Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In den bidstond

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In den bidstond

14 minuten leestijd

Amsterdam, 22 October 1909.

In den bidstond, die Dinsdagavond inde Keizersgracht-kerk gehouden werd, ontleende Ds. van Schelven zijn inleidend woord tot het gebed aan Psalm 127: i. In verband met dit woord wees hij er op, hoe steeds het gevaar bestaat, dat de mensch vergeten zal, dat alles afhangt van den zegen Gods. Dat gevaar dreigt, wanneer de vijanden veel zijn en eigen kracht gering is; zoo licht maakt dan moedeloosheid zich van 't hart meester en moet God ons daarom toeroepen: niet door kracht noch door geweld, maar door - Mijn Geest zal het geschieden. Maar dat gevaar bestaat niet minder, wanneer voorspoed ons omringt en alle hulpmiddelen ons ten dienste staan; men gaat dan op die hulpmiddelen zijn vertrouwen stellen, in plaats van op den Heere onzen God; daarom waarschuwde Salomo, dat de bouwlieden te vergeefs bouwen en de wachters te vergeefs de stad bewaken, wanneer God zijn zegen onthoudt. Reden tot dankbaarheid was er zeer zeker, want de stichting der Vrije Universiteit had aan ons Gereformeerde volk een Hoogeschool geschonken, waar ze met gerustheid hun zonen konden heenzenden. Het aantal barer hoogleeraren en studenten had zich allengs uitgebreid, en wie aanvankelijk smaalde, dat ze niet anders was dan een theologisch schooltje, om predikanten op te leiden, kan thans wel van het tegendeel overtuigd zijn, waar ze reeds drie faculteiten bezit, voor de oprichting eener vierde de eerste stappen gedaan zijn en het aantal studenten, dat dit jaar voor de studie der rechten zich aanbood, niet onbelangrijk dat der theologen overtrof. Maar hoezeer de Universiteit won in aantal, kracht en positie, toch mocht het oog niet gesloten worden voor het gevaar, dat de eigenaardige strooming der geesten in onzen tijd ook voor haar medebracht. Ongetwijfeld komt in onze dagen de religie weer meer tot haar eere en zijn de menschen zelfs alleszins godsdienstig, maar tegelijk gaat daarmede het streven gepaard om de scherpe lijnen van de beginselen weg te doezelen en in plaats van het Gereformeerde het algemeen Christelijke op den voorgrond te stellen. Op het pas gehouden eeuwfeest van Calvijn's geboorte waren mannen van allerlei richting gekomen om den Hervormer van Geneve te huldigen, maar van de beginselen door Calvijn verkondigd, wilde men niets weten. Het schoone woord van Groen: in ons isolement ligt onze kracht, dreigde vergeten te worden. Niet in de uitbreiding van het getal, maar in de beslistheid, waarmede het vaandel ontplooid wordt, ligt waarborg voor duurzamen invloed, gelijk met tal van treffende voorbeelden, aan de Schrift en de historie ontleend, werd aangetoond. Na dit ernstige woord droeg de voorganger de belangen der Hoogeschool, inzonderheid van hare Hoogleeraren en studenten, in den gebede aan God den Heere op.

Woensdag te drie ure vond daarna inde groote zaal van het Gebouw van den Wer kenden Stand de plechtige overdracht van het rectoraat plaats, waarbij een zeer talrijke schare was opgekomen. Behalve Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren waren ook aanwezig twee Regeeringscommissarissen en drie deputaten der Gereformeerde Kerken.

De aftredende rector. Prof. Dr. W, Geesink, hield bij deze gelegenheid een rede over de verhouding van zedelijkheid en recht:

Geroepen, onder meer, ook de ethiek en de geschiedenis der wijsbegeerte te doceeren, kwam Spr. meermalen te staan voor het probleem van zedelijkheid en recht. Waar een algemeen bevredigende oplossing daarvan nog ontbreekt en bestaande oplossingen hem niet konden bevredigen, heeft hij toen naar eene gezocht en wil de door hem, naar hij meent, gevondene voordragen. Hij zal daarom spreken over: de verhouding van zedelijkheid en recht.

Om het probleem niet te embrouilleeren acht spreker het noodig wel in het oog te houden, dat het bij de vraagstelling gaat over de verhouding van de gangbare zedelijkheid en het positieve recht.

Een nadere en nog maar voorloopige bezinning over wat zedelijkheid en wat recht is leert reeds, dat men beide [vooral niet tot zelfstandigheden moet bypostaseeren. Men moet onderscheiden, ^1 zijn die ook niet van elkander aftescheiden, zoo bij zedelijkheid als recht, tusschen de handelingen en gezindheden als de stof en de normen daarvoor als de vorm. De vraagstelling wordt dan die naar de verhouding van de normen, zoo voor de handelingen als de gezindheden, van de gangbare zedelijkheid en van het positieve recht èn naar hun verhouding tot de ideëen van zedelijkheid en recht.

Na dus de vraagstelling te hebben vastgesteld, geeft Spr., ter oriënteering in het probleem, een kort en zich tot het voornaamste bepalend overzicht van de geschiedenis van het probleem. Betrekkelijk is het niet zoo heel oud, maar kwam het eerst op in dat natuurrecht, waarvan HUGO DE GROOT de vader is. Echter niet door hem, maar door de latere leeraars van het natuurrecht, tot op zekere hoogte reeds door PUFENpoRF, maar vooral door CHRISÏIAAN THOMASIUS is het gesteld. Volgens dezen verhouden het iusium en het horustum zich als disjuncte begrippen; verschillen recht en zedelijkheid in doel, en is de dwang het specifiek verschil tusschen rechtsplicht en zedeplicht.

Tusschen THOMASIUS Fundamenta en FICHTE'S Grundlage des Naturrechts ligt bijkans heel de i8e eeuw. In dit laatste werk wordt deverhouding die eener contradictoire tegenstelling. Nog vóór dat echter de eeuw ten einde liep, gaf Kant, een jaar later dan FICHTE, zijn oplossing in de Metaphysik der Sitte. Naar zijn onderscheiding van ethische en juridische wetgeving, komt het bij de zedelijkheid alleen aan op de gezindheid (moraliteit), bij de iuridische alleen op de handeling (legaliteit) ea is de dwang inhaerent aan het recht.

In de Duitsche speculatieve school, waar na FICHTE met da voorstelling van een natuurrecht was gebroken, gaven SCHELLING en HEGEL hier oplossingen welke even als die van KRAUSS'S leerling AHRENS en van den theologiseerenden jurist STAHL door Spr. werden vermeld. Met een bespreking van de oplossingen, ons geboden in de jongste litteratuur door CATHREIN en HoFFDiNG, en in die van deze eeuw, door den neo Kantiaan STAMMLER, den auteur van Wirt schaft und Recht en van de Lehre van dem Richtigen Rechte; door BEROLZHEIMER en door onzen landgenoot STRUYCKEN, welke laatste in zijn dissertatie over: Het Rechtsbegrip echter alleen het formeele verschil tusschen rechtsregel en moraalvoorschrift behandelt, — wordt dit overzicht besloten.

Tot de door hem gevonden oplossing nu van het probleem der verhouding van zedelijkheid en recht is Spr. gekomen door haar langs drieërlei weg te benaderen en wel langs die wegen welke hij zou willen noemen den genetischen, den logischen of den weg der begripsonderscheiding en den Theologisch-Metaphysischen weg.

Bij den genetischen weg ging het, om door inzicht te verkrijgen in het ontstaan van gangbare zedelijkheid en van positief recht, de oplossing hunner verhouding te benaderen, al is Spr. zich daarbij ook bewust, dat het in dézen weg te vinden ontstaan niet verder brengt dan het slechts voor óns eerdere en niet tot wat in het wezen der dingen het eerdere is.

De Sociologie en de ethnografie leeren, na gebroken te hebben met de fictie van den geisoleerden menscb, de „Gruppenzugehörigheit" van den eenling. En gelijk nóg bij het kind door zijn gebondenheid aan de zeden van het gezin ah normeerende gedragsregel de potentieel in zijn geest liggende rechtelijke en zedelijke beseffen tot actualiteit worden, zoo ook bij de menschheid in de wereld nk zondvloed en val, uit haar gebondenheid aan de Sitte der groepengemeenrchappen.

Uit deze Sitte, zelf op het innigst verbonden met de religie en waarbij de goden als wachters der zedelijke wereldorde wier reflex de Sitte is, stonden, maakten zich los de normen voor recht en zedelijkheid. Ook voor Israel waar men, in onderscheiding van de volkeren, zich bewust was, dat achter de Sitte de wil van God stond, die niet slechts de wereldorde bewaakt, maar ook zelf stelt, bracht de positieve goddelijke wetgeving van Sinaï in de rechtsnormen der vijf laatste geboden van den dekaloog geen novum quid. Krachtens het gemeenschappelijk ontstaan nu van de gezindheid tot en de normen voor zedelijkheid en recht, kan de verhouding van beide niet een disjuncte, veelmin een contradictoire zijn en moet ook de dwang aan beide verbonden, niet een constitutief, maar eer een accessoir element zijn; gevolg slechts van wat ROTHE noemde het „nat ürliches Widerstreben". De mensch is antinomiaan van nature.

Het voorloopig resultaat in den genetischen weg verkregen, werd versterkt en verrijkt in den logischen of den weg der begripsonderscheiding.

Het menschelijk willen, dat zich op handelen richt, verloopt bij ongestoorden voortgang in de vier momenten van doelstelling, motivatie, beslissing en uitvoering. In al deze vier momenten is het zoo bij recht als zedelijkheid onderworpen aan de beoordeeling van ons zelf en die van anderen, en wel naar die normen of maatstaven welke wij als de zedelijke in ruimer zin aanduiden en die, in onderscheiding van de logische en esthetische, een verplichtend karakter dragen. Spreker toont alsnu, tegenover Kants tegenstel ling van moraliteit en legaliteit, aan, dat die normen bij de zedelijkheid ook over de handeling en bij het recht ook over de gezindheid gaan en men dus, zoowel bij de zedelijkheid van een objectieve, als bij het recht van eengezindheid van het willend subject en in dien zin vaneen subjectieve zijde mag spreken.

Bij de objectieve zijde van zedelijkheid en recht of de normen voor de gedragingen is er een formeele overeenkomst, wijl beide, ook de zedelijke, en dat niettegenstaande SCHLEIERMACHERS critiek op het begrip „zedelijk geoorloofd", regelen voor behooren èn mogen zijn. Tusschen die normen echter is èn door de modaliteit waarop zij zich als verplichtende normen richten tot het handelend subject èn door haar mate rieelen inhoud tweeërlei verschil.

De rechtsordening toch is een gebiedende en veroorlovende kracht, wier normen zich als selbstherrliches of autokratisch gebod, zij het ook — door dat niet alleen de onderworpenen maar ook de gebieders er zich aan gebonden weten — niet als willekeurig bevel, tot het willend subject richten. Autokratisch, wijl het post tieve recht, zonder te vragen naar de toestemming van hen die er aan onderworpen zijn, wil gelden. Niet uitsluitend de staat, maar ook de trekkende horden en nomadiseerende volkeren hebben in den loop der tijden dat recht als uitwendige regeling voor gemeenschappelijk saamwerken gesteld.

Ook de zedelijke ordening is gebiedende en veroorlovende kracht, maar niet autokratisch; doch alleen wanneer het willend subject haar normen innerlijk toestemt, ook al handelt hij er niet naar, hebben zij voor hem een verplichtend karakter. Het ethos is altijd persoonlijk.

Het tweede verschil ligt hierin, dat onder de normen voor zedelijkheid en recht beide wel verplichtende gedragsregelen voor het handelen tegenover anderen zijn, maar dat alleen onder de zedelijke, normen voor het handelen in be trekking tot ons zelf voorkomen. Eu dit verschil ligt nog dieper, de zedelijke normen voor de handelingen in betrekking tot anderen regelen veel meer belangen van anderen dan de rechtelijke. Ea de enkelen, die zij regelen, regelen zij dan nog tot een minimum.

De dwang, het verschil waarop men gewoonlijk wijst, acht Spr., ook op grond van gezaghebbende iuridische litteratuur, niet essentieel voor het recht, al is hij ook steeds met het positieve recht verbonden. De dwangbedreigetwle regel met den eigenlijken rechtsregel in het positieve recht verbonden, is even als de innerlijke drang bij het zedelijk gebod een gevolg van het reeds bovengenoemde „natuurlijk" weerstreven, dat op zijn beurt een gevolg is van de zonde.

Bij de subjectieve zijde van zedelijkheid en recht of de gezindheid van het willend subject ligt in die gezindheid, die hem, als deugd, zijn willen doet richten op een door hem als goed erkend doel, de eenheid van het zedelijke en rechtelijke. Die eenheid differentieert zich echter in den plicht of de door de wet geboden wijze van handelen. De zedelijke plicht is het naar de normen der zedewet handelen in betrekking tot zichzelf èn tot anderen en is ook als laatste, altijd éénzijdig; door welwillende handelingen behoort het welzijn van anderen bevorderd. De rechtsplicht daarentegen is het naar de normen der positieve rechtswet handelen in betrekking tot anderen en is altijd wederkeerig. Wijl echter doel van het positieve recht niet is, maar de coëxistentie der menschen, als van de, in hokken en kooien opgesloten dieren eener menagerie, doch het achten van elkanders vrijheid en het ongestoord tot hun gemeenschappelijk welzijn doen deelnemen aan de materiëele en ideëele taak der samenleving, is echter iedere rechts plicht ook een zedeplicht, al is ook niet iedere zedeplicht een rechtsplicht. De deugd der ge techtigheid is als justitia particularis, een onder'^ deel van de jastitia generalis.

Het resultaat' in den logischen weg der begripsonderscheiding verkregen, was dat de gangbare zedelijkheid en het positieve recht objectief bezien zich verhouden als twee secante begrippen. Zij verschillen door het seibstherrliche als het kenmerk van de rechtsnormen, door het de toestemming van het willend subject verlangend kenmerk van de zedelijke normen. Maar zij zijn niet van elkander af te scheiden en grijpen deels in elkander, doordat sommige zedelijke en sommige rechterlijke normen in de gedragsregelin-betrekkingtot anderen-zijn, hoe ook onderling weer verschillend, een kenmerk gemeen hebben. En daarnaast liggen dan eenerzijds die rechtelijke normen welke, wel niet met ^1; /recht, maar met de gedragsregelen van bet positieve recht, als dwangregelen, zijn verbonden, en anderzijds die zedelijke normen welke alleen gedragsregelen in betrekking tot onszelf zijn.

Van de subjectieve zijde bezien, was het resultaat, dat de afdwingbare en wederkeerige rechtsplicht wel van den zedeplicht verschilt, maar door zijn samenhang met de deugd der gerechtigheid en krachtens de verhouding der iustitia particularis tot de iustitia generalis als het lagere of incidente begrip tot het hoogere, den zedeplicht staat.

Ten slotte de oplossing van het probleem benaderend in den theologisch-metapbysischen weg, behandelt spr. de verhouding der gangbare zedelijkheid en het positieve recht tot de idee van het recht en de idee van de zedelijkheid.

Wiji bij het positieve recht vaak summum jus summi injuria was en de gangbare zedelijkheid vaak met zichzelf in strijd kwam, hebben de mensctten gezocht naar de idee van goed en recht. Zoo de Romeinen met hun ius naturae en caturalis ratio; de Grieksche wijsgeeren inzonderheid ARISTOTELES; de leeraars van het oudere natuurrecht, inzonderheid THOMAS VAN AQUINO; en ook de leeraars van het nieuwere natuurrecht.

Is het oudere natuurrecht, waarvan alleen het princi^jtum primarium: „doe het goede en laat het fe vade" — te handhaven is, op te geven, zijn grondgedachte, dat er boven het positieve recht en de gangbare zedelijkheid een door God gestelde rechtsorde is, moet gehandhaafd In de-ie rechtsorde, voor ons kenbaar uit de H. Schrift, de natuur en de historie, ligt de idee vin het goede en van het recht. Gangbare zedelijkheid en positief recht, beide gegrond in deze Goddelijke rechtsorde, hebben zich daarnaar te corrigeeren en te conformeeren.

Als u toekomeed aan de fata academica, vermeldt Spr. het sterven van PROF. BIESTERVELD en dea curator DR. A. J. W. MONNIK. Het eeredoctoraat in de rechten aan DR. A. KUVFER door de Hoogeschool van LEUVEN verleend. Het contract tusschen de Theologische Faculteit en de G .'reformeerde Kerken. De verkiezing van den iseer TH. RUYS GZN. tot Directeur en de benoeming van den Directeur den heer J. H DE WAAL MALEFIJT tot Minister van Koloniën.

Hel college van Curatoren werd voltallig door de benoeming van de heeren Dr. H. FRANSSEN, Dr. D. SCHERMERS en Mr. S. DE VRIES CZN, In de Commissie van Toezicht, benoemd volgens Art. 2or der Hooger Onderwijswet, trad Mr. J, C. DE MAREZ OVENS. In het afgeloopen Academiejaar werden gerecenseerd 157 studenten, en badden 7 promoties plaats. Bij den aanvang van den r-ieuwen cursus in September l.l. zijn ingeschreven in het Album academicum 13 studenten

Ten slotte draagt PROF. GEESINK het rectoraat over aan zijn daartoe door heeren Directeuren, op voordracht van den Senaat, voor het nieuwe Academiejaar benoemden ambtgenoot PROF. DR H. H. KUYPER.

Met groote belangstelling werd deze rede aangehoord, die over een zoo moeilijk en ingewikkeld probleem, dat telkens de denkende geesten heeft bezig gehouden, nieuw licht trachtte te verspreiden. De keurige historische uiteenzetting van hetgeen door de groote denkers van vroeger en later tijd over dit onderwerp gezegd was, toonde, hoeveel ernstige studie aan deze oratie is ten koste gelegd; maar niet minder belangrgk was zeker dat gedeelte, waarinde spreker, winste doende met de ervaring van vroeger tijd, langs logischen, genetischen en theologisch-metaphysischen weg tot een eigen oplossing van dit probleem trachtte te komen. Eerst wanneer deze oratie, gelijk het V oornemen bestaat, in druk verschenen is, zal breeder bespreking mogelijk wezen Voorloopig brengen wij den afgetreden Rector dank voor het vele kostelijke, dat hij ons bood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1909

De Heraut | 4 Pagina's

In den bidstond

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1909

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken