Bekijk het origineel

„De nederheid zijner dienstmaagd”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„De nederheid zijner dienstmaagd”.

9 minuten leestijd

[KERSTFEEST].

En Maria zeide: Mijne ziele maakt g^oot den Heere; En mijn geest verheugt zich in God, mijnen Zaligmaker; Omdat Hij de nederheid zijner dienstmaagd heeft aangezien. Luc. 1 : 46, 47, 48a.

Bij deu Heere onzen God is alle scheppend wetk tegtlijk heilige kunst, en alle kunst van den Oppersten Kunstenaar is tegelijk een werk der eenwen. Dat heeft heel de Christenheid steeds op ons Kerstfeest gevoeld. Geen verzinner in gewijde verbeelding lou ooit rijker, schooner, treffender tafereelen ineen hebben kannen vlechten, dan Bethlehem ons uit den Kerstnacht biedt. Hier vloeit de volste werkelijkheid aet de schitterendste poêsie in één Goddelijk geheel saâm.

Grooter, machtiger openbaring van Goddelijke mogendheid in het middenpunt van 't leven deier wereld is niet denkbaar. Het Eeuwige Woord zelf is vleesch geworden. God zelf is geopenbaard in het vleesch. In de gedaante eens mecschen nadert God zelf tot ons menschelijk geslacht. En joist omdat dit bestel en doen Gods in majesteit alle voorafgaande genade vfrre te boven ging, mocht de wereld zelve niets, wat dan ook, aan de glorie van het Kersttafercel toebrengen. Dit keurgesteente in de toebrecging der genade wordt ons aangeboden niet in een gouden prachtring, maar als op een a& rden potscherf. Al wat de wereld aan dit hoogheilig tafereel bijbrengt, is van lagere orde. Een stal, in dien stal een kribbe, en in die kribbe wat doeken en windselen, en voorts buiten Bethlehem eenige herders, die bij het nachtelijk stargefloaker hun kudde bewaken. En wel was er ook de gelukzalige moeder, die nu door alle geslachten wordt zalig gesproken, maar ook Maria werd eerst door Bethlehem groot, en z/^ór Bethlehem ook verzonk zij ia haar nederigen staat op aarde. Of jubelde ze niet, en maakte ze niet groot den Heere „omdat Hij de nederheid zijner dienst' maagd had aangezien? ”

Ze was een vergeten jongedochter in Israël, levend onder den lageren handwerkstand, in het ver afgelegen Natareth thuis hoorend, onder de grooten en machthebbers in Jerusalem zelfs bij name niet bekend. Maria voelde zich als van de vroegere grootheid van haar geslacht geheel afgedaald en sinds in staat van klein-burgerlijke nederheid schuilend. En juist in dien nede rigen staat had ze nochtans „de goede boodschap" van Gods engel ontvangen. Ze kent haar Goddelijk Kindeken nog niet. Nog schuilt het in haar ingewand. Maar ze ontving er de aankondiging, de zalige belofte, de volle zekerheid van. Het is onder die in verrukking alles te boven gaande gewaarwording, dat ze het niet kan inhouden, maar het uitzingen en uitjubelen moet: „Groote dingen heeft aan mij gedaan, Hij die machtig is en heilig in zijn naam!" £n onder dit lofzingen grijpt bsarzelve de machtige tegenstelling aan. Om Moeder van den Zone Gods te worden, is niet de Vorstin in haar paleis, zelfs niet de Vrouwe van hoogen stand in haar prachtwoning verkoren, maar zij, Maria, de vergetene in Israël. Het is de nederheid zijner dienstmaagd, diehe Gode beliefd heeft aan te zien.

En die „nederheid zijner dienstmaagd" is in volkomen harmonie met wat ons het Kerstevangelie van Bethlehem meldt. Geen plaats der eere is in Bethlehem voor haar opengehouden, en Jozef moet een enderkomen voor haar zoeken in een veestal die in de rots was ultgehoawen, een rotsholte schier zondei licht of lucht. Ganscb hulpeloos treedt Maria dit somber verblijf binnen, een schuilhoek in die rotsholte zoekend, waar ze haar kindeke l»ren kan. Gereed gemaakt en voorbereid is er niets. Haar ure overralt haar. Gelukkig staat er een kribbe, om 't vee te voederen, die voor wieg gebruikt kon worden, en de doeken, waarmee in 't Oosten op reis elke vrouw omhuld is, rolt ze saam, om er zich me£ te redden. Én dat is 't al wat de wereld baar biedt, om den Koning der eere te ontvangen.

Zoo is wat de wereld biedt tot het minst mogelijke, haast zouden we zeggen tot minder dan niets herleid. Als de zon aan de kimmen op zal paan, biedt deze wereld haar niets dan duisternis en aan den horizont dreigende wolken. En dan komen de eerste morgenstralen van het licht en tinten en vergulden die wolken, tot de drang van het licht die wolken zelve verdrqft, en de zon doorbreekt en het aardrijk doortintelt met gloed en leven. En zoo is het ook hier. Het is de*Zonne der gerechtigheid die aan den hemel des geestes ook op aarde zal ep^MB, en ook aan deze Zonne biedt die aarde niets dan somberheid en duisternis, en het komt K ook hier al van Boven, het tintelt en straalt van l enkel hemelsche glanzen. Het engelenheir breekt a tot deze wereld door. Zang als nooit schooner is z ingezet, weerklinkt door Efrata's velden. Eenvou­ r dige landsknechten die 't vee bewaken, vangen dien h zang op, en komen straks aan Maria, en door Maria aan heel deze aarde, het epos van Gods ontfermingen melden. „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!" En Maria bij en onder dit alles de van God verkoren maagd, de vrouw uit alle vrouwen, die het heilig Kindeken baren mag. Zij de dienstmaagd des Heeren in haar nederheid, en nu gelukzalig geprezen van geslacht tot geslacht.

Vandaar die geheimzinnige, die toenemende aantrekkelijkheid, die alle eeuwen door steeds van Bethlehem op al wat klein naar de wereldwas, is uitgegaan. Reeds in het Kindeken zelf sprak dit. Straks zal de Leeuw uit Juda's stam den strijd volstrijden, maar hier verbergt de held Gods zich nog in de gestalte van het hulpeloos wicht. Het is een Kindeken, dat nog gedragen, nog aan de moederborst gelaafd moet worden; een Kindeken, dat nog geen woord kan uiten, dat nog pas halfbewust en sluimerend in de kribbe ligt. Van macht of majesteit nog geen sprake. Al wie de kribbe naderdej zag als een meerdere in jaren en in mannelijke kracht op dit hulpelooze Kindeken neer. En met de hulpeloosheid van dat heilig Kindeken is ook stal en kribbe in overeenstemming. Er is niets dat door schittering verblindt of door statie op een afstand houdt. Er is niets dan een wicht dat pas het levenslicht zag, een mysterie dat nog niemand verstond, aanminnig als nooit een kindeken geweest was, maar nog te weinig geteekend om doorzien en verstaan te worden. Een kindeken, zooals een pas geboren wicht nog nauwelijks de oogen ontsluit voor het licht, waardoor het bestraald wordt.

En de moeder die het gebaard heeft en er bijzit en het begluurt, weet wel dat er een wonder mysterie in haar Kindeken schuilt, maar ze kan dit mysterie in de vrucht van haar schoot nog niet ontraadselen. Het is een Kindeken als een ander kindeke, hulpeloos, machteloos, zacht schreiend om gevoed te worden. En het is Maria zelve, die allerminst schittering aan dit Kindeken bijzet. Hooge families hadden de rijker vertrekken in de herberg ingenomen, kinderen van meer aanzienlijke geslachten speelden in zalen en gangen, en zij school in een rotsholte. Schier door niemand herkend, was ze een vergetene onder de vrouwen. In haar nederheid wegschuilend, en Jozef die voor haar zorgen moest, een kleine timmerman uit Nazaret.

En dit juist heeft de wereld op elk Kerstfeest weer gevoeld. Kerstfeest is niet een bijzonder feest voor de grooten dezer aarde, geen herinneringsdag voor de wijzen en machtigen. Al wie mensch is wordt hier ter feestviering genood. De laagststaande staat er niet te laag voor. De meest vergetene is niet buitengesloten. Wat hulpeloos en machteloos onder de kinderen der menschen is, wordt hier met een heilig welkom door Gods engelen begroet. En als de kleinen met hun moeder Hem naderen, dan wordt zelfs het kleinste kind niet afgewezen. Al wat adem heeft, tot zelfs het kindeken dat nog op moeders arm gedragen wordt, is bier een geroepene ter feestvreugde. En jong en oud, rijk en arm, vergetene en aanzienlijke, zwakke en sterke, het voelt alles de heilige aantrekking die van dat Kindeken in de kribbe uitgaat. Dat Kindeken is het juweel der genade voor heel ons menschelijk geslacht.

En hierin juist schuilt de verheffende, de bezielende kracht, die op heel ons menschelijk leven van de Kribbe uitgaat. Vergeet niet, de kleinen en de ellendigen op aarde winnen het in aantal nog steeds van de aanzienlijken en de gelukskinderen. En hoe kan het anders, of onder den glans die van het leven der grooten afütra& lt, voelt al wat klein en nietig onder menschen is, zich vaak gedrukt in zijn nederheid. En nu schuift ons Kerstfeest op eens met Goddelijke hand al die aardsche grootheid op zij, om niets dan Goddelijke grootheid in het oog te doen schitteren, en om die kleinen naar de wereld toe te roepen: „Die Goddelijke grootheid is ook voor u, voor u zelfs in de eerste plaats". En wat is het kaarslicht van aardschen glans dan vergeleken bij den zonneglans van Goddelijke grootheid, die zich in dit heilige Kindeken openbaart, om ook u te bestralen?

Als straks de gemeente van Christus de wereld ingaat, en de apostel haar toeroept: „Gij zijt niet vele grooten, en niet veile aanzienlijken en niet vele wijzen naar de wereld, maar wat klein en als niets was, heeft God uitverkoren", dan zet zich in die teekening der Gemeente het beeld van de Kribbe voort. Die Kribbe is een ommekeer in de waardschatting van het leven. Hier bij die Kribbe voelt al wat in heiligen eerbied toetreedt, dat het^oud en het keurgesteente der ziel niet in menschelijke grootheid ligt, maar dat het alleen in wat God u schenkt, kan schitteren. Het Kindeken van Bethlehem bant alle hoogheid, het legt aan alle menschelijke eere het zwijgen op, het maakt u zelfs klein, bet stemt u nederig. Het doet u uw eigen leegheid en de bolheid van alle menschelijke grootheid voelen en tasten, en stelt voor die menschelijke zelf verheüing een grootheid van gansch andere orde in de t plaats. Een groot-zijn niet uit u zelf, maar door wat God u in dit Kindeken schonk.

Zoo leeft de arme, de kleine naar de wereld, bij die Kribbe van Bethlehem weer op. Al wat gedrukt was, haalt weer adem. Hoe ook op aarde achteruit gezet, toch niet achteiuitgezet bij God; Hier het heilig Kindeken dat al wat mensch heet toelacht. Maria in haar nederheid door God verkoren, verkoren tot het hoogste wat een vrouw, een kind des menschen, kon beschoren zijn. En daarom juicht al wie evenals Maria in nederheid zijn dagen slijt. Hoe laag ook in de wereld staande, toch niet van zijn God vergeten, en hoe veracht ook onder menschen, toch rijk in dit Kindeken, dat door God aan de wereld is gegeven. Zoo leeft op 't Kerstfeest alle ziel op, en juicht en jubelt meê, en van alle einden der aarde klimt de lofzang voor God in dank en in aanbidding naar Boven, voor wat Hij in zijn genade door dit Kindeken Jezus aan de wereld, ook aan de kleinsten in deze wereld, schonk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 december 1910

De Heraut | 4 Pagina's

„De nederheid zijner dienstmaagd”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 december 1910

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken