Bekijk het origineel

„En groef in de aarde”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„En groef in de aarde”.

10 minuten leestijd

Maar, die het ééne ontvangen bad, ging henen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heeren. Matt. 25 : 18.

In de aarde graaft de man, de vrouw, van wie men, als ze sterven, op de vraag, waartoe heeft hun leven gediend, ia harde oprechtheid sou moeten zeggen: ioi niets. Het is een woord van Jezus zelf. De dienstknecht die slechts het ééne talent had ontvangen, murmureerde daarover. Het was hem de moeite niet waard met dit ééne talent iets ernstigs te ondernemen. Daarom begroef hij dit ééne talent in den grond. Als zgn heer dan later rekenschap vroeg, zou hij 't weer opgraven, en het hem teruggeven. Zijn heer had dan niets te zeggen. Hij immers kreeg terug wat hij gegeven had.

De verzoeking school hier in de ongelijkheid der talenten. Zs waren met hun drieën geweest; en had nu elk van de drie slechts dat ééne talent ontvangen, zoo ware het niets geweest, en zou ook deze „graver in de aarde" met zrjn ééne talent wel zrjn winste hebben gedaan. Maar dat zijn heer, eer hij vertrok, aan dien eerste vijf, aan dien tweede drie, en aan hem maar één talent toevertrouwde, dat ver droot hem. Hij voelde zich hierdoor onder' schat en achteruitgezet. De andere twee zagen nu op hem als op hun mindere neer Als nu zijn heer hem zoo laatdunkend behandelde, wat zou hij dan voor zijn heer gaan ijveren.' En zoo nam hij de spade, groef in een verborgen hoek een gat in den grond, stortte er het geld in uit en maakte het. gat dicht. Later, ais zijn heer terugkwam, kon hij 't dan weer opgraven, en aan zijn heer teruggeven wat het zijne was. Zijn heer leed dan wel schade, dat zijn geld geen rente jhad gedragen. Maar dat had bij zichzelf te wijten. Hij had ook hem dan maar ten minste twee talenten moeten hebben toevertrouwd. Dat graven in de aarde was dus een stille wraak die hij nam. Zijn heer had hem dan maar anders moeten behandelen.

En toch, het is niet anders, de uitdeeling der talenten door onzen God aan zijn menschenkinderen is de sprekende ongelijkheid. Gelijk er geen twee bladeren aan een boom gelijk zijn, zoo ook vindt ge geen twee menschen, die precies eender zijn. In alles zijn we ongelijk. Ongelijk in lichaamsbouw, in gelaatstrekken, in kracht van gestel en gezondheid, ia gaven van hoofd en hart, in wilskracht, in gevoeligheid, in volharding, in de kracht van ons doen en in de kracht van ons woord. Er zijn rijkbedeelden, klein in aantal. Er zgn minderbedeelden, meer in aantal. Er zijn die zser weinig ontvingen, en zij zijn verreweg de meesten in het getal. Zoo als er één leeuw is tegenover honderd schapen, en zooal^er éen nachtegaal in het woud zingt tegeübver honderd spreeuwen, zoo vindt ge ook onder de kinderen der menschen éen Mozes, éen Jesaia, éen Paulus, éen Augustinus, éen Calvijn tegenover honderden min bedeelde tijdgencoten. En zoo vindt ge ook in het leven om u heen zeer enkele mannen en vrouwen van naam, honderd anderen met gewone gaven, en weer honderden anderen die 'n niets uitsteken. Zoo is het onder uw landgenooten, zoo is hst in de maatschappij, zoo is het in de - Kerk, en zoo is het onder het volk des Hseren, Nergens eenvormigheid, allerwegen verschil en ongelijkheid, hoogbegaafden en laagstaanden. Maar altoos verreweg de meesten met het ééne talent.

Nu zijn er onder de duizenden met het ^«ne talent drieërlei soort menschen. Ten eerste menschen, die wel maar éen talent 'ijk zijn, maar die zich inbeelden, dat ze er wel twee of drie ontvingen. Ten tweede 'ieden, die in hun morrende ontevredenheid, jiun éene talent in de aarde begraven. En 'O de derde plaats eenvoudigen onder alle standen, die, tevreden met wat God hun pf, met hun éene talent woekeren wat ze kunnen, voor zich zelf, voor hun medemenschen, en bovenal voor hun God.

De eersten zijn de personen die misluk-^6n. Het ontbreekt hun aan zelfkennis, Ze overschatten zichzelf, en beelden zich in, veel hooger plaats in te nemen, dan waarop ^od hen werkelijk gesteld heeft. Vandaar dat ze zich te zeer inspannen en overmannen. Altoos aan overdrijving lijden. Nooit tevreden zijn met wat ze hebben, en "aar het bekende spreekwoord, brj twaalf *™bachten meest dertien ongelukken hebben. "ierdoor neigen ze, om van de hak op den ^ak te springen. Tdkens willen ze het weer anders beproeven. Zoo heel anders denken ze over zich zelf, dan wie ze kennen, over hen. Pretentie stapelen ze op pretentie, en ze reiken altoos hooger dan hun arm lang is. Ze zien zich zelf in hun verbeelding altoos door een vergroot-glas. Daardoor passen ze niet op de werkelijkheid. En altoos teleurgesteld, en daardoor aldoor ontevreden, leven ze en sterven ze straks weg, zonder iets wezenlijks te hebben uitgevoerd, of iets ook maar voor God en zijn zaak tot stand te hebben gebracht. Vooral vroegrijpheid bij het kind pleegt deze karaktertrekken te ontwikkelen. Wezenlijke eiken groeien langzaam. Wilgenhout schiet te snel op. En wee den zich zelf misleidende, die wilg is, en een eik waant te zijn.

In den grond komt deze zelfmisleiding op uit gemis aan echte vroomheid. Waar echte vroomheid huist, heerscht tevredenheid, en wordt berusting in Gods beschikking over onzen persoon en over ons hart het vaste uitgangspunt van heel ons optreden. Bij wezenlijk rijk-begaafde personen vindt ge dan ook veeleer een aarzelen om op te treden, en nooit overmoed. Maar deze lieden van het ééne talent, die zich als mannen van drie talenten droomen, nemen met Gods beschikking over hun persoon geen vrede, willen zelf hun lot bepalen, en vallen juist daardoor in den strik, waaruit ze, ztjn ze er eens in gevangen, zich zelve niet meer kunnen loswarren. Hun te hooge verbeelding van zichzelven jaagt hen rusteloos voort, en laat hen niet los, eer de eindpaal bereikt is. Hetzelfde kan men waarnemen bij personen van drie talenten, die zich verbeelden er vijf te bezitten; maar toch, bij de lieden van het éene talent is deze zelfverheffing het noodiottigst.

Gelijke zelfoverschatting prikkelde gemeenlijk in hun jeugd ook het tweede soort lieden, dat eindigde met in de aarde te graven. Ook bij hen is veelal eerst een pogen geweest, om boven hun geestelijken stand uit te groeien; maar al spoedig zagen ze in, dat dit toch niet ging, en toen hebben ze dea moed opgegeven, en ia het verwaarloosen van hun eenig talent spijtig heil gezocht. Ze voelden zich innerlijk te goed, om met dat èène talent zoo armzalig te blijven tobben, en toen hebben ze alle besef van verantwoordelijkheid van zich geworpen. Wat zouden zij ook met dit éene talent kunnen uitrichten.' Veel in het hoofd hebben ze niet. Het gevoel in hun hart is veelal gedrukt. Tegen die anderen kunnen ze toch niet oproeien. En zoo slapen ze in. Ze droomen niet. Ze doen niet aan een overspannen verbeelding. Zs laten zich leven in plaats van zelf teieven. Wat invloed zou er van hen kunnen uitgaan.? En zoo stompt het ééne talent zelf dat ze ontvingen, almeer in hen af. Dat ook zij nog iets voor de zaak des Heeren konden doen, houden ze voor ondenkbaar. En zoo verliezen ze tenslotte allen lust en alle belangstelling. Ze eten en ze drinken, ze leggen zich ter ruste en staan weer op. Maar de éene dag blijft aan den anderen gelijk, en heel hun aanzijn wordt de onbeteekenendheid zelve. Wie hen kent en doorgrondt, vindt dat dan jammer. Want immers er zat wel terdege iets ook in hen, dat, mits goed ontwikkeld, een heerlijke vrucht had kunnen afwerpen. Ook in den lageren tooüaard van het leven kan zooveel heerlijks gezongen worden. Maar juist tot die ontwikkeling van dat iets komt het bij hen niet. Eer begraven ze wat ze van hun God ontvingen. Ook zij konden zeer wel eens een goed woord op zijn tijd sprekeii, maar het blijft hun in de keel steken. Door liefde te toonen en liefde te bewijzen, konden ook zij zeer wel invloed op menig hart verkrijgen, maar invloed laat hen koud.

En zoo keert zich hun leven naar het uitwendige. Op de deur die naar het hart leidt, gaat de grendel. Nietigheden, ijdel gesnap, kleeding en opschik, afleiding en ontspanning jagen ze telkens opnieuw na. Ze worden egoïsten, die met hun éene talent als met een vlieger die toch niet opgaat, spelen.

Zoo bekruipt hun een gevoel van machteloosheid. Zij kunnen toch niets. Voor niets zijn ze goed. Niets moet men daarom van hen vergen, o. Voorzeker, de komst van het Koninkrijk van Christus is een prachtig ideaal, maar wat zouden zij, arme tobbers, met hun ééne onbeduidend talent hiervoor ooit doen kunnen.

Gelukkig zijn de meesten zoo niet. Ze d denken aan geen twee of drie talenten. Ze h voegen zich in het lot dat God hun be­ k schikt heeft, en daarom doen ze, elk op i zijn manier, met dat ééne talent nog zoo groote dingen.

Als er een paleis moet gebouwd worden, is er één bouwmeester, zijn er enkele opzichters, die den boi'; < ' leiden, maar het eigenlijke werk van den bouw wordt verricht door die menigte van opperlieden, die het fundament uitgraven, en straks bij het optrekken van de muren steen op steen leggen. En zoo ook is het brj den bouw van het maatschappelijk leven. Het zijn de opperlieden, het zijn de mannen en vrouwen van het ééne talent die den eigenlijken bouw tot stand brengen.

En zoo ziet ge dan ook dagelijks die honderden en duizenden mannen en vrouwen, ouden en jongen van dagen, bezig in het hun aanbevolen v/erk, en zoo ze voor dat kleine werk maar het noodige éene talent ontvingen, en dit éene talent met inspanning van alle kracht aanwenden, dan zijn zg het die het groot geheel van ons leven in werkplaats, in dienst, in gezin en brj het bereiden van klseding, spijs, welstand, en zooveel meer, tot stand brengen. Het grooter deel van het leven der wereld, het drijft op den man en op de vrouw var» het éene talent.

Deze eenvoudigen in den lande nu zinnen en peinzen daar niet over. Ze nemen het leven zoo als God het hun toebeschikt. Daar zijn ze tevreden mee. Daar zijn ze gelukkig in. Daar ijveren ze in met het beste van hun krachten. Zoo als de veldheer den slag leidt, maar de gewone soldaten den slag uitvechten, zoo ook gaat het in het dagelrjksch leven toe. Het zrja de mannen en vrouwen van het éene talent, die den honig in den bijenkorf saampuren.

En zoo gaat het ook in de zake van Gods Koninkrijk, De kleine offeranden brengen het grootste totaal op. De stille openbaring van het geloof in den gewonen ievenskring houdt hat geloof in stand. De gebeden der eenvoudigen met hun éenè talent klimmen voor Gods troon ter verhóoring op. Het gemeenzame woord van ernst heeft ook ia dien stillen kring soms een heerlijke werking. De liefde, ook al komt ze zonder ophef, verwarmt het hart, en vlecht banden, die heel een heiligen kring kunnen saambinden.

Er wordt voor God onder deze eenvoudigen geleefd. Zijn naam wordt er geloofd. Zijn verborgen omgang word er genoten. En zooals de lelie wel sierlijk pronkt, maar toch juist de gewone eenvoudige graanhalmen het brood des levens uitgeven, zoo is en blijft deze machtige groep van de lieden met het éene talent de steun voor Land en Maatschappij, voor Staat en Kerk. In die „kleyne luyden" van het éene talent, die ge onder alle standen vindt, huist de kracht van het volk.

Ze graven niet in de aarde, maar leggen een schat in den hemel weg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 augustus 1909

De Heraut | 2 Pagina's

„En groef in de aarde”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 augustus 1909

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken