Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pro Hege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pro Hege.

20 minuten leestijd

DERDE REEKS. (Derde gedeelte).

Chriatus Koningschap en het Gezin.

XII.

Maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen. Jozua 24 : 15b.

We kotnen Üia.nsoi^ Het Huisaltaar. Een gezin is niet Christelijk, alleen omdat er een huisaltaar is ingericht, maar evenmin is een Christelij'k gezin denkbaar waarin het huisaltaar ontbreekt. Ja, zelfs moet dit nog scherper bepaald. Zal een gezin aanspraak kunnen maken op den eeretitel van Christelijk, dan moet er niet alleen in dat gezin een altaar bediend worden, maar het moet ook gewijd zijn aan Christus. Op zich zelf toch is de idee van een huisaltaar schier aan geen enkelen godsdienstvorm vreemd. De penaten als huisgoden zijn uit de Romeinsche historie niet enkel aan geleerden bekend, en men weet uit het verleden van schier alle ons bekende volken uit Azië, hoe ook onder hen zekere vereering, in den boezem van het gezin, van afgoden, geesten der afgestorvenen of van een Fetisch in gebruik was. De religie strengelt van zelf haar koorden door de koorden van het huiselijk leven. Religie en huiselijk leven moeten beide de meer intieme behoeften van ons innerlijk leven bevredigen. Da rustige stilte van het gezinsleven leent zich zooveel beter dan de publieke weg voor bet gebed. En al zoekt men ook in tempels en kapellen, in kerken en afgoden met anderen saam, of onder anderer leiding, aan zijn godsdienstige behoeften te voldoen, toch is er in ons godsdienstig leven óók een element, dat óns in onderscheiding van anderen, op een bijzondere wijze of nader dan anderen op het hart is gebonden, en dat hierdoor van zelf een meer huislijk karakter draagt. De nauwe verbinding tusschen de religie en het huislijk leven heeft daarom niets dat bevreemden kan. Men vond en vindt het schier allerwegen, en alleen in ongeloovige kringen ontbreekt het geheel; maar zoo lang er zeker religieus gevoel werken blijft, heeft de religie steeds ook in het gezin om een eigen plaats ge vraagd, geheel onverschillig, ofzeeenafgodi schen vorm had aangenomen, dan wel of ze aan den leiband van Gods heiligen Geest liep. Niet altoos besloeg daarom de religie in het gezinsleven een breede plaats. Soms zelfs kon ze slechts op zeer enkele dagen haar eisch doen gelden. Ook in het Christenland vindt ge kringen, waar alleen des Zondags de religie in het gezin aan het woord komt. Maar al was het slechts bij geboorte, huwelijk en sterfgeval, dat het huisaltaar weer in dienst werd gesteld, het gronddenkbeeld bleef dan toch zelfs op deze uiterst sobere wijze gehandhaafd, en zekere band althans, die tusschen het huislijk leven en de religie bestond, werd hier op breeder, daar op kleiner schaal nog steeds erkend.

Tweeërlei kan deze huiselijke eeredienst bedoelen. Hij kan óf iets uit den Hooge voor het gezin zoeken, oftewel iets uit het gezin naar den Hooge doen opgaan. De huiselijke religie kan strekken om den zegen en de bescherming van Hooger macht voor het gezin in te roepen, maar ze kan ook voldoening zoeken voor de behoefte om het offer der dankzegging en aanbidding, van lof en prgs, vaa zielsvereering en liefde Gode op te dragen. We stellen deze twee niet tegenover elkander. Immers wie zegen voor zijn huis zoekt, zoekt ook hoogeren vrede in de huiselijke religie door aanbidding en vereering. En omgekeerd, waar de huiselijke feligie opkomt uit drang tot aanbidding, daalt de zegen Gods op het huisgezin neer. Het onderscheid dat we stelden, ziet alleen op het doel, dat de huiselijke religie zich voor oogen stelt, en dan zijn hier twee trappen. Op den laagsten trap is het zoeken van zegen en hulpe en uitredding het eigenlijk doel dat men nastreeft, en het middel om dit doel te bereiken, is het brengen van offers van vereering. Op den tweeden, veel hoogeren, trap daarentegen, werkt de religie door, die uit het hart opkomt, en poogt Gode de eere en de aanbidding toe te brengen, en dan is de zegen die komt, van deze intieme religie het gevolg. Op den lagen trap is de mensch het doel, en is God er, om den mensch te beschermen; op den hoogeren trap ligt het doel der religie in Gods eere, prijkt het Solt Deo gloria ook op het huisaltaar, en is het in de diepste afhankelijkheid van dien God, dat ook het gezin den zegen des Heeren inroept en inwacht.

Nu is het buiten kijf, dat het liuisaltaar, dat ™en bg de heidensche volken voor hun afgo-\ den vindt opgericht, zoo goed als uitsluitend op den eersten oflageren trap staat. Zonder de gunst der afgoden is het huis verloren, alleen door de gunst der goden kan het gezin bloeien, en daarom zoekt men bij de goden afwering van allerlei gevaar en verleening en toezegging van allerlei zegen. Soms geschiedt dit door het spijkeren tegen wand of het plafond, op vensterraam of deurpost van zinbeeldige figuren, door het inbeitelen van een tooverformule, door het ophangen van een amuleet of wat dies meer zij, ook wel om zich tegen de booze geesten te beveiligen; dan weer spreekt men tooverformules uit, om het ongeluk dat dreigt, te bezweren; baat dit niet, dan neemt men tot offsrande zijn toevlucht; en niet dan op zeer kleine schaal is er bij deze volken van waarachtigen drang tot een aanbidding, die niet het geluk van het huis maar de eere Gods bedoelt, sprake. Toch zie men hierop niet al te zeer uit de hoogte neder. Immers ook in het Christenland staat bij duizsndea en nogmaals duizenden de huiselijke religie nog altoos op een laag standpunt, ook al mijdt ze de toovenarij en al zoekt ze metterdaad alle heil in 't gebed, in 'taflaten van zonde, en in het brengen van offers. Bedoeld zgn hier die vele geziaaen in ons Christenland, waar ia den regel met geen religie gerekend wordt, maar waarin de religie plotseling in eere komt, zoodra eenig gevaar dreigt of bitter leed in het gezin inkeert. Wat men bij de groote massa vindt, dat ze ia dagea van zware epidemie de kerk weer opzoekt, en bidstoaden bijwoont, om, is de epidemie voorbij, weer tot haar wereldsch leven terug te keerea, kenmerkt voor maar al te velen ook de huiselijke religie. In gewone dagen, als alles normaal toegaat, is van dien huisgodsdieast geea sprake. Er wordt alet gebeden, er wordt niet gelezea, mea zingt geen 1-ofpsalmen ea denkt aaa het brengen van zijn offerande niet. Maar treedt ernstige ziekte in, of dreigt doodsgevaar, dan neemt op eens het gezinsleven een ernstige plooi aan. Dan bidt men weer, dan denkt mea weer aan God, daa verkrggt de vreezs des Heeren weer invloed, dan stuit mea dea al te wereldschéa zin die in het gezin de overhand had verkregen, ea niet zelden doet men dan een „goed werk" door aanzienlijke offerande af te zonderen, alles in de hoop van de gunste des Heeren te herwinnen, en hierdoor zoo mogelijk het ongeluk dat dreigt af te wenden.

Nu cijferen we de beteekenis van zulk een plotselingen terugkeer tot vromer usantiën allerminst geheel weg. Zulk een ziekte of dreigend ongeval kan een middel in Gods hand zijn, om zulk een gezin tot berouw en inkeer te brengea, of, zoo al niet heel het gezin er door tot anderen levenstoon wordt gebracht, zoo kan het toch op een enkele In het gezia eea duurzamen indruk maken. Er is ook een door lijden geheiligd worden, ea de voorbeelden liggen voor het grijpen, dat zulk een ernstige keer ia het huiselijk levensgeluk tot waarachtige bekeering heeft geleid, Hoe men ook zijn God vergeten had, er blijkt dan nu toch van achteren, dat er altoos nog iets van vrome aandoening in de ziel was blijven hangen. Mea had jong zija Godvergeten, de religie was onder het stof vaa het aardsche leven schier geheel bedolven, maar onder dat stof was dan toch blijkbaar nog iets van de traditioaeele vroomheid overgebleven, er bleef onder de asch altoos nog ietsgloren, en dat vonkje vlamde nu weer op. Slechts sij men op zija hoede, dal mea hier ook niet te veel aan hechte. Tegenover ééa geval toch. waarin zoo schoone uitkomst gezien werd, staan allicht negen andere gevallen, waarin het brj een vleugje vaa het oogenbljk bleef, zoodat nauwelijks het gevaar voorbijging of met den arts ging ook de priester het huis weer uit, sn keerde alles tot den wereldschen levenstrant terug. In de ure des gevaars religieus, en als het gevaar weer afdreef het oude pret-zoeken, is maar al te dikwijls bij deze eerst in de ure des gevaars opkomende religie, de les der ervaring. Daarom zult ge wel nooit deze religieuse uiting, hoe snel ze ook weer voorbijga, onderschatten. Er spreekt altoos een getuigenis uit van de diepe behoefte, die het huiselijk leven aan religie heeft, maar de religie van het gezin is het niet. Het is nog altoos niet het huisaltaar waarop men neerknielt, om de eere van zijn God te verhoogea. Het blijft een religie als middel, om zich zijn aardsche geluk te verzekeren, en hst verschilt nog zoo hemelsbreed van die echte religie, die opleeft uit dea drang om zija God te verheerlijkea. Zoo genomen nu is het nog altoos niet het huisaltaar, dat op het gezin het stempel drukt van een Christelijk geein te zija.

Niet alsof ook bij het i« zuiveren stijl opge­ richte huisaltaar, het inroepen van de hulpe Gods voor den welstand van het gezin contrabande zou zqa. ï-è'; ^gendeel, „geef ons heden ons dagelijksch brood", is de dageltjksche bede voor der» zegen in het gezia die Jezus zelf oas op de lippea heeft gelegd. Maar hierla ligt het oaderscheid, dat een waarachtig vroom gezia tweeërlei nood kent, den nood van den welstand van het gezin in stoffelijken, en den nood van den welstand van het gezin in geestelijken zin. Waar het goed zal zrja, kilmt dan ook uit het gezin dagelijks aiet alleen de bede op om een bete broods, maar ook om de vergeving der zonden, en de verlossing van den Booze, terwijl ia gezinnen die geen geestelijken nood kennen, dit laatste uitblijft, en alles' zich in de bede om de bete broods ea de afwending van uitwendig gevaar samentrekt. In gezinnen^ waarin alleen dit laatste wordt afgebeden, beperkt zich de gezichtskring tot dit aardsche leven, en daarentegen ia gezlaaea die onzen God ook dagelijks aanroepen om geestelijken wasdom, breidt zich die gezichtskring uit tot in de_ eeuwigheid. In de eerste is God de Verzorger van dit aardsche leven, in de tweede soort gezinnen is het om dea vrede met God ea zijn heilige nabijheid te doen. In de eerste soort gezinnen is men voldaan zoo maar vool-spoed aller deel blijft, In de tweede soort gezinaea tracht men naar openbaring van het geloof ea naar hoogere geestelijke ontwikkeling. In de eerste soort moet God zich in dienst stellen van het gezin, In de tweede soort gezinnen stelt de mensch zich in den dienst van zijn God. En dit nu is het eigenaardig karakter van de religie in het echt „Christelijk" gezin, dat het God zoekt, Hem aanbidt ea eert, door rijke geloofsontwikkeling Hem nader poogt te komea, en op dien grond dan ook in nood ea dood tot Hem rijn toevlucht aeeirji: sis tot den QiZiè vaa zrja vertrouwen. Maar hierdoor verkrijgt het huisaltaar in het Christelijk gezia eea geheel aadere beteekenis dan bij de Heidensche volken. In het Christelijk gezin Is het leven voor God ea het zich aaa dea dieast des Heeren toewijden, hoofdmotief, en vandaar dan ook, dat btj het Chrlsteigk hulsaltaar niet dan eerst de offeranden ia geld of goud voor Zijn dienst en voor de armen gebracht worden, als ze vrijkoop en afkoop van tegeaspoed bedoelen, maar veeleer ia het gewoae leven zija opgenomea, ea steeds doorgaaa, als het zich kwijtea van een verplichting, die ons van Godswege is opgelegd.

Kan nu gezegd, dat deze dienst bij het huisaltaar in het Christelijk gezin eenvoudig Godsvereering is.' Stellig niet. Wie het zoo opvat, miskent de ordinantie, waarbij God Almachtig Christus tot Hoofd van het hoofd des gezins heeft gesteld. De lijn loopt niet rechtstreeks uit het gezin naar God, maar naar God over den Christus, God is het hoofd van Christus, niet vaa dea maa. Tusschea God ea den man staat de Christus in, en wel zoo in, dat het gezag van God over het gezia, over dea Christus loopt. Bedoeld is hiermee natuurlijk niet de geestelijke band, die elke ziel rechtstreeks aaa God moet verbinden, maar de lijn vaa het gezag. En die lijn is nu eenmaal, naar luid van het Woord, door God zelf alzoo getrokken, dat het gezag van God op dea Christus is gelegd; dat Christus zijn gezag op het hoofd van het gezin overbrengt; ea dat de man als hoofd van zijn gezia, voor zija gezin aansprakelijk is. Op de meest gewoae wijze drukken we dit in onze gebeden uit, door al onze gebeden in Jezus naam op te zenden, en de verhooring van onze beden in te roepen om Christus wille. lïts waarin ge vooral geen bloote formule zult zien. Integendeel, hieraan hangt het wezen der zaak, Dsze wereld ligt in het onheilige, het gezinsleven deelt in dit onheilige, elk lid van dit gezin draagt het onheilige vaa de zonde in zija hart met zich. Steeds ligt alzoo ook bij het gezin de zonde tusschea zijn eigen leven ea het leven met God in. Uit zichzelf ligt ook het gezin onder den toorn Gods en is de gemeenschap vaa het gezia met zijn God verbrokea. Feitelijk ontkomen we aan dit gif der zonde niet daa door dea dood. Het gezin op aarde verkeert alzoo steeds onder dien druk, en mist daardoor den vrijen toegang tot den geaadetroon. Vandaar dat 't aües door dea Middelaar moet gaan, dat God ons niet in ons zelf, maar in Christus moet aanzien. Ook het gezia moet alzoo in Christus voor God verschijnen, en zoo eerst verschijnt het voor zijn God in staat vaa verzoening en vrede. Een gezia dat zijn God buiten Christus zoekt, kent zija zoade niet, beeldt zich in, dat 't een heliigheid bezit, die het ten eenenmale mist, en kan uit diea hoofde de ware gemeenschap met zyn God niet vinden. Daarom heeft het Gode behaagd om over het gezin zijn Christus tot Koning £e zalven, hem te bestellen tot Hoofd van het hoofd des gezins, en alzoo door Christus ook voor het gezin den toegang tot zija geaadetroon te oatsluiten. Te belijden, dat we onze beden, ook die vaa het gezia, opzendea in Jezus naam ea alleen „om Christus wille" op verhooriag durven aaadria gen, is daarom voor het gebed ia het Christelijk gezin volstrekt onmisbaar. Ia oogenblikken van 'geestelijke verslapping moge dit uit het oog worden verloren, zoo dikwijls weer dieper leven in het gezin de overhand verkrijgt ea w'ieer de bewustheid van zonde opleeft, zal het ook dit aanroepen van zijn God door Christus en door Christus alleen, van zelf doen herleven.

Intusschen lette men er wel op, dat de gezinsreligie iets anders is, dan de religie van de personen in het gezin. Een gezin waarin alle saamstellende personen, voor zichzelf, persooalijk gemeenschap met God door Christus oefeaea, bezit zonder meer nog geen gezinsreligie. Wel steunt de persoonlijke religie de gezinsreligie, ea omgekeerd de gezinsreligle de persooaiijke religie, maar daarom zijn beiden nog niet hetzelfde. De gezinsreligle draagt altoos het karakter v& n.het gemeenschappelijke. Het is een religie die men saam met de overige leden vaa het gezia uitoefent, ze eischt eea huisaltaar, waarop mea saam voor zija God ea Christus neerkaielt. Dit nu maakt dit groote onderscheid, dat wie alleen vroom voor zich zelf is, en In de eenzaamheid bidt, langea tijd met anderen saam kan leven, zonder dat hij voor hea met wie hij saamwooat, voor zija religie uitkomt. . Bij het huisaltaar daarentegen doet mea saam met alle leden vanhetgezin voor zich zelf ea voor elkander belijdenis vaa zijn God, maar ook belijdenis van zijn zonden, en roept daarom zijn God in Christus aan. Ea de vrucht hiervan Is rijk. Het kind dat zoo vaak door vader bestraft wordt, hoort daa hoe vader ea moeder zelve voor God hun zonden belgden, en zelfs de dienstbode, die vaak bestraft wordt door haar vrouw, hoort hoe haar vrouw, met haar, eigen zoade voor God belijdt. Dit verbiedt de harten, ea geeft daa ia het geziasleven op elkaar eea zoo geheel anderea blik. Mea erkent daa saam ia ééa aood te liggen, en uit dien nood saam eenzelfde uitredding te zoeken bij dea Christus. Kiaderen en dienstboden ontwaren het hoe ze geregeerd worden, niet uit willekeur noch om het loon, maar omdat God zijn Christus tot Hoofd vaa het gezia heeft gesteld, en hoe de Christus zija gezag op den man heeft gelegd. Zoo treedt aller verhouding tot elkander ia eea geheel ander licht, het wordt alles In Christus geheiligd, en het leven in het gezin ontvangt een geheel anderen toon.

Maar ook afgezien hiervan Is de geziasreljgle daarom scherp van de persooaiijke religie te oaderscheiden, omdat ze doelt op andere noodea. De nooden van het gezia zijn andere dan onze persoonlijke aoodea. Het gezia heeft een eigen leven, dat uit de saambrenging van allerlei personen ontstaat. Vandaar dat er ook gezlaszondea zija, die opkomea uit het saamlevea in eenzelfde huis. Het persoonlijk leven is het geïsoleerde leven vaa de eigea ziel, het geziasleven trekt oas uit dit isolement uit, en doet oas saamlevea met aaderen. Uit dit saamlevea komea eigea worsteliagea, tegeastellingea ea conflicten op, die verzoend moeten worden. Men leeft uit ééa kas ea heeft er alzoo saam belang brj, dat die kas in de noodea van het gezia kuane voorziea. Men went zich saam aaa gewoonten en levensmanieren, die zuivering en veredeling kunnen behoeven. Men doorleeft saam gevaren die den welstand van het gezin bedreigen. En is er onder de leden van het gezia ééa die dea vrede verstoort ea roet in het eten mengt, dan is het aller gemeenschappelijk belang, dien misstand te doen verdwijnen. Er heerscht in elk gezia eea eigen tooa in de gesprekken, die goed kan zija, maar ook veredeling en zuivering kan behoeven, en het is vaa gemeenschappelijk belaag, dien tooa te beterea, opdat het leven ia het gezin hooger sta. Men geniet vaak weldaden, waarvoor mea saam daaken moet. Mea eet niet elk apart, men eet saam aaa één disch, ea bidt ea dankt daarom saam aan dlea disch zrjn God die ia aller nooddruft voorziet. Men leeft saam, men lijdt saam, men verheugt zich saam, ea heel dit saamleven moet ia God geheiligd zija, en Hem zijn eere toebrengen. Het gezinsgebed sluit daaarom het persoonlijk gebed niet uit, maar evenmin kan het persoonlijk gebed voor het gezinsgebed in de plaats treden. Het huisaltaar vraagt, dat alle leden van het gezin, in alles wat het gezinsleven aangaat, saam hun God eeren zullen, en omdat ze zondaren en zondaressen zijn, Hem sa& m zuilen eeren in Christus.

Deze gemeenschappelijke religie vindt haar aangewezen orgaan in het hoofd van 't gezia. De man heeft hier te leiden, en zoo de man uitviel, of afwezig is, de moeder, of ook waar beiden tijdelijk uitvielea, de oudste zoon. Geoefead wordt deze religie door het gebed aaa dea disch ia de eerste plaats, en het is een zoo bitter droef teekea des trjds, dat ia zoo menig gezin het „bidden aaa tafel" geheel in onbruik is geraakt, ea zulks in tal van gezinnen, waarvan de leden nog altoos als leden der Christelijke Kerk te boek staan. Maar bij dit „gebed aan tafel" mag het niet blijvea. Ten minste eenmaal elkea dag moet zich heel het gezin om Gods Woord verzamelen, kon het met lofzaag. Dit laatste is niet altoos mogelijk. Verreweg de meestea missea eea muziekinstrumeat ter begeleiding. Het overluid zingen zonder muziekinstrument is bij den weinig zangerigen aard vaa ons volk veeltijds ondenkbaar. En ook, het gezin kan er te weinig tahrijk voor zijn. Maar dit neemt niet weg, 'dat 't, waar 't kan, geboden is. In niets toch zoozeer als in het saam zingen vereeaigt zich ziel met ziel ia éen toon ea in éene zielsuiting. Saam lezen, saam bidden blijft altoos het meegaan met een die voorleest of voorbidt, maar bij het zingen zingt ieder mêe, ea is het één lof en éen aanbidding die uit aller stem In éen stem als versmolten, oprijst. Ook het saan; i vasten kan de gezlasreligle verhoogea en onze vaderen plachten ook dit middel in practijk te brengen.

Maar waar dit saam zingen niet kan, en dit saam vasten de geesten niet toespreekt, kan toch Ia elk geval het saamlezen en saambiddea geregeld doorgaan, ea niet te noemen is de zegen, die eeuw aa eeuw vaa deze eenvoudige huiselijke godsdienstoefening is uitgegaan en nog uitgaat. Stille eerbied is daarbij hoofdvereischte. Het gezin moet gevoelen, dat het uit het gewone leven op zulk eea oogeablik ia een hoogeren levenstooa overgaat. Mea moet zich saam voor het aangezichte Gods stellea. Wie voorleest, moet het goed en goed verstaaabaar doen. Eea korte toelichting kaa nuttig zija. Ea ook het biddea moet voorbiddea blijven, het moet niet een bidden van den voorbidder voor zichzelf, maar een gebed van het gezin zijn. En wat vooral niet uit het oog worde verloren, heel het gezin moet er bij tegenwoordig zijn, ook de kinderen, ook de jongeren, ea ook de dienstboden. Juist toch door het saam eeren van zijn God in Christus wordea dé leden van het gezin, onder Christus als onzen Koning, met elkaar ia het juiste verband gezet, en er is niets denkbaar dat zoozeer de goede stemming in het gezia ophoudt en aankweekt, als juist dat telkens allen sa^m voor zija God zich buigéa. Ia dea dieast voelt zich de dieastbode van haar heer en vrouw gescheiden. Het leven duldt het niet anders. Maar in het gemeenschappelijk gebed verdwijnt dit onderscheid, en voelt men zich weer s4am en ééa, en hieruit wordt dat stille oaderlinge vertrouwen geboren, dat voor dea welstand van het gezin zoo goud waard is.

Bij dit huisaltaar nu heerscht de Christus als Koning van het gezin. Het is zija geest die er door op het gezia iawerkt, ea van dit huisaltaair gaat de heillgeade iavloed uit, waardoor Christus over heel het gezin en over elk zijner ledeu, zija Koninklijke heerschappij handhaaft. Dit komt dan tevens uit in de offeranden die bij dit hulsaltaar, en als uitvloeisel vaa zijn zegen, om Christus wille gebracht worden. Er moet mildadigheidszia ia het gezia heerschea, en waar het evea kan, moet het gezia ook voor anderen leven. Niet een enkele milde gift in de ure vaa nood ea gevaar, maar eea steeds voortgaande mildadigheidszia, dis den arme in alle armoe behoorlijk gedenkt. Reeds bij het kind moet dit ingeprent, ea ook dienstboden mogen er zich niet aan onttrekken. Een ieder, afzonderlijk, en heel het gezia, moet om Christus wiUe niet alleen tot het brengea van offers bereid zijn, maar er zelf lust ia hebbea, zoodat de zegen van het huisaltaar zich niet tot het gezin beperkt, maar den zegen ook naar buiten doet uitvloeien. Het moet in alles zijn, alsof Christus zelf over elks goed beschikt, en dit ook feitelijk doet door het hoofd van het gezin, en door elk van zijn leden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 mei 1909

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Hege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 mei 1909

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken