Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ds. E. Lindeboom, predikant te Gorinche

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ds. E. Lindeboom, predikant te Gorinche

7 minuten leestijd

Ds. E. Lindeboom, predikant te Gorinche m, heeft een goed werk gedaan met het referaat over de Feitelijkheid en de beteekenis der heilsfeiten, dat hij op den Theolog'schen schooldag te Kampen hield, in druk uit te geven.

Dit referaat toch had meer beteekenis dan een gelegenheidsspeech, gelijk bij zulke gelegenheden wel meer worden gehouden, maar was een grondige en principieele critiek op het standpunt door Dr. A. H. de Har tog ten opzichte van de heilsfeiten ingenomen. Gelijk men weet noemt Dr. de Hartog dit standpunt zelf het suprahisto rische en wat hij daaronder verstaat geeft Dr. Lindeboom aldus weer:

Laat ons kortelijk zien, wat hij van de „heilsfeiten" maakt. Het is, zegt hij, zijne bedoeling, de diepte der heilsopenbaring boven alle feit uit zeker te stellen. Hieruit volgt als vanzelf, dat men dan ook niet te veel aan die feiten moet hechten. Ze behoeven wel niet te vervallen, maar als ze vervallen moeten, blijft toch de heilsopenbaring dezelfde. Het is louter „angstvalligheid, om een eeuwige waarheid niet als eeuwige waar heid te durven aangrijpen, maar te meenen, dat deze staat of valt met hare uitbeelding in de historie." De historische feitelijkheden zijn voor de Schrift niet meer dan de aanleiding om over het eeuwige woorden te spreken van goddelijke openbaring; we kunnen over die feitelijkheden slechts twisten, omdat niemand onzer er bij geweest is. - t Zwaartepunt der religie moet daarom worden verlegd naar den achtergrond van Gods eeuwigen raad: men blijve niet staan bij de historische feiten maar zie daarin verwezenlijkte Gods gedachten. Men moet, boven de feiten uit, tot achter de feiten teruggaan. Want wel komen we „door het feit tot zijn achtergrond, Gods Raad. Maar bij God is de weg andersom. Die eeuwigheids methode Gcds nu kunnen we verstaan, wanneer we de leerschool der fehelijkheden achter ons hebben, en ons laten onderwijzen door Zijnen Geest”.

Waartoe die zoogenaamde suprahistorische standpunt leidt, wanneer men het op de groote feiten der Schrift toepast, laat Ds. Lindeboom ons aldus zien:

De Hattog meent, tot die eeuwigheidmethode Gods gekomen te zijn, en doet nu onderzoek naar de openbarings gedachten der Schrift, di in het verhaal der „heilsfeiten" liggen uitge dtukt, en biedt ons nu het navolgend resultaat:

Hij begint met schepping en val, omdat deze voorwaarde zijn tot het heilsproces.

Het scheppingsstx\a»\. leert, dat God als grond der wereld het heelal uit Zichzelf, naar Zijnen Raad verwerkelijkt door Zijn wil. Meer niet. De vraag naar de ontplooiing van deze daad Gods in tijd en ruimte, moet door empirischwetenschappelijk onderzoek worden beantwoord. Al ware wat Genesis zegt aangaande de opeenvolging en duur der scheppingsdagen, de wor­ m ding van de eene soort uit de andere enz., vierkant verkeerd beschreven, dat doet niets af o of toe aan de groote openbaringsgedachte die d er in ligt.

De val des menschen is niet een geloofswaj^r heid, die we aanvaarden, omdat de Schrift ervan spreekt. Maar omgekeerd: omdat de val uit de ervaring blijkt, getuigt Genesis 3 ervan, want het is de realiteit van zonde en dood die daar op historische wijze wordt voottge. dragen. De diepere zin van de geschiedenis ij deze: de mensch is uitgevallen uit de gemeenschap Gods door de zonde, d.i. door de vet. vreemding van God. En die gevallen mensch is dan de mensch van het heden.

De leer van Adam a's individueelen stamvader en van Christus als individueelen Vet. losser is, meent De Hartog, wel te handhaven maar alleen op grond van... de idee der petl soonlijkheid, en dan op deze wijze: In Adam en Christus moeten niet worden gezien petsg. nen, opgetreden in de historie. Adam is ^^ natuutlijke, Christus de geestelijke mensch. Al kan wetenschappelijk worden uitgemaakt, dat Adam en Jezus nooit leefden, toch blijft alles waar, wat de Schrift in historisch kleed ong openbaart aangaande het wezen van val en ïcrzoening. Want de eerste Adam, de natuut. iijke mensch, openbaait zich ook nu, in het heden. Eo evenzoo openbaart ïich de Christus in den wedergeboren mensch van het heden.

En nog sterker blijkt dit bij de Chris. tus beschouwing:

Hij maakt namelijk onderscheid, om niet te neggen scheiding, tusschen Jezus en Christus,

Jezus is de historische figuur uit de Evange. liën, een stutsel uit bet verleden, dat we voot ons geloof wel kunnen missen. „Met ons zijn met ons onmiddellijk, alleronmiddellijkst we^es beeft Jezus, aan het kruis of herrezen, evenmin iets te maken als dat een rijke seigneur de passiespelen van Oberammergau bezoekt".

Achter het „doode feit" der historische vet-: ichijuing van hzus ligt de eeuwigheidswaaiheid van den Christus. Christus is de realiteit van het heden, omdat Hij niet moet worden gedacht als petsoon, ma.a, i sAs hei verlossend begin uit God, dat door alle tijden zijn werking oefent.

De vleeschwording des Woords is dan ook niet: de geboorte van den Zone Gods uit Maria, maar: de realiteit der Godsgemeenschap, het wonen Gods bij ons met Zijn kracht en wijsheid Het bij tijd en wijle gesproken Woord Gods keert in tot bet innigst wezen van den mensch, om steeds met hem te zijn als dootgaande levensopenbaring. „Het gaat hier dus ciet om de vraag, of vóór tweeduizend jaar God ia Jezus Christus verscheen, maar het gaat et tm, of God bij ons, Immanuël, Christus, even werkelijk is als 't persoonlijke verderf bij ons." „Is de val even zeker als de natuurlijke mensch van het heden, zoo moet de verlossing, zoo moet het Woord, dat is de scheppende en wederbarende kracht en wijsheid Gods, persoonlijk in ons wonend, even werkelijk zijn als het vleesch werkelijk is." De vleeschwording des Woords is dus niet een feit, éénmaal in Bethlehem geschied, maar geschiedt in eiken mensch bij de wedergeboorte en blijft zich in hem herhalen.

En evenzoo bij de feiten uit Christus leven:

Op deze manier worden na alle heilsfeiten door De Haitog verdampt en vervluchtigd en tot psychologische projecties herleid.

Bij den zoendood onzes Heeren gaat het alleen tm den achtergrond er vaa, nl. om „de realiteit, dat Gods innigst leven in Christus tot heil moet worden uitgestort om zonde en dood te D'et te doen". De voorstanders der bloedtheologie hebben niet begrepen, dat naar de Schrift bloed hetzelfde is als ziel, en dus alleen de aanduiding van het innigst leven.

Thans krijgen we de Opstanding, de Hemelvaart en de Uitstorting der H, Geestes.

De Opstanding is: de overwinning van het eeuwig leven in God op den natuurlijken dood; de realiteit, dat de Heilige, die van God uitgaat, over zonde en dood glorieerend, tot Hem moet wederkeeren: de Uitstorting des H. Geestes: de verwerkelijking des heils, m.a.w. de wedergeboorte en de heiligmaking.

Wij leven — zegt De Hartog — in de bedeeling des Geestes; wat uit die bedeeling voortkomen zal, weten wij niet, maar is bij God geborgen; in elk geval geen persoonlijke wederkomst van Christus op de wolken. Daarvoor is in zijn gedachtengang ook geen plaats. De Verheerlijkte Gods (wel te verstaan: niet een persoon, maar een verlossend beginsel) is wederkomende ten oordeel in het heden. Wie Zijn komst tot later uitstellen, doen eigenlijk niet anders dan zijn oordeel ontvluchten.

Met grooten ernst nu komt Ds. Lindeboom tegen deze „verdamping" en „vervluchtiging" der heilsfeiten op Dr. A. H. de Hartog moge wanen, dat hij met deze zonderlinge, aan het Gnosticisme herinnerende denkbeelden, de representant is van de ware Gereformeerde beschouwing, Ds. Lindeboom toont hem glashelder aan, dat zijn standpunt lijnrecht ingaat tegen de Schrift en de Gereformeerde belijdenis.

We raden daarom de lezing van deze brochure ten ernstigste aan. Ze is kalm en bezadigd geschreven: de polemiek is nooit persoonlijk, maar alleen zakelijk. Door tal van citaten uit Dr. de Har togs geschriften te geven, heeft Ds. Lindeboom gezorgd, dat de lezer een objectief oordeel vellen kan. En dat deze polemiek raak was, blijkt wei daaruit, dat Dr. de Hartog terstond verklaren kwam, dat hij het toch eigenlijk niet zoo bedoelde, maar in gebreke bleef eens klaar en helder te zeggen, wat hij dan wel bedoeld heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Ds. E. Lindeboom, predikant te Gorinche

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1908

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken