Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pro Hege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Pro Hege.

18 minuten leestijd

DERDE REEKS. (Derde gedeelte).

ChristuS Koningschap en het Gezin.

VIII.

Zie, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN ; des buiks vrucht is eene belooning. Psalm 127 : 3.

In het kind wordt het gezin voltooid. Ook de pas gehuwden vormen wel een gezinsleven, maar toch alzoo dat. ze zelve gevoelen, hoe er nog altoos iets aan de volheid van hun leven ontbreekt. En dan eerst, als door de geboorte van het eerste kind de tweeheid tot drieheid geworden is, vertoont het gezin zich als volgroeid. Ook van het dienstpersoneel in het gezin zal te handelen zijn, maar al behoort, zal 't goed zijn, ook dit personeel in het gezin te worden opgenomen, toch schuift het van buiten af in het gezin in, en wordt er nooit een organisch deel van. Bij een aangenomen kind is de band vanzelf nauwer en inniger, maar toch, ook het aangenomen kind bestaat het gezin niet in den bloede, en de lief-Igke naam van kind geldt naar Goddelijk recht alleen daar, waar de gehuwde man en vrouw saam de ouders van het jonggeboren wicht zijn. Op dat saam moet hier de volle nadruk gelegd, want ook van de kinderen uit een vorig huwelijk geldt niet wat in 't kind, dat beider kind is, voor ons optreedt. Zulk een voorkind is wel 't kind van den man of 't kind van de vrouw, maar niet beider kind, en ook hier blijft de band van het bloed onvolkomen. Zoo treedt de drieheid van „man, vrouw en kind", sh gevolg der zonde, want ook de dood is om der zonde wil, in allerlei verwikkelde vormen van het leven op; het ergst wel bij het buiten echt geboren kind; maar in al deze onvolledige of onzuivere combination komt de regel, de ordinantie Gods, niet in haar volle schoonheid uit, en om die schoonheid van Gods ordinantie ten volle te kunnen waardeeren, moet ge altoos weer terug naar het normale, d. i. naar het kind dat geboren is uit den man en de vrouw die saam in echt verbonden leven. Niet dat ook ongewone gevallen niet tot hartelijke verhouding kunnen leiden. Tusschen meer dan één aangenomen kind en zijn pleegouders nam men niet zelden veel warmer en hartelijker verhouding waar, dan bij menig kind dat in echt uit man en vrouw geboren is; maar dan is dit uitsluitend toch het bederf dat in het laatste gezin insloop; en waar het ons te doen is om het Koningschap van Christus, die kwam om ook in het gezin de ordinantie zijns Vaders te herstellen, hebben we niet te vragen, welke vervalsching en verbastering er ook ten opzichte van het kind in menig gezin te betreuren valt, maar uitsluitend hoe God de Heere in zijn ordinantiën de verhouding van het kind tot zijn ouders en van de ouders tot het kind, in het gezin heeft ingezet. Niet bij den kranke bloeit de frischheid en schoonheid van het gelaat, maar bij den gezonde. En zoo moet ook hier het gezin genomen worden, niet in zijn vervormingen, noch ook in ztjn kranke ontaardingen, maar in zijn kerngezonden grondvorm. En in dien gezonden vorm treedt de drieheid van het gezin dan alleen op, zoo het kind, dat geboren werd, èn vader èn moeder in het gehuwde echtpaar kan eeren, en zoo man en vrouw een verhouding tusschen zich en het kind in het leven roepen, die geheel en volkomen aan deze natuurlijke grondhetrekking, die uit het bloed opkomt, beantwoordt.

En zoo nu, in die normale, door God gewilde verhouding bezien, toont de drieheid van „man, vrouw en kind" ons het gezin in zijn wondere volkomenheid. Die volkomen drieheid rust niet in neigingen, gezindheden en sympathieën, maar in het natuurlijke leven, in het bloed, en door dit bloed in het leven. Vandaar dat ge bij de dieren van de: ; e hoogheid van het gezin het soms zoo roerend voorspel vindt althans voor de moederliefde. Slechts bij zeer enkele diersoorten vindt ge iets dat door tijdelijk saamleven een schijngestalte van huwelijk levert; de vaderlijke liefde ontbreekt veelal geheel; maar te sterker trekt zich hg de meer ontwikkelde dieren het teedere in de moederliefde sa^m. Zoo ielfs, dat in de dierenwereld aanvankelijk de moederliefde van de klokhen en andere vrouwelijke soorten, liet zelden de moederliefde onder menschen te boven gaat. Dit is niet de eere van dit < ««> •, want straks raakt het van 't jong af, fn taalt er niet meer naar. Wat hier werkt is instinct, en instinct is niet de eere van Wie 't bezit, maar van Hem die dit instinct 'opUntte, Ge moogt dan ook niet zeggen, dat de liefde van de moeder onder menschen altoos hooger staat dan de liefde van den vader. De hartstochtelijke moederliefde vertoont zich zelfs bij anders gewetenlooze vrouwen soms zoo vurig, dat ze de moeder verteert, maar ze vertoont dan tevens bijna altoos hetzelfde wat ge in de dierenwereld waarneemt, dat deze hartstochtelijke gehechtheid slechts enkele maanden duurt, om daarna vaak in stuitende zorgeloosheid en onverschilligheid om te slaan. In al zulke gevallen nu is het de dierlijke moederliefde die in de vrouw nawerkt, de werking van een instinctief gevoel, waaruit voor het karakter van de vrouw niets is af te leiden. En zelfs bij de edeler vrouw werkt dit instinctieve van haar moederliefde altoos in die mate meê, dat ge, om de moederwordende vrouw te beoordeelen, niet vragen moet, hoe ze in de eerste levensmaanden van haar wicht, op haar wicht letterlijk verzot is, maar hoe ze als de jaren voortschrijden, in haar teédere moederliefde volhardt. Dan treedt het instinct terug, houdt hetgeen we met de dieren gemeen hebben, op meê te spreken, en dan eerst komt de edele moedertrek in haar hoogere menschelijke schoonheid uit. Toch blijft de instinctieve, voorbijgaande liefde van de klokhen voor haar kiekens zulk een toonbeeld van wat God tusschen kind en moeder wil, dat Christus niet geaarzeld heeft, de betrekking tusschen God en zijn volk er in af te beelden. „Gelijk een klokhen haar kiekens verzamelt onder de vleugelen, zoo heb ik u onder mijn het vleugelen willen dekken, o Jerusalem, maar gij hebt iiiet gewild".

Dieper nagegaan, heeft de liefde van de ouders voor hun kroost dan ook een hoogeren dan natuurlijken oorsprong. Er zijn twee in den echt bijeengebracht door hoogere dan natuurlijke motieven. Een jonge man die zijn vrouw koos, en de vrouw die haar man aannam, alleen omdat ze zich beiden door het uiterlijk voelden aangetrokken, of pijnlijker nog, ter oorzake van het bezit dat ze als erfdeel meendente kunnen inwachten, degradeert zich zelf. Waar 't goed zal zijn, daar gaat het heel anders toe, daar wordt ziel aan ziel geklonken, en ging de aantrekkelijkheid die man en vrouw saambracht, uit van een wondere magnetische kracht, die uit het hart van den éen naar het hart van de ander trok. De geheimzinnige liefde die beide saamsnoert, komt dan van hooger, en moge door schoonheid en geldelijke vooruitzichten worden bevorderd, maar vindt er nooit haar grond en uitgangspunt in. Het is dan de ziel van den éen die de ziel van de ander giste, begreep en trof. Uit dit geestelijk motief wordt dan straks de echt geboren, en als welhaast het eerstgeboren kindeke het gezin voltooien komt, heeft door het bloed en door de geslachtsgemeenschap heen, dat hoogere motief ook in het kindeke nagewerkt. Vaak ziet ge dan ook, hoe in het kindeke niet alleen gelijkenis met de gelaatstrekken en llchaamsfunctiën van vader en moeder te herkennen is, maar hoe ook het karakter, hoe het talent, hoe de geestelijke gaven van-vader en moeder in het kindeke nawerken. Maar dit blijft toch, dat d\tgeestelijke motief werkt ingevolge van den natuurlijken oorsprong van het kindeke, en dat de hoogere gelijkenis altoos rust in de gemeenschap van het bloed, waarin het leven is. Geen spiritualistische eenzijdigheid kan dit wegcijferen. Ge kunt het geestelijke hier niet van het lichamelijke losmaken, en het blijft de realiteit van het stoffelijke leven, waaruit de hoogere gemeenschap opkomt. Lichaam en ziel kwamen nergens zoo sterk in hun eenheid uit, als juist in de geboorte van het kindeke, en al bracht hooger motief man en vrouw in den echt saam, toch ligt het uitgangspunt voor de geboorte altoos op natuurlijk terrein, en wat daarachter schuilt, komt eerst later, bij het opgroeien van het kindeke, uit.

Juist door die realiteit in het natuurlijke, in het bloed, en in wat voor oogen is, heeft de geboorte van het kind uit de moeder, na door den man verwekt te zijn, dan ook de hooge beteekenis dat ze de geslachten, en door de geslachten geheel de menschheid, saambindt. Uit éénen bloede is geheel ons menschelijk geslacht opgekomen, en telkens wordt op dit veel beteekenend feit, ook genealogisch, in de Schrift nadruk gelegd. De zonde moge ook dezen band verslapt hebben, verslapt soms tot onkenbaar wordens toe, maar de oorsprong van heel ons menschelijk geslacht blijft niettemin één, en in het bloed hangt heel de menschheid saam. Maar deze eenheid gaat door geledingen en trappen. Had het God beliefd, elk mensch afzonderlijk te scheppen, zooals hij Adam schiep, zoo zou dit verband ten eenenmale ontbroken hebben en alle kinde­ ren der menschen zouden als losse individuen naast elkander hebben gestaan, juist zooals de pleitbezorgers der Revolutie 't ons nu nog plegen voor tf stc'^an. Elk mensch staat er dan met zijn eigen wil, en het is uit dezen wil des menschen, dat heel het menschelijk levea moet worden opgebouwd. Maar zoo heeft God het niet verordend. Hij schiep slechts den eersten man, en uit den eersten man de eerste vrouw, en hij gaf hun den last mee, om vruchtbaar te zijn en te vermenigvuldigen, doordien uit hen kinderen zouden geboren worden, en deze kinderen weer nieuwe gezinnen zouden stichten, en in deze gezinnen weer nieuwe kinderen zouden geboren worden, en zoo al wat aan menschelijk leven opkwam, in dien éénen Adam zijn oorsprong zou hebben, als één organisme zou samenhangen, één geslacht zou vormen, één menschheid zou uitmaken, en, viel het in zonde, door één Zoon des menschen zou kunnen gered worden.

Heel de verlossing van Christus toch is in het gezin gegrond, en in de geboorte van het kind uit zijn moeder bevestigd. Anders zou elk zondaar afzonderlijk moeten gered worden, nu alleen kon, dank zij den band van het gezinsleven, en de gC' boorte van 't kind uit zijn ouders, door ééne offerande aan het kruis, het heil zich over heel ons menschelijk geslacht uitbreiden. De geboorte in het gezin van het kind uit zijn ouders is dan ook het groote. Goddelijke mysterie, waardoor heel ons menschelijk leven beheerscht wordt. In hoevele n\illioenen ons geslacht ook zij uitgegroeid, het blijft, dank zij dit mysterie, een hechte, in het bloed gegronde eenheid vormen. We zijngeen enkelingen die als brj een leger zijn ingelijfd, maar «1 vormen één menschelijke eenheid, die uit één oorsprong, dank zij dit wondere mysterie, is opgekomen. En in hoevele rassen, geslachten en volken de menschheid thans ook gedeeld en gesplitst zij, we blijven de éénheid van al het menschelijke aan ons hart gevoelen, en al wat menschelijk is, spreekt ons als een stuk van ons eigen leven toe.

Maar gelijk we opmerkten, deze bloedband, die, dank zij de geboorte van het kind uit vader en moeder, heel de menschheid saambindt, werkt niet eentonig, maar door een reeks geledingen en trappen, en het is in deze geledingen, dat die rijke verwantschapsveelheid zich ontplooit, die aan het leven teekening geeft. Dit komt reeds terstond in het gezin zelf uit, zoodra het kindertal zich vermeerdert. Dan toch ontstaat niet alleen de betrekking tusschen man en vrouw, en tusschen de oudersen hun kroost, maar komt ook de nieuwe verscheidenheid op van zoon en dochter, die zich kruist met de variatie van man en vrouw. Vader en moeder staan beiden in betrekking tot hun kroost, maar de verhouding van demoeder tot haar zoon of haar dochter verschilt weer, en ook bij den vader ontstaat een geheel andere betrekking ten opzichte van zijn dochter dan van zijn zoon. Doch hierbij blijft het niet. De kinderen zelve roepen onderling een nieuwe betrekking van broeder en zuster, van ouderen en jongeren in het leven, die beide van zoo hoog gewicht zijn. Werden alle kinderen in een gezin op éen dag geboren, zoo zouden ze allen van denzelfden leeftijd zijn. Nu daarentegen vindt ge in een rij k-ontplooid gezin wat men noemt de groeten en de kleintjes saam, en aan alles merkt ge in zulke jaren, hoe de verhouding en betrekking tusschen de grooten onderling, tusschen de kleintjes onderling, en tusschen de grooten en de kleintjes sa4m weer uiteenloopt; waarbij dan nog komt het verschil in karakter, aanleg en sympathie, waardoor er onder een groot aantal kinderen allicht zijn, die zich nauwer aan elkander hechten, en anderen die meer uiteenloopen. Geheel een levenswereld op zichzelf, waarin men went aan overeenstemming en verschil, leeft te midden van allerlei variation, en een kleine voorproef heeft van wat 't straks in het volksleven zijn zal.

Maar ook afgezien van die verschillen in leeftijd, karakter en geslacht, komt in het gezin, wederom dank zij de geboorte, de broeder-en ««jferbetrekking op, die bij alle verschil toch de eenheid in stand houdt. Men gevoelt als broeder en zuster dat men bij elkaar hoort, niet altoos in het gezin, maar te sterker tegenover derden en tegenover wat buiten het gezin staat. £sn broeder en zuster zullen evenals hun ouders, die als man en vrouw verkeeren, in eenzelfde gezin een combinatie van het manlijk en vrouwelijk element vertoonen, maar toch beide malen op zoo geheel andere wijze. Het saamleven van broeder en zuster is voorbijgaand. Straks verlaten zij 't gezin hunner ouders, om een eigen gezin te formeeren, maar toch hadden ze in hun jeugd reeds den omgang met het andere geslacht, en niet te zeggen is, wat invloed reeds in dit opzicht van de zusters op haar broeders, en van de broeders op hun zusters uitgaat. Door haar broeders komen de zusters, met hun vrienden, en komen de broeders met de vriendinnen van hun zusters in aanraking, wat veelal de weg is die tot later huwlijk leidt. En ook afgezien hiervan werkt het bijeenwonen als broeders en zusters zoo sterk na, dat de broederband zelfs het symbool is geworden van de eenheid die de geloovigen in Christus onderling bezitten. Broederschap is de eerenaam die op het heilig terrein is overgebracht.

Maar hierbij blijft het niet. Het gezinsleven en de geboorte in het gezin van het kind uit zijn ouders, vlechten evenzoo den band der familiën en geslachten door bloedverwantschap en maagschap. De bloedsband blijft doorwerken, ook al zijn allen uiteengegaan en ook al hebben allen een eigen gezin 'geformeerd. Men spreekt van een schoonbroeder en schoonzuster, maar onder wat naam ook, voelt men zich toch altoos tot de vrouw van zijn broeder oftot den man van zijn zuster in een eigenaardige verhouding geplaatst. En op gelijke wijze werkt de bloedsband in de opgaande linie. De broeders of zusters van onzen vader en moeder hooren bij ons, en wij hooren bij hen, iets wat we nog sterker voelen bij onze grootouders naar boven, en bij de kleinkinderen naar beneden. Iets van dien band gaat zelfs over op de kinderen van onze broeders en zusters, en zoo vindt ge ten slotte heele familiën die door zwagerschap, maagschap on afstamming een gelukkigen, breeden kring vormen van grootouders, schoonouders, tantes, ooms, zwagers, schoonzusters, nichten en neven ; en tusschen dezen allen een zeer gevarieerde betrekking, hier sterker, daar zwakker werkend, maar toch één compleet geheel vormend, dat soms in tientallen van personen uiteengaande, nochtans zich bewust blijft van den band die allen saambindt en hen gevoelen doet dat ze bijeen hooren. En heel dit rijke familieleven heeft God de Heere doen opkomen uit dit ééne feit, dat het kind uit zijn ouders geboren wordt. Hetzelfde geldt van de geslachten. Over vader en grootvader heen, gevoelen vader, kind en kleinkind, dat ze één geslacht vormen. De Schrift zelf leert ons op de genealogische afstamming nadruk leggen. Er zijn gelaats-, er zijn karaktertrekken die zich in de geslachten voortplanten. Zijn voorouders in stamtafel te kennen, is een voorrecht, door hén vooral op prijs gesteld, die er zich op beroemen kunnen af te stammen van mannen, die in de historie als helden, als mannen van wetenschap of als in kunst groot, te boek staan. Heel de eere der vorstelijke dynastieën, en de vastheid die deze dynastieën aan het Staatsverband geven, komt hier uit op. De geslachtsnamen dragen dan de eenheid van het geslacht door de eeuwen voort, en gelijk de Nassau's op hun schild schreven: Moi Nassau, d. i. „Ik een Nassau", zoo voelt men nog in adellijke geslachten, hoe het bezit van een roemruchtig voorgeslacht ook den naneef verheft.

Zelfs het volksleven heeft gelijken oorsprong. Thans gevoelt men dit niet meer, omdat het genealogisch verband is te loor gegaan, te veel geslachten zich in een volk vermengd hebben, en te veel vreemde elementen in elk volk zijn opgenomen. Maar nochtans wijst de Schrift er wel zeer nadrukkelijk op, hoe alle stammen van sraël één gemeenschappelijken patriarch tot tamvader hadden, en hoe in die eenheid an stamvader de eenheid van heel Israël ag uitgedrukt; en evenzoo wordt voor tal van ndere volken de gemeenschappelijke stamvader met name in de Schrift aangegeven. Vaak vindt men die lange stamtafels in de chrift dan wel overbodig, en leest er over heen, maar dit heft haar beduidenis niet p. Die beduidenis toch is geen andere, dan om de stamverwantschap van elk volk, en de onderlinge bloedverwantschap van de vele volken te doen uitkomen. Een doorloopende lijn, die dan haar hoogtepunt bereikt in de stamtafel van den Messias, om wel te doen uitkomen hoe hij uit David en Abraham geboren was, en hoe door Abraham alle volken met Messias in verwantschap stonden. En al is nu dit genealogisch volksleven allengs iti het Staatsverband opgegaan, dit neemt niet weg, dat toch ook het volksleven in zijn opkomen een rechtstreeksch gevolg is van de geboorte van het kind uit zijn ouders. Ware dit niet alzoo door God verordineerd, zoo zou noch het gezinsleven, noch het familieleven, noch het geslachts-en stamleven, noch het volksleven zijn opgekomen. Niet genoeg kan daarom de aanbiddelgke schoonheid en rijkdom van deze ééne ordinantie Gods bewonderd worden. Het lijkt ons thans zoo eenvoudig, dat een man een vrouw kiest, en dat hieruit kinderen geboren worden, maar achter dit eenvoudige feit schuilt dan toch de geheele rijke ontwikkeling van ons menschelijk leven in al zijn combination en variatiën, en de majesteit om uit het eenvoudigste het rgkste te doen voortkomen, spreekt nergens in de schepping zoo sterk als hier. Ouderliefde, kinderliefde, broederliefde, familieleven, geslachtsgehechtheid en volksband, met al de rijke variaties die deze gezindheden op het menschelijk hart spelen, zijn als opgekomen uit dit eene, dat mensch uit mensch zou geboren worden.

En ook hier nu grijpt het Koningscha van Christus op het gezinsleven in. Niettegen staande toch de zonde zoo bitter verwoes» tend op het fijne weefsel van den band die man en vrouw, ouders en kroost, broeders en zusters, familiën en geslachten ssam bond, en zelfs op den volksband heeft ingewerkt, blijft dit alles toch nog altoos zulk een veelszins hechten band vormen, die ons menschelijk leven saamhoudt. Maar denk u nu, dat de ordinantie die God in dit mysterie der geboorte legde, ongestoord en ongehinderd met volle kracht had kunnen doorwerken, wat zou dan niet die wondere ordinantie gewerkt hebben, dat één menschelijk geslacht, door allerlei geledingen en trappen heen, op het innigst in eenheid saamverbonden leefde ? Men denkt bij zonde thans veelal uits'uitend aan persoonlijke zonden, en heeft niet genoeg oog voor de verwoesting der zonde in de familiën, geslachten en volkeren, en daardoor verstaan we den hoogeneisch onzes Gods niet meer. Maar wat nu de Christus hier als Koning komt doen, is immers die oorspronkelijk ordinantie in zijn volle beteekenis herstellen. Hij tast de zonde in haar verwoestende werking niet alleen op ons persoonlijk leven, maar ook even ernstig in haar verwoestende werking op heel ons menschelijk saamleven aan. Ook op dit breed terrein moet het egoïsme, moet de heerschzucht, moet de trots, moet de geldzucht en de zinnenlust worden teruggedrongen, en moet de liefde weer triomfeeren. Van de persoon van man en vrouw gaat dit uit, dank zij hun bekeering; als vrucht van die bekeering moet het gezinsleven allengs zoo meer zijn oorspronkelij ken luister herwinnen; door het verheffen van het gezinsleven moet de familieband geheiligd worden; en zoo moet tot in de geslachten en tot in het volksleven de electrische werking eener heilige liefde weer ritselen gaan. In de Schrift vindt deze werking der liefde in het besef van aamhoorigheid haar uitdrukking in het Verbond, dat een band om de gezinnen, de familiën, de geslachten en om het volksleven sloeg. Maar ook afgezien van dit Verbond, werkt de geest van Christus in ons menschelijk leven door, om het gevoel van saamhoorigheid en eenheid in ons menschelijk geslacht te doen herleven. En al is in dit opzicht het ideaal nog van verre niet bereikt, ja, al zal 't nimmer bereikt worden, toch behoeft ge het leven van het Christelijk Europa en Amerika slechts met het sombere leven in Azië en Afrika te vergelijken, om aanstonds de vrucht te grijpen, die de Christelijke religie ook voor de eenheid des menschelijken levens reeds voor eeuwen gedragen heeft. Er is ook onder ons nog een stuitend tekort aan liefde en eenheidszin, maar vergeleken met wat bestond eer de Christus verscheen, is toch wat hij wrocht, reeds zoo onoverzienbaar rijk in vrucht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1909

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Hege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1909

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken