Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Gebrokene bakken”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Gebrokene bakken”.

8 minuten leestijd

Want mijn volk heeft twee boosheden gedaan: Mij, de springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zich zelven bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden. Jeremia 2 : 13

In tal van streken is het water hoogst ongelijk verdeeld. Er zal hier een streek zijn, waar het water van allen kant uit de bronnen opspringt of van de bergen nederdruipt, maar een halve dagreis verder zult ge een dorre, woeste plek vinden, waar geen stroompje, hoe ondiep ook, den bodem doorsnijdt. Wie daar dan toch moet leven, houwt zich een steenen bak uit, en vangt er in op, wat er van regen in op te angen is. £n zoo drinkt dan de één uit e springader van het levende bronwater, e ander uit zijn steenen bak.

Is er nu van verhuizing sprake, dan rekt wel, wie bakwater dronk, naar de treek, die van het springen der bronnen uischt, maar nooit zal wie bij de springder leven kan, vandaar verhuizen naar 't aterloos oord.

En toch, wat in 't aardsche niemand doet, dat doet de mensch geestelijk keer op keer. De fontein, de bron, de springader is het beeld dat heel de Schrift door geestelijk op God wordt overgebracht. En nu zegt de Heere zelf bij Jeremia, dat zijn volk twee boosheden heeft begaan. De eerste H dat het, verkoren om bij 'de Fontein des v levens te wonen, Hem, de springader des v levens, verlaten heeft. En de andere, dat z het toen zichzelf genoegzaam vïilde zijn, en zich toen eigengemaakte bakken uithieuw, o waaruit het zou drinken.

Een toeleg die schoon leek, maar jammerlijk uitkwam. Immers, zegt de Heere, die bakken, die het zichzelf uithieuw, hadden scheuren; ze waren wat wij zouden noemen lek op den bodem. Vandaar dat 't water er telkens uit wegliep, en de van Jehovah fgedoolde vruchteloos lessching zocht voor ijn dorst.

Zoo stond 't toen, en zoo staat 't nog steeds tegenover elkander.

Wie trouw bij God en zijn Woord bleef, kon alle eeuwen door jubelen: „Bij u, Heere, is de Fontein des levens, in uw licht zien wij 't licht!" Van hen zong de psalmist: „Steekt hen de heete middagzon in 't moerbeidal. Gij sijt hun bron en stort op hen een milden tegen". En in hun naam roemt de profeet in God als „de Springader des levenden waters." En aller dorst wordt gelescht.

Maar steeds bleef den kinderen der men schen het afdolen lief. De diepe afhankelijkheid verdroot, Men zou zelf raad schaffen. Zelf in eigen nood voorzien. In eigengemaakte bakken zou men het vereischte water opzamelen. En zoo doolde men, eer men zelf er de gevolgen van doorzag, ver van de Fontein zijns levens af.

En wat dan alleen nog weer naar den levenden God terugvoerde, was de bittere ervaring, dat in die eigengemaakte bakken het water niet staan bleef, dat het door een scheur in den bodem wegsijpelde, en dat men met zijn braaderjden dorst ten leste te staan kwam voor de lekke, leeggeloopen^bak. In ons eigen land is het in de vorige eeuw niet anders gegaan.

Van de belijdenis der vaderen reeds goed-\ deels vervreemd, poogde men dan ten minste eerst nog Supranaturaiist te blijven. De mystiek liet men wel glippen, maar aan de wonderen hield men nog vast. Maar het vrome volk vond in zulk een prediking geen voedsel meer, en trok zich terug, en eer een halve eeuw voorbij was gegaan, zag ieder de onhoudbaarheid van dat Supranaturalisme in. Het bleek een gebroken bak te zijn, en het kon den zieledorst niet lesschen.

Dat voelden de dusgenaamde Groningers, » zij zouden toen een nieuwen bak uithouen, Er sprak bij hen meer gevoel. Ze aren meer wijsgeerïg aangelegd. De woneren poogden ze natuurlijk te verklaren. an de geloofsmysteriën hielden ook zij zich erre. Maar dit hadden ze, dat Z2 den peroon van Jezus weer naar voren trokken, 'et als verzoener van schuld, maar als ons fbrengende van onze zonden. En toch og geen kwart eeuw ging hun eerste opang door. Al spoedig begon ook in eze gebroken bak het water af te loopen; n nauwelijks begon het Modernisme op komen, of het/was met de veelszins noele en goedbedoelende Groningers gedaan. Machtig was toen een oogenbük de opang van de Modernen. Niet Ikng meer, in alle groote steden en in het grooter fiel van 't platteland stonden hua beziele tolken op OD den kansel. Dat was het yl p^ — "f "> -" naiiaci. ua\. was ner • De v/are religie was nu gevonden. o o k z n e h t G b F b H d Van de Schrift af, van de wonderen af, van de mysteriën af. Niets dan de stille verheffing van het hart naar het ongekend Eeuwige. Ea nu eerst zou de orthodoxie, eens en voor altoos, overwonnen zijn. Bezieling schitterde. Vrome toon werd aangeslagen. En het scheen of 't vat op 't volk kreeg. — Maar hoe men zich be­ . droog! 't Liep alles uit op één bittere teleurstelling. De kerken predikte men al spoedig leeg. In steeds kleiner kring trok het bezielde modernisme zich terug. Van kansel na kansel verdwenen zijn tolken. En eer een kwart eeuw was voorbijgegaan, eindigde ook dit eerst zoo geestdriftig pogen in een hopeloos geestelijk bankroet.

En, wonder boven wonder, wat onder dit alles weer in kracht groeide, weer vat op de harten kreeg, en weer gaandeweg won, het was de aloude orthodoxie.

Het trok zich weer al om den Christus saam, om den Christus als God geopenbaard in 'tvleesch.

Juist daar hadden de Groningers en Modernen zich tegen aangekant, en dat was hun verlaten van de springader des levenden waters. Da Groningers hadden in een Ariaanschen Jezus heil gezocht, de modernen in den treffelijken Rabbi van Nazareth, en aan die aanranding van de eere van Gods lieven Zoon bezweken ze bei.

En nu kwam het oude geloof weer op. Het geloof in het ondoorgrondelijk mysterie van de Vleeschwording van 't Woord en van de rechtvaardiging door het geloof in zijn Kruisverdienste.

Uit God moet 't ons komen, niet door onze eigen verzinning, maar door Christus en door Hem alleen. Uit de Fontein des levens, die in God Drieëenig is, kan alleen door Christus het levende water ons toevloeien. Zoo alleen was de openbaring volmaakt, zuiver, eene voor alle eeuwen. God zelf zich aan ons openbarende inden Zoon des menschen.

En nu mocht er niets nieuws bij. In een worsteling van drie eeuwen, had de Kerk van Christus eenmaal haar belijdenis van den Verlosser vastgezet. Die belijdenis, eenmaal vastgezet, had de eeuwen verduurd. En die belijdenis kwam nu terug. Gelijk ze achttien eeuwen lang de zielen vertroost had, zoo leschte ze den dorst der zoekende zielen opnieuw. De toegang tot de springader des levenden waters was teruggevonden. Ea met iets van de oude kracht hernam de aloude orthodoxie haar loop.

Alle eigengemaakte waterbakken waren - reeds na een kwart eeuw ondoeltreffend gebleken. Ze lekten leeg, eer ze recht toonen konden, wat ze beloofd hadden. Maar de aloude orthodoxe belijdenis van den Christus als Zone Gods en Zoon des menschen, hóe ook teruggedrongen, drong weer met kracht naar voren, en wat achttien eeuwen lang de zoekende ziel bevredigd had, bleek ook nu nog alleen machtig zijn, om den brandenden dorst onzer eeuw te lesschen.

En dit niet, omdat haar tolken bezielder, krachtiger, uitstekender waren, maar omdat hier van alle maken van eigen gebroken bakken werd afgezien en er slechts één aandrift was, om terug te keeren tot de springader des levenden waters, gelijk die uitvloeide in den Christus Gods.

Dit is de proef op de som.

Gedurig poogt men voor wat God ons schonk, een waarheid van eigen maaksel in stee te geven, maar 't zijn al bloemen in het gras des velds, dat heden bloeit, om morgen te verwelken. Het houdt geen stand. Het heeft geen duur. En eer een spanne des tijds er over is weggegaan, zinkt 't i.« en bezwijkt. Het zijn al te gader lekke, gescheurde, gebroken bakken, die vanzelf leeg loopen.

En daartegenover staat de van God in Christus, door zijn Woord, geopenbaarde Waarheid, die, als een rots te midden der schuimende baren, onwrikbaar standhoudt, eeuw na eeuw da zielen verkwikt, en hoe ok verlaten, ia 't eind altoos weer wordt pgezocht, en altoos opnieuw blijkt de racht ter redding van zondaren te bezitten.

Om God ea God alleen is het de dorstende iel te doen, en die springader des levens adert ge niet dan door en in den Christus, n den Christus kent ge niet in zuivereid dan uit zijn Woord. Door het Woord ot den Christus, en door den Christus tot od ! Zoo alleen bereikt ge het zaüg oogenük, dat ook u de levende wateren uit de ontein des I.evens besproeien 'm het verorgene uwer ziel.

Maar speel dan ook niet langer met hetj eilige. Zoo telkens ofitmoet ge er nog, | ie wel de oude waarheid willen, maar toch \ ! zoo, dat ze er iets op afdingen of er iets va eigen maaksel bij doen, en juist dit doet hun ziel zoo vaak verwijlen in het dorre.

Godzelf noemt het een „boosheid", dit spelen met zijn heilige waarheid. Wapen dan uw ziel, dat die boosheid ook bij u niet insluipe.

niet insluipe. Wat God u in zijn lieven Zoon door zijn Woord openbaarde, wat de Kerk van Christus alle eeuwen dobr beleed, en wat nu reeds achttien eeuwen achtereen de zoekende ziel vertroost, verkwikt en geheiligd heeft, dat moet ook uw volmondige belijdenis zijn.

Weg alle gebroken bakken van eigen vinding, om alleen de springader des 'evenden waters te zoeken! Aldus luidt de roepstem, die ook thans weer van Gods wege onder alle zoekende ziel uitgaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 juli 1909

De Heraut | 2 Pagina's

„Gebrokene bakken”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 juli 1909

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken