Bekijk het origineel

De magistrale rede over

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De magistrale rede over

6 minuten leestijd

Amsterdam, i April 1910.

De magistrale rede over Zedelijkheid en Recht, waarmede Dr. W. Geesink zijn ambt als Rector der Vrije Universiteit neerlei en naar wier beschrijving in druk met zekere spanning werd uitgezien, heeft thans bij H. A. vanBottenburg het licht aanschouwd en werd ook ons blad ter aankondiging toegezonden. Dat de verzorger onzer leestafel, wien anders de taak der recensie zoo uitnemend is toebetroUwd, ditmaal van dezen last wenschte ontslagen te zijn, zal niemand hem euvel duiden, die weet hoe intiem de relaties tusschen hem en dat geestelijk kindeke is.

Wat de keuze van het onderwerp dezer oratie betreft, mag het wel een vermetel pogen schijnen, dat een hoogleeraar in de Theologie, al draagt hij daarbij den titel van „buitengewoon hoogleeraar in de Literarische Faculteit", zich waagt aan de oplossing van een probleem, dat in engeren zin noch tot de Theologische noch tot de Literarische Faculteit behoort, tot dusverre schier uitsluitend door juristen van professie is behandeld en door hen als een der moeilijkste is erkend. Toch zal niemand ontkennen, dat waar het hier gaat om de juiste grensbepaling tusschen zedelijkheid en recht, niet alleen den hoogleeraar in het recht, maar evenzeer dien in de Ethiek recht van medezeggenschap toekomt. Bovendien, Prof. Geesink, al is hij „in de rechtsleer niet geschooid", toont toch uitnemend goed op de hoogte te zijn van r wat door juristen over dit onderwerp geschreven is. En wat scherpte van begripsbepaling, fijnheid van analyse en strengheid van logische deductie aangaat, doet deze philosoof-theoloog voor geen jurist onder.

„Gesneden brood voor de eenvoudigen" is deze oratie zeker niet. Wie Prof. Geesink alleen kent uit zijn stichtelijke meditaties, zqn gezellige causeriën in onze leestafel of zqn meer populair geschreven Ordinantiën zal zelfs moeite hebben in deze ietwat stroeve zinnen den keurigcn literator te erkennen. Maar al is deze oratie gespeend o an alle „oratorische wendingen", al eischt o e zelfs geen geringe inspanning van geest, a m het soms al te geserreerde betoog te olgen, toch zal niemand, die voor weten­ v chappelijke vraagstukken belang koestert, g zich beklagen, dat deze geestelijke inspan­ d ning niet ruimschoots wordt beloond. De h schaal mag hard wezen, de kern is kostelijk. d Er ligt aan deze oratie een zoo ernstige d studie ten grondslag, de rijke stof is op zoo d uitnemende wijze verwerkt, de gang van het betoog is zoo logisch, dat daargelaten of ge met elk der conclusies het eens zijt of elk onderdeel der bewijsvoering zoudt willen onderschrijven, het geheel aan eik man van studie eerbied zal afdwingen. Er mag gerust gezegd, zonder dat we aan overdreven lof ons bezondigen, dat dit probleem nog door niemand aan zoo grondig onderzoek is onderworpen en de oplossing zoo dicht benaderd is als hier. Als proeve van methodologisch onderzoek mag deze oratie een voorbeeld worden genoemd.

Prof. Geesink begint eerst met het probleem te stellen en wijst er dan op, dat hij spreken zal over wat hij noemt Az gangbare zedelijkheid en het/w/ftVw recht. Over de verhouding van die beide toch gaat het probleem, zooals het in de historie aan de orde is gekomen. Hij ontkent daarom niet, dat achter die gangbare zedelijkheid en dit positieve recht nog een hoogere zedelijkheid en een hooger recht schuilen en ook geeft hij toe, dat om tot een bevredigende oplossing te komen, evenzeer de verhouding van deze beide moet onderzocht worden, maar dit onderzoek bewaart hij tot het laatste en begint eerst met de beide termen te nemen, zooals ze gewoonlijk in dit geding worden gebruikt. Na aldus de „vraagstelling te hebben gefixeerd" laat hij dan „ter orienteering in het probleem" een overzicht volgen van de geschiedenis van het probleem, waarin kort maar duidelijk getoond wordt, hoe het vraagstuk opkwam en welke solutie is beproefd door juristen en philosophen van naam. Is de lezer zoo ingewijd in de geschiedenis, dan begint de „bescheiden poging" door Prof. Geesink zslf gewaagd om een betere oplossing te vinden. Hg volgt daartoe drie wegen, den genetischen, die gebaand is door de sociologie; den iogischen of dien der begripsonderscheiding en ten slotte den theologisch-methaphysischen. Aan het slot geefc hij dan kort saamgevat de conclusies, waartoe hij kwam en waarin dan tegelijk een critiek ligt opgesloten van de slotsom, waartoe anderen waren gekomen.

Nu deze oratie in druk voor ons ligt, en daardoor beter dan op vluchtig hooren alleen, een oordeel mogelijk is, mag wel dank aan Prof. Geesink worden gebracht voor het keurig stuk, dat hij leverde. Hoe verder men in deze oratie komt en hoe meer men daardoor de eigenlijke bedoeling van den schrijver leert verstaan, des te meer klimt ook de waardeering voor zijn arbeid. Bij het genetisch en logisch onderzoek, waarbij Prof. Geesink zich nog beperkt tot de „gangbare zedelijkheid" en het „positieve recht", komen zeker uitdrukkingen voor, die, wanneer het slotbetoog ontbrak, tot misverstand aanleiding zouden kunnen geven. Wanneer hij bijv. zegt op blz, 50 en 51, dat de normen van het zedelijk leven of de „zede wetten" in onderscheiding van de rechts normen „afhankelijk z^n van onze toestemming", dan ontstaat daardoor de schqn, afsof het objectief gezag der zedewetten niet genoegzaam wordt ge waarborgd. Toch blqkt uit het derde gedeelte, waarin Prof. Geesink den metaphy sisch theologischen weg bewandelt, dat dit allerminst zijn bedoeling is en hij wel degelijk erkent, dat de zedewetten door God voor den mensch vastgesteld, hem binden Hier vooral, waar hij het empirisch onderzoek verlaat en opklimt tot wat „recht en goed is voor God", om daaruit èa de recht» orde en de zedelijke wet voor de menschheid af te leiden; waar hij toont, hoe door de zonde beide voor den mensch een abnormaal karakter dragen en daarom ook niet in volle heerlijkheid uitkomen, om dan aan het slot in werkelijk bezielende woorden te schilderen, hoe eens op de nieuwe aarde die disharmonie zal wegvallen en er „har monie zal zijn van eeuwige schoonheid tusschen de tot heiligheid geworden zedelijkheid der menschen en het blijvend recht van God", bereikt deze oratie haar hoogte punt en eindigt ze in een akkoord, dat bevrediging schenkt aan geloof en weten beide.

Met de bescheidenheid, die den waren geleerde siert, heeft Prof. Geesink zijn studie een „benaderen" genoemd van de oplossing van dit probleem. In hoeverre het hem ook inderdaad gelukt is, het vraagstuk op te lossen, staat niet aan ons ter beoordeeling. Ook op wetenschappelijk gebied, waar men voor zulke moeilqke en diepe quaesties staat, geldt het woord van den Apostel; ik jaag er naar of ik het grijpen mocht, maar gegrepen heb ik het niet. Alleen de oppervlakkigheid van schijn-geleerdheid meent alle wereldraadsels te kunnen verklaren en alle problemen te kunnen oplossen. De echte man van wetenschap stelt zich met bescheidener taak tevreden. Hij is dankbaar, wanneer het hem gelukt is een schrede verder te komen op den weg, die leidt tot het doel. Dien lof nu zal zeker niemand aan Prof. Geesink onthouden. Hij heeft het vraagstuk scherp gesteld; hij heeft op menig punt nieuw licht doen vallen; hij heeft een oplossing voorgesteld, die zeker veel heeft, wat haar aanbeveelt. En hij heeft bovenal aangetoond, en daarvoor danken we hem het meest, hoe ook op dit gebied de beste oplossing gevonden wordt voor wie wandelt bij het licht, dat Gods Woord ons schonk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1910

De Heraut | 4 Pagina's

De magistrale rede over

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1910

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken