Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„En de Heere wrocht mede”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„En de Heere wrocht mede”.

8 minuten leestijd

En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere wrocht mede, en bevestigde het woord door teekenen, die daarop volgden. Marcus 16:20.

Te hooren, dat de Heere medewrocht met de discipelen, doet vreemd aan. In den diepsten grond kunnen wel wij geroepen worden om met onsEcn God mede te werken, maar klinkt het schier oneerbiedig, dat óüzer het eigenlijke werken zou zijn, onzer het initiatief, onzer het betoon van beleid en veerkracht, en dat God de Heere bij ons werk bij zou komen, om óns een hulpe, óns tot steun, óns een medewerker te zijn. Niet wij, God gaat voor. Wij kunnen slechts volgen, en werken in zijn werk. Niet onzer, Zijni is de kracht. Hij, de Heere, is het, die in óns werkt, beide het willen èa het werken.

En toch staat 't er zoo duidelijk. De discipelen droegen het Evangelie uit, en daarbij „wrocht de Heere mede, en Hij bevestigde 't woord met teekenen en wonderheden". Esrst komt dus het. werk van de discipelen. Hun prediking gaat voorop. En daarna en daarbij komt 't werk des Heeren, inwenaig door den Heiligen Geest in de harten der hoorders, en uitwendig door „teekenen, die daarop t'olgdea." We staan hier alsoo voor het werken Gods door middel van het instrument, dat Hij zich zelf in den mensch schiep.

Onze God kan rechtstreeks werken. Zelf.

Onmiddellijk. Zonder tusschenschakel. Zonder gebruik te maken van een instrument. Maar even dikwij4s, ja zelfs meer nog, belieft het onzen God te werken door middel vaa een creatuur. God kon elke plant, elk dier, eiken mensch rechtstreeks zelf onmiddellijk scheppen, maar regel is het dat Hij de plant doet opkomen uit het zaad, het dier laat werpen door een dier dat er was, en onder menschen het kind uit eea vader en moeder doet geboren worden. Zóo is het stoffelijk, en zóo is het geestelijk. De Heere is machtig zelf een gedachte, een neiging, een heilig willen rechtstreeks in ons te doen opkomen, maar in den regel verwekt Hij alzuiks in ons hart door een woord dat Hij tot ons doet komen, door een gesprek waaria we gemengd worden, door een gevaar dat ons bedreigt, door een ervaring die het leven on

bracht. Hij kan zelf in ons regeeren en het klavier van ons hart bespelen, maar Hij kan ook op ons werken door een engel, door een tuenscb, door een dier zelfs, en evenzoo door de omstandigheden.

Al dat creatuurlijke dat Ged de Heere aanwendt, dient Hem dan als instrument. Een instrument, dat Hij zichzelf bereidt. Een instrument, dat niets is, kan of vermag dan door Henr. Maar dan toch een instrument, aan welks gebruik Hij zichzelf in de orde zijner scheppiag bindt. Alles wat groeit en bloeit, groeit en bloeit alleen door Gods kracht, maar toch gaat 't niet om buiten dauw en regen, buiten licht en zonnegloed. En zoo is onze God de opperste bouwmeester en kunstenaar. Die het groote drama van het leven in zijn Besluit ontwierp, die het opvoert door zijn raenschenkind, en het daarna als historie afmaait in de heugenis van onzen geest.

In het atelier van Rubens oi Rembrandt stond het doek gespannen gereed, en bij het gespannen doek lagen palet en penseel, en als straks op dat doek de wondere kunstschepping in lijn en tint opdoemt, ontstaat dit beeld uitsluitend uit de aanraking van penseel en verfmet dat doek. Maar als de hand van Rubens of Rembraudt dat penseel en palet niet aangrijpt, komt er niets. En als die hand van den kunstenaar niet door zijn kunstmin en genialen geest geleid wordt, blijfc het kunststuk ongeschapen.

Ea in dien zin Opperste kunstenaar is dan de Heere. De wereld is het doek, wij zijn 't penseel, en in het leven om ons heen ligt het palet met de tinten. Maar het wondere beeld komt er eerst, als Gods Geest ons bezielt en aandrijft, en ais zijn Goddelijk genie met ons en in ons leven zijn kunststuk uitvoert.

Staande EU bij een meesterstuk van Rubens of Rembrandt roemt niemand het doek dat gespannen werd, noch het palet dat dienst deed, noch het penseel waarmee getooverd is, maar eeniglijk het genie van deie groote schilders.

Ea zoo ook is bij het levenstableau, dat zich op het doek van onze existentie afteekent, de eere niet voor ons die als penseel of als palet dienst dedea, maar alleen voor den Goddelijken ontwerper en voor den Oppersten Kunstenaar.

Niet ons, alleen Gode komt de eere van Zij n werk, van Zijn werk ook in ons, toe!

Maar toch neemt dit niet weg, dat God ook den mensch, in zijn zelfbewustzijn, de hooge eere schonk en toebedeelde, om voor zijn eigen besef gedurig zelf het initiatief te nemen, iets te bedenken, een gedachte te ontwerpen, een plan te vormen, en dat plan in een daad uit te voeren.

Dan scheiden zich de twee. Dan willen en bedoelen we iets. We zinnen er op, hoe die bedoeling tot uitvoering te brengen, en onderwijl we het uitvoeren, klimt het gebed uit onze ziel naar omhoog, of Gods hulp ons nabij mocht zijn, of Gods kracht in onze kracht mocht werken, en of het God believen mocht, onzen arbeid, onze daad met zijn zegen te achtervolgen.

We weten daarom zeer goed, en ziju er ons tenvoUe bewust van, dat ook de kracht van ons denken uit God is; dat het vormen van een plan ia onzen geest niet buiten God omgaat; en d \x hetgeen we tot stand brengen, alleen door Zijn mogendheid tot stand komt. Maar toch komt er in hetgeen God alzoo doet, voor ons besef een scheiding, althans een onderscheiding, tot stand. Eenerzijds hetgeen God in ons werkte, om ons tot het vormen van een plan en toe de uitvoering van dat plan te bekwamen, en anderzijds hetgeen we afbidden en verwachten, dat God in andere menschen, en in de omstanaigheden doen zal, om ons plan te doen slagen, ons werk te doen gelukken. En dit tweede nosmen we dan, dat God met ons werk mede-iorocht.

Ge zoekt een kind dat ge lief hebt \oor uw God te wianen. Daartoe lokt, vermaant, én bewerkt ge dit lieye kind door uw liefde, door uw voorbeeld, door de taal van uw hart. Gij begint dus. Maar ge weet zeer wel, dat dit alles u niet baten zal, zoo God de Heere niet gelijktijdig in het hart van uw lieve kind medewerkt met Zijn Geest. Nu was beide uit God. Eerst de aandrift in uw hart om uw kind te wsnaen, en daarna de werking van uw God in het hart van uw kind. Maar die beide scheidt ge voor uw besef. Ge bidt eerst: o, God, geef mij het rechte woord om het hart van mijn kind te treffen. En daarna bidt ge: o God, werk in het hart van mijn kind met mij mede.

Wordt DU deze uw bede verhoord, A& nvindt gij hel rechte woord, (Pm 't hart van uw kind uit zijn doodslaap te wekken, en daarna komt ge tot de zalige ontdekking dat uw God met u - medeivrocht.

En hierin nu schuilt het mysterie van heel uw leven.

Of er zegen rust op uw arbeid. Of ge slaagt. Of het u gelukt wat ge onderneemt. Gij werkt op alle manier. Gij zint. Gij peinst. Gij ontwerpt plannen en voert ze uit. Maar dit alles baat u niet, zoo uw werken niet past in wat God werkt. Zoo Hij niet u en gij uw God niet in de hand werkt. Zoo uw werken niet in het gevlij komt van wat God buiten u om werkt. Dan slaaft ge v/el en put u uit, maar zoo de lijn waarlangs gij werkt, niet geheel en juist saamvalt met de lijn, waarlangs het werken van uw God zich beweegt, is 't al doelloos, en beklijft niet, en gedijt niet, en voert tot geen resultaat.

Gissen en beproeven baat hier niet. Er moet zekerheid zijn. Eu daartoe is het onmisbaar, dat God de Heere zelf u bij al wat ge onderneemt, zóo leidt en stuurt, dat ge vanzelf op het punt, waar Hij werkt, uitkomt.

Dit is die wondere leiding van uw God, die alleen het deel wordt van wie Gods verborgen omgang kent, in alies Hem zoekt, en weet dat hij, zoo Gods nabijheid hem verlaat, machteloos staat. Ge kunt dat niet afdwingen. God geeft het zijn beminden als in den slaap. En alleen wie die leiding genieten mag, werkt van zelf en zonder het te weten op Gcds werk aan. Hij, en hij alleen, ervaart het, dat God hem opwacht, om met Zijn werk bij het werk van zijn mecschtnkind aan te sluiten, en het daardoor te doen gelukken.

Toch hebt ge voor één ding op uw hoede te zijn. Op verre na niet altoos sluit 't werk Gods zich onmiddellijk aan het werk van zijn dienstknecht aan. Toen Jezus op Golgotha den adem uitblies, scheen 't alles verloren, en toch was alles gewonnen.

Zoo nu kunt ook gij schijnbaar uw werk zien ondergaan, dat alle vrucht ervan schijnt te verdorren, omdat het medewerken Gods eerst later, allicht pas na uw dood, zal komen. Het rekent bij onzen God niet met een enkelen dag, maar met jaren en eeuwen.

Maar ook dan laat onze God zijn trouwen dienstknecht niet in vertwijfeling. De martelaren zijn gestorven, wetende dat ze het zaad der kerk zouden zijn.

Dat doet het geloof.

Het wondere geloof met de visie van wat de eeuwen baren zullen. Dan ziet het geloof hoe God medewrocht, ook al scheen alles onder te gaan, omdat het aangrijpt niet wat op 't eigen oogenblik gebeurt, maar wat de uitkomst van het geloofsleven zal zijn in een toekomst die God in zijn hand heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 februari 1908

De Heraut | 4 Pagina's

„En de Heere wrocht mede”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 februari 1908

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken