Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pro Rege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pro Rege.

20 minuten leestijd

DERDEREEKS. (Derde gedeelte).

Christus Koningschap en het Gezin.

II.

Daarom zal de man zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouwe aankleven ; en zij zullen tot één vleesch zijn. Gen. 2 : 24.

Het Christelijk gezin is alzoo geen nieuwe schepping. Het komt uit de bestaande orde van zakea op, ea sluit zich rechtstreeks aan bij hetgeen tot stand kwam door de schepping in het paradijs. In de Kerk wijst „Christelijk" op een geheel nieuwe orde van zaken, maar zóó zijt ge uit de Kerk niet in het gewone leven teruggekeerd, of ook wat „Christelijk" heet in gezin of maatschappij, komt uit de Schepping op. Iets wat te sterker voor het gezin geldt, daar juist de oorsprong en de vorming vaa het gezin ons in het scheppirgsverhaal word; voorgelegd. DJ regel ook voor het Christelijk gezin is in hoofdzaak daaraan te ontkenen. Toch zij men op zijn hoede, om hierbij niet in een tegenovergestelde eenzijdigheid te vervallen, en te zeggen, dat een Christelijk gezin niet anders beteekent dan een goed gezin; een gezin dat zoo is saamgesteld en zoo geordend is, als God dit in de paradijswet eischt. Vooral van de zijde der dusgenaamde Ethischen wordt dit sterk gedreven, r.iet alleen ten opzichte van 't gezin, maar met het oog op geheel ons optreden ia 't leven. „Christelijk" wordt dan als gelijkluidend met '/ beste genomen. Wat goed, wat conform zijn eisch, wat best in het leven is, dat is het Christelijke. Ge faalt, naar deze z2deleeraren u aanzeggen, zoo ge met die bijvoeging „Christelijk" iets bijzonders, iets confessioneels, iets van eigen stempel wilt uitdrukken. Het Christelijke is geen apart cachet, waarmee ge uw optreden in de wereld karakteriseeren moogt. „Christelijk" beduidt alleen, en mag alleen beduiden, dat ge geen vrede neemt met de laag staande moraal der v; ersld, dat ge uw ideaal ook van het gezin hoog verheft, en dat ge naar de kracrit u verleend, uw gezin aan den eisch van het ideaal doet beantwoorden. Een best gezin of een Christelijk gezin is daarom volstrekt gelijkluidend, zoo predikt men u, Zelfs gaat ge veiliger en staat ge hooger, zoo ge dit bijvoegsel van „Christelijk" rusten laat, ea alleen spreekt van een degelijk, deugdelijk gezin. Dat Christelijk behoeft er niet bij. Goede wijn behoeft geen krans. Het etiket maakt dea wijn niet. En juist door te veel waarde aan dit etiket te hechten, zoo voegt men er bij, wordt ge zoo licht verleid, een huisgezin Christelijk te noemen, omdat er 'smorgens en 'smiddags uit den Bijbel wordt gelezen, omdat er gebeden en op den Sabbath gerust wordt, onderwijl man en vrouw twee blijven, de kinderen slordig worden opgevoed, de hnishouding verwaarloosd wordt, en de dienstboden als halve slaven worden bejegend. Aan die laatste bijvoeging ontwaart ge dan ook terstond, hoe de tegenzin tegen het gebruik van de bijvoeging „Cöristelijk" is opgekomen. Het woord is misbruikt als valsche vlag om een verkeerde lading te dekken, en is daardoor in ongenade gevallen. Tal van gezinnen kan men binnentreden, waar ge een man ea een vrouw vindt van Christelijke belijdenis, die niet alleen buiten, maar ook in hun huis, voor hun Christelijke religie uitkomen. Dit geeft u den indruk dat ge met vrome menschen te doen hebt; maar leert ge ze nader kennen, dan vindt ge, helaas, dat de religie er niet doorwerkte, en dat er tusschen man en vrouw, tusschen ouders en kinderen, tusschen de vrouw en haar dienstboden een verhouding bestaat, waarover zelfs de wereld, werd ze zoo in haar kring gevonden, een hard oordeel zou vellen. Dan voelt men dat » meer schijn dan waarheid heerscht; dat het woord „Christelijk", door het op zulk een gezin toe te passen, misbruikt wordt; en het IS om deze schijnheiligheid te keer te gaan, "^t men tegen het woord „Chtistelijk" protesteert, en u voorhoudt, dat ge dien "ijnaara liever moet weglaten, moet jorgea dat uw gezinsleven aan het net hoogste ideaal beantwoordt, en daarom oeter doet met u te wennen aan dea stelregel, dat het Christelijke in't gezin ia niets anders bestaat dan daarin, dat het '/ beste iezin Is,

Maar al wordt 't u zoo duidelijk, hoe oeze leuze in de wereld is gekomen, «eruit volgt nog in "t minst niet, dat wie «> o spreekt, gelijk heeft. Vooreerst toch *onieu in de kringen, waarin de prediking »aa dsze neutrale opvatting ingang vond, eyengofd allerlei huislijke miastanden voor ** 'O tnkele Christelfjkc gwinnen; soms van nog erger natuur. Het is volstrekt niet waar, dat vooral en met name onder wat men „de fijnen" noemt, deze innerlijk uiteengescheurde gezinnen gevonden worden. Veeleer mag dankbaar getuigd, dat juist in de Christelijke kringen gemeenlijk het ideaal van het gezinsleven nog het best tot zijn recht komt, en in 't gemeen genomen nog ten voorbeeld kan strekken. Er zijn droeve uitzonderingen, en vooral zoo deze uitzonderingen voorkomen bij wie op dea voorgrond staan, doen ze zoo ongelooflijk veel kwaad, omdat ze den geest van ernst breken en aan de wereld de kans bieden om ons met schijn van recht te belasteren. Maar grootelijks onrecht geschiedt aan onzen ievenskring, zoo men deze uitzonderingen algemeen maakt, en den indruk poogt te vestigen, alsof juist onder de vromen het gezinsleven zooveel te wenschea overliet. Doch moet reeds hierom het protest afgewezen, ook in zich zeif is de bewering, dat een Christelijk gezin en een deugdelijk gezin 'tzelfde beteekent, onhoudbaar en verwerpelijk. Het innerlijk goede en beste is daarom nog volstrekt niet Christelijk. Ojk al vondt ge een gezin, waarin alles toeging naar de paradijsordinantie, daarom zju zulk eea gezin nog volstrekt geen Christelijk gezia zijn. Denk u een oogenblik dat er geen val in zonde ware gekomen, en dat hst leven der wereld zich ia alles conform Gods ordinantiëa ontwikkeld had, zoo zou er deswege nog nimmer van een Christelijk leven sprake kuaaea zijn. Stel dus al, dat ge in heel uw kring act gezinsleven tot het ideaal van het Paradijs kondt opvoeren, toch zou daarom een aldus ineengezet en een aldus levend gezin nog allerminst aanspraak hebben op den eereaaam )'an een Christelijk gezin te zijn.

Doch indien dan het Christelijk gezin zicb eenerzijds moet aansluiten aan de bestaande orde van zaken, ea toch anderzijds een eigen karakter moet vertoonea en eea eigea stempel moet dragen, in welken vorm hebben , '.'e ons dan het baantwoordea aaa dien tweeërlei eisch te denken? Hierbij nu is op tweeërlei te letten. Vooreerst hierop. Jat het Paradijsgezin geen model was, dat c-onstaat zoo blijven moest, maar een instelling van primitieven vorm, die bestemd A*as, om zich in steeds hooger vorm te ontwikkelen. Bij eea levenstoestand zoo ssnvoudig als in het Paradijs, droeg ook act gezinsleven een uiterst eenvoudig karakter. Naar gelang het leven der wereld i/eelztjdiger vormen zou aannemen, zouden 5ük aan het gezinsleven steeds breeder akcaen gesteld worden. Naarmate het leven ; n veel rijker gedaante optrad, zou ook het gezinsleven zich veel rijker ontplooien tnoetea. In het Paradijs was nog weinig meer gegeven dan de kiem, waaruit gaandeweg de geheele plant zou moeten opschieten, om eerst aaa het einde van haar ontwikkeling de bloem te doen uitkomen en dan rijke vrucht te dragen. Alle primitieve gestalte is arm in den vorm. De zaadkorrel of het stekje, waaruit straks de rosenplant zal opschieten, heeft niets dat aantrekt. Het is klein, sober en boeit aau.velijks het oog. Het is daarom wel rijk in 7 wezen, want al wat later in plant, bloem ea vrucht zal ontkiemen, komt uit dsze zaadkorrel of uit dit stekj.3 op, maar ge ziet 't nog niet, het schuilt nog alles, lanerlijk rijk, maar in den vorm arm was alles wat ons het Paradijs vertoont. Dat gold ook het gezinsleven, Ea daarom lag in het gezinsleven, evenals in alle leven, de bestemming, om zich uit de kiem van lieverlede tot steeds rijker vorm te ontplooien. Zal aizoo het Christelijk gezin zich aan de bestaande Scheppingsorde aansluiten, dan ligt h erin vanzelf de roeping, om het gezinsleven niet te laten blijven, gelijk men net vindt, maar het, overeenkomstig zijn aard en ingeschapen wet, tot steeds volkomener ontwikkeling te brengen. Ook wat htt gezinsleven betreft, is de Christus gekomen om ons steeds meer tot die rijke ontplooiing te doen geraken, die door de Scheppingsordinantie aaa het gezia als bestemming was aangewezen.

Dit in de eerste plaats. Het Christelijk gezin moet ons het gezinsleven in hooger staat van ontwikkeling en ia rijker ontplooiing vertoonen, dan het gezinsleven zich vertoont ia de heidenwereld, onder den Islam, of bij de afvalligen. Doch hierbij komt ia de tweede plaats, dat er sinds het Paradijs wel een alzijdige ontwikkeling van het gezinsleven, gelijk van alle menschelijkleven, heeft plaats gegrepen, maar dat de zonde de ontwikkeling eenerzijds vertraagd, anderzijds vervalscht hseft, en een eigen kiem van verderf in het gezinsleven heeft ingedragen. Met het oog hierop is Christus gekomen, niet alleen om het gezinsleven tot hooier ontplooiing op te vo«ren, maar e t j e b i ook om die ontwikkeling te versnellen, het valsche er uit te verwijderen, de kanker, die uit de kiem van zonde ook ia het gezin opkomt, te stuiteti" .a uit te scijdea. Ook voor het gezinsieyen is Christus de Verlosser. Evenals alle menschelijk leven, zoo is ook het leven van het gezin krank, ea Christus is de Medicrjnmeester, die ook in het kranke gezin de gezondheid herstellen komt. Dit geldt niet alleen voor de personen in het gezin, die voor hun eigen zieleleven de heiliging, die van Christus uitgaat, zoo ia elk opzicht van noode hebben, maar het geldt ook voor het gezin als zoodanig. De zonde had niet alleen de personen aangetast, die het gezin saamstellen, maar ook de verhoudingen waarin ouders ea kinderen, mannen ea vrouwen, heeren en dienstbaren saamieven. Niet alleen de personen, maar het gezia zelf in zijn natuurlijke werking heeft onder de zonde geleden. Ook in zijn verhoudingen beantwoordt het dus niet meer aan den Scheppingseisch van het paradijs, en het is wel uitgegroeid, maar niet zonder waterloten, verkeerde uitwassen zijn opgekomen, allerlei insecten hebben zich ia de takken genesteld, om blad ea bloem te beschadigen. Ea zoo ook de ellende die uit de zonde volgde, heeft in den nasleep van haar nooden en tegenspoedigheden den groei van het gezia belemmerd of scheef getrokken. De stormen van het ieven zijn ook op het gezin niet zonder invloed gebleven. Ze hebben zoo menigen stengel geknakt, zoo menigen tak afgebroken. Soms het gezinsleven geheel ontzet. Reeds Je armoede heeft zoo bitterlijk het gezinsleven verarmd, ea het onbekwaam gemaakt om aan zijn roeping te beantwoorden. Vraag u maar af, van hoeveel gezinnen de vader schier vaa 's morgens vroeg tot 's avonds iaat buitenshuis is, zoodat hfj zijn kinderen zoo goed als nooit ziet, en er van opvoeding der kinderen van vaders kant zoo goed als geen sprake kan zijn. Niets in ons measchelijk leven is door de zonde en ellende onaangetast gebleven, maar vooral het geiiaslevea heeft onder beiden, èa onder de zonde, èn onder de ellende, zoo bitter ge-.eden, en het is de roeping van de Christelijke religie, om ook op dit punt in te grijpen, en herstel van wat gehavend en uit lij a verband gerukt werd, teweeg te brengen. Geheel kan dit doel nooit worden bereikt. Noch de zonde, noch de ellende kan Joor de Christelijke religie worden te niet gedaan. Ze blijven voortwoeden ea hernieuwen gedurig de schade die ze aanrichten. Maar eea Christelijk gezin moet dan coch in de eerste plaats daaraan herkend kunnen worden, dat de gevolgen van de sonde en ellende althans eeaigermate ondervangen zijn, ea dat een heilige kracht daarvoor sa de plaats is getreden, om de wonden te verbinden, en het kwaad in zijn werking te stuiten.

In tweeërlei werking moet zich alzoo het Christelijk karakter van het gezinsleven openbaren, in genezing van het kranke en m rijkeren groei. Op herstel, op genezing van het kranke, op stuiting van het zondige doelde de Christus, toen hij tegenover de echtscheiding, gevolg van zonde, echtbreuk, ontucht en hoererij, er op wees, dat het lzoo in den beginne niet geweest was. Dit is de terugroeping naar da oorspronkelijke zuiverheid, het bestrijden vaa het booze, de genezing van het kranke, het herstel van de oorspronkelijke kracht. Maar behalve deze genezing van het kranke moet de Christelijke religie het gezin ook tot verdere ontpiooimg brengen, en hierop doelt de postel, waar hij zegt „dat de man zijn vrouar alzoo liefhebbe, gelijk Christus zijn gemeente heeft liefgehad en zichzelven voor haar heeft overgegeven, opdat hij haar eiligen zou". Hier toch wordt een fijnheid, eederheid en innigheid in de verhouding usschen man ea vrou w uitgedrukt, gelij k geen oor of neger in Afrika die ooit vermoed f gegist heeft, ea gelijk ze zich zelfs ia het aradijs nog niet liet denken. En herstel éa ijker groei alzoo moet de Christelijke eligie in het gezinsleven aanbrengen; want wat geldt van de verhouding tusschen man a vrouw, geldt eveazoo vaa deverhoudiag usschen ouders ea kiaderea, tusschen broeders ea zusters, tusschea heer en dieastkaecht. En nu zegge men niet, dat dit uist op hetzelfde neerkomt als wat de thischen bedoelen met te zeggen, dat het este gezin bet Christelijk gezin is; want zoo bedoelen zij het niet. Wat zij willen s juist den Christelijkcn factor van Verlossing uitsluiten, er op wijzea, dat er ook onder wie niet belijden soms eea uitnemend gezins leven gevonden wordt, en nu staande houden, dat alzoo de Christenen dit natuurlijk ideaal slechts hebben na te streven, om het hoogste te bereiken, dat aan de Christenen is voorgesteld. En dit juist gaat niet, Er moet met de zonde, er moet met de ellende gerekend worden. Het moet ons klaar worden, hoe zonde en ellende de oorsproakelijke instelling vervalscht hebben, en hoe Christus gekomen is om ook op dit punt de door God ingestelde orde van zakea te herstelle3, en naar haar aard tot verdere ontplooiing te brengen, en hoe dit alles alleen onder den invloed, die van Christus uitgaat, te verwezenlijken is. Ge moet niet vragen, of er in ons Christenland niet 00^ onder de ongeloovigen sonïs een bloeiend gezinsleven gevonden wordt, en of daartegenover het gezia van menig belijdend Christen niet soms zeer veel te wenschea overlaat. Die vergelijking is valsch. Het hangt hier niet aan persoonlijken invloed, er moet gevraagd worden welk verschil en welke tegenstelling de Geest van Christus teweeg heeft gebracht tusschea dea toestand in het Christenland en den toestand in het laad vaa Heiden en Mohamedaan. De ongeloovigen die onder ons leven, danken aan de Christelijke zede die ingang vond, o, zooveel vaa het goede, dat ze uit eigen wortel nooit zouden gewonnen hebben. Zeker, er werkt ook een gemeene gratie, ea ook onder Heidenen en Mohamedanen vindt ge nog steeds overblijfselen van een hoogere opvatting in het gezinsleven; maar dit alles scheelt nog hemelsbreed van v/at het gezinsleven in het Christenland geworden is. Wat er schoons, edels ea verhevens in het Christenland in de geheele opvatting vaa het huwelgk en het gezinsleven gevonden wordt, is ons deel geworden door dea invloed, die van Christus op deze volken heeft ingewerkt. Ook daarbij werd wel rechtstreeks uitgegaan van de bestaande orde van zaken, en van het oorspronkelijk bestel in het Paradijs, maar de bouw die thans op dezen grondslag is opgetrokken, danken we aan Christus, en aan hem alleen. Ook ai wordt er in de Heidenwereld, met name in China, soms nog veel uitnemeads in het gezin gevonden, dat menig gezin onder ons zou beschamen, toch maakt dit nooit een Christelijk gezin. Christelijk is alleen dat gezin, waarin Christus door zijn geest heerscht, de zonde terugdringt ea verzoent, en het alzoo verloste en gezegende leven tot hooger bloei opvoert.

Doch juist hieruit volgt dan ook, dat een gezin, om het ware Christelijke type te vertoonen, nog door een derden trek zich onderscheiden moet. Komt de herstellende en verder ontplooiende kracht aan het gezinsleven alleen uit den Geest van Christus toe, dan is het eisch dat aan dien Geest van Christus in het gezia ook mildelijk geofferd worde, en moet de invloed van Christus op het gezinsleven door gestadige voeding van het heilige element worden gesterkt. Iets wat we ook zoo kunnen uitdrukkea, dat ia elk Christelijk gezia het altaar der aanbidding moet gevonden v/orden. De Christelijke religie moet, zal 't gezin Christelijk blijven, ia eik gezia een eigen plaats innemea. Het besef moet leven, dat mea aan dea Christus de genezing ca den rijken groei van zija gezin dankt, en daarom moet de Christelijke religie ia het gezia een eigea element vormen. Er most niet alleen Christelijke religie in de personen zija, maar ook het gezin als zoodanig moet aan de Christelijke religie den tol der eere betalen. Er moet niet alleen persoonlijke religie zijn, maar ook gezinsreligie. Dat men voor zich zelf bidt is niet genoeg, men moet ook samen bidden, ea opdat dit niet verioope, moet er voor het geziasgebed een eigen tijd worden ingeruimd. Er moet gezinsgebed, en ook geziasaaabidding ea gezinsdankzegging zijn; en wel gezinsaanbidding, zoo het even kan, ook door het gemeenschappelijk gezang ter lofverhtffiag van de genade die aan het gezin bewezea wordt. Ea opdat de vrome gezinsgeest gedurig voeding ontvange, moet er ook gemeenzaamheid met het Woord zijn; de gemeenschappelijke lezing van Gods Woord moet gestadig den religieuzen gezinsgeest sterken. Wij verstaan daarom wel dikwijls niet, hoe de lezing van eea hoofdstuk, dat weinig toespreekt, dien geest voedt, maar de ervaring vaa eeuwen heeft dan toch getoond, dat juist dit zich gezamenlijk onder het Woord stellen een heiligenden en wijdenden invloed op heel 't leven uitoefent. Dat ook bijzondere gelegenheden in het gezin, zooals doop, ziekte, verjaring, het doen van belijdenis enz., door heel het gezin moeten worden geheiligd, spreekt van zelf, maar toch de hoofdkracht voor den e religieuzen zin van het gezinsleven gaat van de dagelijksche godsdienstoefening uit. Een gezm moet zijn altaar hebben, en het d is de vader die bij dit altaar de priester in zijn gezia moet zijn. Waar dit ont­ s breekt, of bloot werktuigelij k wordt nageleefd, mist het gezin zija Christelijk stempel; en alleen waar dit regel en wet is, komt 't gezia als Cüristeüjk gezia uit, gelijk ook de Sabbatviering in het gezin de gelegenheid opent, om zich in religieuzen zin te sterken.

Men heeft dit wel eens een „huiskerk" genoemd, en tot op zekere hoogte is die naam te aanvaarden, maar toch mag bet woord ons niet misleiden. Een Kerk in 't klein is het gezin niet, en kan het niet wezen. De Kerk behoort tot een geheel andere bedeeling, en leeft uit een geheel andere orde. Zij is de nieuwe schepping, die Christus ia deze wereld gesticht heeft en ingezet, en die daardoor een geheel eigen karakter draagt. Dat de Kerk ook op het gezia haar iavloed oefent, spreekt van zelf. Een prediking die niet ook gedurig het gezinsleven ter sprake brengt, is onpractisch en schiet te kort. Ook zai het levea gedurig de Kerk met het gezin ia aanraking brengen, en vaak zal de Kerk door haar Diaconaat de ellende te keer gaan, die de armoede over zoo menig gezin dreigt te brengen. Maar toch, het moet ia het gezia een zelfstandig, een eigen leven blijven, en het gezin moet niet door de Kerk worden overheerscht. Dat dit bij het eerste opkomen van de Christelijke Kerk in deze landen tot op zekere hoogte niet wel mogelijk was, geven we gaarne toe; maar toch blijft het onze overtuiging, dat de R^omsch-Kathoüeke Kerk, die deze oude traditie nog steeds voortzet, aan de zelfstandigheid ea het eigen karakter van het gezin eenigermate te kort doet. De Kerk moet zich zeer zeker met de enkele personen vaa het gezin, wat het persoonlijk ieven aangaat, iaiaten, acht slaan op de zuiverheid van belijdenis en op den Christelijken wandel; maar het gezin als zoodanig Is een eigen sfeer, die natuurlijk tot de orde der schepping behoort, en voor welks welstand de verantwoordelijkheid niet op den Dienaar des Woords, maar op het hoofd des gezins rust. Reden waarom wij ook nooit het bouwen van kerkelijke scholen hebben aangemoedigd. De opvoeding, wsartos het schoolwezen behoort, komt voor rekening niet van de Kerk, maar van de cuders. Toezicht op het godsdienstig onderwijs in de school komt zeer zeker ook aan de Kerk toe, maar het burgerlijk onderwijs, dat uit het gezin naar de maatschappij moet overleidea, staat aaa de ouders ea niet aan de Kerk. De Kerk heeft een eigea terrein, en zoover dit lerreia reikt, moet zij haar gezag doen gelden, maar naast de Kerk staat het gezia met eea eigen terrein, dat door de Scheppingsordinantie zelve is aangewezen, en dat de Kerk zich niet annexeeren mag. De Kerk moet ea mag de personea vaa het gezin, eik voor wat hem aangaat, ook op zija gezinsverpiichtingea wijzea, maar nooit anders dan met dea toeleg ea de bedoeling, om door de personen, op wie ze invloed oefent, het gezin als een zelfstandig organisme te doen bloeien. Ook het gezin kan alleen la vrijheid tieren, en ook de Kerk hééft die vrijheid van het gezin te eerbiedigen, gelijk op het gezin de plicht rust, om de gezinsreiigie ia eere te houden ea te doen tieren.

Geheel de voorstelling, die alleags ingang vond, alsof er van een Christelijk gezia, ia den specialen zin die uit dit woord volgt, geen sprake kan zijn, moet daarom met aile beslistheid worden verworpen. Een uitstekead gezia is daarom nog volstrekt geea Christelijk gezin. Nawerking van Christelijke traditiën gevoegd bij de gemeene gratie moge ons ook onder de ongeloovigen soms gezmnen doen ontdekken, die in menig opzicht een toonbeeld van huiselijke deugd zija, maar Christelijk zijn deze gezinnen daarom nog geenszins. Onverbiddelijk moet dan ook aan het eeren van het Christelijk karakter vaa het gezinsleven worden vastgehouden. Er moet in het Christelijkgezindoor den Geest vaa Christus, ea ais uitvloeisel van de is werking van dien Geest, drieërlei zijn. Ten eerste herstel van wat zonde ea ellende bedierf. Tea tweede opvoering van bet oorspronkelijk gezinsleven tot zijn ideaal. En ten derde, opdat dit niet etn voorbijgaande zegen zij, maar zich in het gezin vastzette en er ia gevoed worde, heiiigicg van de gezinsgemeenschap door het oprichten in het gezin van eea altaar, waarbij heel het gezin, ouders, kinderen en dienstboden, saam neerknielen, om Gode de eere en ds aanbidding toetebrengen voor wat Hij in zija genade aan het gezin schenkt, en om van' Hem den zegen voor het gezinslsvea af te bidden. Eerst zoo kan C& ristus als onze Koning ook over het gezin zijn heerschappij uitoefenen. Eerst zoo zai hij ook in het gezia n door het gezin als Koning geëerd worden. Van hem zal door zijn Geest alle werking ten goede uitgaan. En de Cfaristenouders, ie met hun gedoopte kinderen en met hun Christelijk personeel in zulk eea gezin aamievea, zullen weten, dat niet alleen hun persoonlijke toebreaging, maar ook de ooge genade die ze ia het gezinsleven enietea, hun alleen om Christus wille vaa un God toekomt.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 maart 1909

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Rege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 maart 1909

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken