog allerminst de uiterste grens van Jezus Koninkrijk bereikt. Onze menschenwereld is niet beperkt tot deze aarde, gelijk wij die kennen. Tot die menschenwereld behoort ook de schare der martelaren en verlosten, die nu reeds jubelen voor den Troon, en deze onze menschenwereld staat èn hier op aarde èa daarboven In contact met de geestenwereld, Gelijk onze menschenwereld door onze lichamelijke existentie In verband staat met geheel de zienlijke schepping, zoo ook staan we als geestelijks wezens in contact met de cnsienlijke wereld der geesten, zoo heilige als onheilige. Het zou uit dien hoofde niet baten, of onze Koning ons al naar de ziel vrijmaakte, ons ook naar het lichaam verheerlijkte, en In het rijk der heerlijkheid op de nieuwe aarde onze menschelijke saamleving tot haar volkomen ontplooiing bracht, indien hij niet ook als onze Koning zijn macht deed gelden In die wereld der geesten. Zijns moet een macht zijn, om wat in die geestenwereld het op ons verderf toelegt, te weerstaan, te breken en te vernietigen, en evenzoo om wat in die geestenwereld ons genegen is, in zijn dienst te stellen, en tot de behoudenis van de wereld der menschen te doen medewerken.

Zoo eerst verkrijgt het Koningschap. van Christus zijn vollen omvang. Het is een Koningschap voor de ziel, een Koningschap voor ons lichaam, en In verband hiermee voor geheel de zienlijke schepping, In de derde plaats een Koningschap, dat indringt In geheel onze menschelijke saamleving, op elk gebied en in elke bestaanswljs. En in de vierde plaats Is het een Koningschap, dat heerscht in de geestenwereld, om eerst daardoor in voller en rijker zin onze wereld te behouden. De uiteenzetting hiervan zal ons In de derde reeks dezer artikelen bezighouden, tevens ons wijzend op de verplichtingen, die hieruit voor ons voortvloeien. Maar vooraf moet nog op het tweetal onderscheiden perioden gewezen worden, waarin dit Koningschap van Christus zijn macht openbaart: de periode van het geleidelijk proces waarin we nu verkeeren, en de slotperlode die, heel anders, met overmacht, het groot geding voleinden zal.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Rege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1908

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken