Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Voleinding.

19 minuten leestijd

XIII.

Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hunne landschappen, elk naar zijne sprake, naar hunnehuisgezinnen, onder hunne volken. Genesis X : 5.

Voor Israei als zoodanig hebben de godsdienstige en afgodisciie voorstellingen der overige, nog niet door ons besprokea, volken op zichzelf zoo goed als geen beteskenis. Israël lag tusschen de Egyptenaars, Babyionïërs, Perzen en Grieken als hermetiscli opgesloten, en met de overige wereld trad het bijna niet in contact. De kleinere volkeren komen hierbij niet in rekening. We spreken nu alleen van die grootere volken, die wij „de groote mogendheden" zouden noemen, en die feitelijk eeuw na eeuw de gidsen en leidslieden der heidenwereld waren, en van deze kwamen slechts de vier genoemden met Israël in nadere aanraking. Wei zouden de Romeinen hier aan toe te voegen zijn, maar voor wat de godsdienstige voorstellingen betreft, valt in de hoofdlijnen het Romeinsche met het Grieksche verzinnen saam. Met het oog op onze lectuur van de H. Schrift zijn er dus feitelijk vooralsnog slechts twee volkengroepen, die onze aandacht vragen, de Germaansche en de Indische, en wel de eersten omdat ze onze eigen voorvaderen geweest zijn, en de tweeden, omdat ze op religieus gebied een geheel eigen plaats innemen. Vooï wat deze beide groepen aangaat, daarom nog een kort overzicht.

Ook de Germaansche volkeren, waaronder ook ons volk zich heeft te rangschikken, zijn uit Azië herkomstig. Niet alleen in dien algemeenen zin, dat in Midden-Azië de bakermat van geheel het menscheiijk geslacht is te zoeken, zoodat tenslotte alle volken uit Azië zijn opgekomen, maar veel strenger. Er blijkt toch, dat de Germaansche groep reeds lang voordat ze Europa binnentoog, zich tot een eigen wezen ontwikkeld had, haar eigen karakter had gevormd en tot een zeer aanzienlijke macht was aangegroeid. Gelijk reeds de taal uitwijst, stond de herkomst der Germaansche volken in verband met den machtigen stam, uit welks wortel ook de Perzische groep was opgekomen, en dien men nu nog vrij algemeen als den Indo-Germaanschen aandient. Om in de taal van het verhaal van den Zondvloed te spreken, met alle Germanen zijn ook wij uit Japhet, en niet uit Ssm, waaruit Israel opsproot. Ook in de religieuze voorstellingen der Germanen komt deze tegenstelling uit, en in het algemeen kan gezegd, dat het ernstiger karakter der Perzische voorstellingen ook ia de Germaansche Mythologie wordt teruggevonden, zrj het dan ook cp veelszins andere wijze. Zelfs kan gezegd, dat de vrouw, die in de Semietische voorstellingen alles bedierf, in de Germaansche mythologie alles redt. De overwegende invloed van de vrouw op het leven geldt allerwegen, en de vraag is maar, of de vrouw zich hierbij gelden doet als in hoofdzaak een zinnelqk wezen, dan wel als de draagster van wat edel in het gemoed klopt. Het eerste was het geval bij de Semietische volken, except Israel, het tweede treft men aan bij de Germaansche groep, waarin de vrouw niet optreedt als de dartele verleidster, maar veeleer als de stille huismoeder; en het is dit diepgaand onderscheid, waardoor het zeer groote verschil tusschen de Chaldeeën en Noormannen wordt bepaald. In beider voorstelling overwint ten slotte het vrouwelijk element, maar zoo, dat aan de oevers van de Euphraat de zinlijke trek. den adel des geestes versteende, terwijl omgekeerd bij de Germaansche volken in de vrouw de draagster van zieleadel en hooger geestesleven zegepraalt over ruwheid, geweld en brooddronkenheid. Bij de Germanen is de man een echte man, de vrouw een echte vrouw gebleven. De man munt uit door kracht, moed en doortastendheid, de vrouw door huislijken zin, stille arbeidzaamheid en edel bedoelen. Eerst blijft daardoor de heerschappij in ha!f-gewelddadigen zin aan den man, maar in het eind triomfeert ook bij ons het hooger beginsel dat in de vrouw zijn incarnatie vond. En als straks onder den invloed der Christelijke religie de overmoed in den man getemd wordt, zet zijn moed zich in ridderlqkheid om, en wordt het eeregeven aan de zwakkere vrouw voor het edeler deel van het mannelijk geslacht de onverwelkelijke roem. Dit beduidt natuurlijk met, dat zinnelijkheid en wellust aist ook onder de Germanen meespraken. De zonde is aller. Noch ook, dat onder de Semieten geen hoogere aspiratiën leefde. Onder de Gemeene Gratie is geen volk geestelijk geheel ontbloot. Er kan, waar men zulke verhoudingen te berde brengt, nooit anders dan vergeiijkenderwiy's gesproken worden. Doch ook al bepaalt men zich hiertoe, dan valt het grondverschil, waarop we wezen, bij geen volk, tot beide deze groepen behoorende, te loochenen. Aan de vrouw hangt de beslissing, en daarom leidt de ontwikkeling tot dea triomf van het hooger en edeler leven, zoo de vrouw draagster van 's menschen hoogeren adel is, en omgekeerd tot het ondergaan van het geestesleven, zoo de vrouw zichzelve zoekt en door haar verleidende kracht over den man zoekt te heerschen. Het springt in den loop der historie dan ook Ia hetoog, hoede volkeren van het Oosten bij de groote ontwikkeling die de Christelijke religie aan ons geslacht schonk, al spoedig eiken invloed lEboeten, en ten slotte tot den Islam overgaan, terwijl omgekeerd juist de Indo-Germaansche volken den Heiligen Doop ontvangen, en nu reeds sinds meer dan tien eeuwen aan het hoofd der menschelijke ontwikkeling staan en geheel de historie beheerschen. Zelfs de Kelten treden terug en verliezen gestadig terrein, terwql omgekeerd juist de Indo-Germaansche volkeren steeds aan macht en invloed winnen. Met het oog hierop is de vrouwen-quaestie, die ook nu weer aan de orde van den dag komt, van zoo hooge beteekenïs voor onze toekomstige ontwikkeling, niet speciaal voor Nederland, maar voor geheel de Christelijke maatschapptj. Iets wat niet gezegd wordt, om de vrouv/ te verlagen of althans ten onder te houden. Integendeel, hoe hooger de vrouw staat en hoe verder haar invloed reikt, hoe beter ds toekomst zich ontwikkelen zal. Alleen maar, de vrouw moet ais vrouw door de haar verleende gaven schitteren; de invloed dien ze oefent, moet uitgaan van het haar toegewezen levensterrein. Zs moet vrouw in den echten, vollen zin van het v/oord blijven. Wordt ze daarentegen verlokt, om half man te worden en den man te willen nabootsen, daa boet ze de haar aangeborea uitnemendheid in, dan wordt het juiste evenwicht tusschen het mannelijke en het vrouwelijke element verbroken, en geheel ocze menschelijke .saamieving lijdt onberekenbare, zoo niet onherstelbare, schade, gelijk dit in heel de Semietische wereld, en zelfs in Griekenland, ten slotte het geval was. Al poogde toch in Griekenland het Dionysische Mysterie het mannelijk element in zijn oorspronkelijke positie van overwicht te herstellen, tenslotte liep het ook in deze Mysteriën op zelfverlaging van den mensch uit.

Vraagt men nu, op welke wijze en in wat vorm de religieuse gedachte zich bg onze voorvaderen ontwikkeld heeft, dan vindt mea ook bq de Germaansche volken de overlevering van een oorspronkelijk Hoogste wezen, dat ze liefst dea „Alvader" noemen, gelijk dit met name in de Noorsche Edda het geval is. Dit was juist zoo bij de Perzen, die aan dat oorspronkelijk Hoogste wezen den naam van Zarvana Akarana gaven, en in dit Hoogste wezen zochten ook zij, evenals de Perzen, den eigenlijken Schepper van al wat bestaat. De voorstelling van dea Donder-God, hier Thor' genoemd, loopt er wel naast, als uitdrukking van den machtigen indruk diea het onweder als de stemme Gods op de volken maakte, maar voor zoover zij over dea loop der dingen nadachten en zich desaaagaacde een stelsel poogden te vormen, ging Jtoch alles uit van dit Hoogste wezen, dat feitelijk de Schepper van hemel en aarde was. Doch nu komt ook hier de zonde de oorspronkelijke harmonie verbreken, en denkt men zich twee tegenovergestelde machten, die beide aaa den „ Alvader" hun ontstaan dankten, en meestal als z^n twee zoons optreden. Van deze twee nu is de één de vertegenwoordiger van het goede beginsel, de tweede die van het kwade. De eerste heet dan Baldin, de tweede draagt den naam van Odin. Deze Odin was wel niet de duivel zelf; als zoodanig trad Locki op; maar Odia sloot zich bq Locki aan, kwam geheel onder zgn invloed, en werd daardoor in den grond bedorven. Op zeer zonderlinge wijs wordt het nu voorgesteld, alsof de „Alvader" zich aanvankelijk meer tot den bedorven Odin, dan tot dea edelea Baldia voelde aaagetrokkea. Zelf te hoog bovea de wereld staaade, om de wereld te regeeren, besloot h^ de regeering der wereld aaa een vaa zija zoaen over te dragen, en koos daartoe niet Baldia, maar Odin. Daaruit nu verklaarden de Skalden en Bardea het droef verschijasel, dat alles in dese wereld misgaat; dat ^onde, misdaad en gruwel hand over hand toenemen; dat het In deze wereld een groote verwarring wordt; dat lijden ea ellende als eeli vloek zich op ons werpen; en dat 'we hierdoor in een gewrongen toestand geraken, die lijnrecht in strijd is met ons menscheiijk ideaal ea zoo schier als vanzelf het heimwee naar een beteren gelukstaat doet opkomen. £a dit au juist vindt zijn oorzaak niet ia dea mensch als zoodanig, maar In Odin zelf. Odin is de goddelijke wereldregeerder, die zelf niets en niemand ontziet, op list en geweld zint, door geweld ea overmacht 't al aan zich onderwerpt, en voor geea gruwel of misdaad terugdeinst. Dit trekt den maa aaa, maar stoot de vrouw terug. Vandaar dat onder ds oorspronkelijke Germanen da mannen echte geweldenaars waren. Krijgshaftig zonder weerga, wierpen ze zich stormenderhand op alle volken, die ze ia Europa voaden, dreven ze voor zich uit, oaderwierpea ze, en vestigden op aller oadergaag hua eigea macht. Zelfs zettea ze dit ruwe, niets ontziende strevea voort, toen ze geheel Europa reeds haddea ingenomen; en het zrja met name de Noormannen, in wie bq hun strooptochten over zee deze booze natuur zich op 't hoogst ontwikkelde. Ze togen op hun kleine vaartuigen overal heen; landden waar ze konden; trokken het laad ia om door moord buit te behalen; en maakten eeuw na eeuw zoowel de kusten van ons land en België, als die van Frankrijk, Engeland en Schotland onveilig. Hun dapperheid was onweerstaaubaar. Hua mannelijke kracht en overmoed ontwikkelden zich op 't schitterendst, maar alle zedelijke zelfbedwang ontbrak, en na hun strooptochten volbracht te hebben, vierden ze hua gelagen ea fest^aea op de meest dierlijke wijze. Deze niets ontziende helden nu waren ds eclïte Odia's kiadersa, geheel vaa zijo geest gedrenkt, en zijn aard wedergevende.

Het zijn nu deze ruwe helden die door de Barden ea Skalden bezongen ea verheerlijkt werden, en voor Odia goldea ze als de eigenifjke menschen, met wie alleen hij zich inliet. Stiervea ze, dan bracht hij ze la zija paleis, la zija Walhalla, ea dan werd aan de overzqde van het graf het ruwej leven, waarin ze op aarde genoten haddea, voortgezet. Het was daa ook één festqn, waarbij de machtigea aanzatea, ea onder Odin's leiding praalden op hun macht ea glorie. Zoo was de toestand en zoo zou de toestand blrjvea cct het einde kwam. En dit einde zou daarin bestaan, dat tenslotte „Alvader" de heerschappij aan Odin ontnam, om ze nu aaa Baldia te geven, ea alzoo het leven van den tijd In het leven van de eeuwigheid te doen overgaan. Toch zou dit niet rustig toegaaa. Odia met zijn helden zouden zich met baad en tand verzetten. Het zou al uitloopen op één ontzettende reuzenworsteling, de laatste worsteling die te komen stond. De reuzenwolf uit de diepte zou dan tegea Odia in doodelijken kamp optreden, heel de wereld zou la brand vliegen, ea het zou voor eeas ea voor altijd met Odia ea zija trawaatea gedaaa zijn. De Alvader zou deze mislukte wereld verdoen, en in plaats daarvan een nieuwen hemel en eea nieuwe aarde scheppen, en In die alsdan gelukzalige wereld, zou nu Baldin, de goede god, het regimeat voeren. Er zou daa recht en gerechtigheid heerschea. Het geweld zou uit hebben. De Booze zou machteloos staan, en het rijk vaneeuwigea vrede zou wordea Ingewijd. Was het onder Odias bewiadvoering geweest eea hooghartig heerschen van dea overmoediger, alles aaadurvenden, niets oatzlenden ruwaard, aa den wereldbrand zou gerechtigheid heerschen. Het zou blqke», dat toch hooger gerechtigheid in het eind het oordeel velt. Odin met de zqnen zou de eeuwige straf ondergaan. Over zijn misdadig doea zou het voanis worden gestreken. Wat eerst onderlag, zou nu boven komen. Het Recht ea daarmee de hoogere orde zou triomfeerea, en In het eind toch wat edel en heilig Is, wordea gekrooad.

In schril contrast nu met dit ruwe, oagerechtige maaaeakarakter, waaria zich Odia's geest afspiegelde, staat in de Germaaasche mythologie de vrouw, als draagster vaa dea menschenadel. Ze is daarom onder Odia's bewind steeds lijdende, en eerst als Baldin terugkomt, wordt ze met eere gekroond. Reeds in Odin's vrouw, Frigga genaamd, teekende zich deze tegenstelling. Odin zelf woelde in echtbreuk zonder ophouden, en Frigga leidt een stil, eerzaam leven, maar voelt zich dan ook door Odia's oatrouw diep beleedigden gekrenkt. Hij geeft hier niets om, lacht om zija zonde, en drijft met de weenende Frigga zijn spot. Al wat ze ia haar oamacht doen kaa, is hem nu en dan door eea kleinen vrieadelijken Hst dea pas afsnijden, als hij op aleuwe verzoeking uitgaat. Maar voor het overige blqft zq een stille, deugdzame hulsvrouw, in alles het tegenbeeld van haar verfösilijkea man. Ook in Odia's verhouding tot Brunhilde spreekt zich dezelfde tegenstelling uit. Odin maakte een Runencodex, waarin hij het onzedelijkst egoisme, het recht vaa dea sterkste verheerlijkt, terwijl Bruahilde evenzoo een Runencodex opmaakt, waarin al wat eerlijk en zedelijkschoon is als levensregel wordt voorgeschreven. De vrouw is en blijft ook hier op de zijde van Baldia staan, en het zijn niet de machtigea der aarde, maar het Is het verachte, klelae volk, dat la deze sympathie met haar deelt. Een tegenstelling tusschen het ruw-aristocratlsche ea het teederdemocratische, dat ook ia Baldin's hemel uitkomt, waat op de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel zuUea niet alleea de dan pasgeboreaen van het geluk genieten, maar ook de mannen ea vrouwen uit de Odia's periode zullea tot die gelukzaligheid iagaan. Ja, zelfs uit Odia's aanhangers zal wie tot boete ea berouw ea wedergeboorte komt, zich in het eind den toegang tot de nieuwe aarde ontsloten zien. Frigga, Odia's vrouw, bleef voor de Germaansche vrouw de leidstar voor haar leven. Frigga noemde mea haar ia Scandinavië, Hulda in Noord-Duitschland, Bertha ia Zuld-Duitschland, maar oader die verschillende aamea Is het altoos hetzelfde type; niet de zinlijke, weelderige, listige vrouw uit de Grieksche mythen, maar de stille huisvrouw en huismoeder, en daarom liefst met het spinnewiel afgebeeld. De rustelooze tijdstroom houdt den man in nooit eindigende onrust, la de vrouw Is de rust van het eeuwige, het zich verdiepen In het innerlijk zijn. Zij straalt haar glans uit over het gezinsleven; haar waakzaam oog gaat over alles; ze verzorgt man en kroost, bedienden ea vrseïsdes, Vaa haar gaat alle Insigsr levensgeluk uit. En zij is het, die oader de heerschappij van geweld en wilkeur de hoogere beginselen van recht en gerechtigheid staande houdt.

Doch juist deze door haar ingeaomen positie is de oorzaak vaa haar voortdurend en nameloos iijdea, ea daarbij zoekt ze al haar troost ia de verwachting van wat komea zal. Eea stem ia haar zegt, dat eens vroeg of laat het recht zal triomfeerea. Daarop bouwt ze haar hope, daaria zoekt ze de rust voor haar vaak gefolterd hart. Als de man brast en slempt op zijn festijaea, weent zij in stilte ea roept een betere toekomst In. Een gedachte, die haar uit doet zien naar een Verlosser, die dea stand der dingea gelijk die nu Is, In zijn tegendeel zal omzetten. Deze gedachte v/erd dan op allerlei wqze in sagsa afgebeeld. Zoo in de sage vaa Iduna, eenedele jonkvrouw, die eenzaam In een kasteel is opgesloten, en die uit die gevangeaschap niet kan verlost v/orden, of ze moet dea kus ontvangen van eea jongen man, die zich geen enkele oazedeiqke daad te verwijten heeft. Maar juist zulk-eea wordt onder de mannen uit haar omgeving niet gevonden. Zulk een rein jong man is er niet. En nu toeft ze, ea wacht, en versmacht la haar heimwee, ea uit dit heimwee komt daa de verwachting op, dat uit de goden zulk een Verlosser ten leste verschijnen sal om aan haar jammerlqken staat eea einde te maken. Tal van andere sagen zijn in dezelfde gedachte uitgesponnen. Het is altoos de eenzame, aaa haar lot overgelatea vrouw, die la eea burcht opgesloten wordt, of, als ook die burcht door den vijand verbrand is, hoog op een berg vlucht, en zoo bij eea broa onder een boom neerzit. Ook wel persoonlijk beleedlgd wordt, maar het nooit opgeeft, ea altoos uitzien blijft aaar de betere tijdea, die ze weet dat komea zullen. Die vocrstelliag au vaa de lijdende vrouw geeft aaa heel de Germaansche mythologie een hoog en edel karakter. Zq, niet de maa, draagt de eeuwigheid la itet hart, ea niet het geweld van zija arm, maar de macht en invloed van haar innerlijk geestelqk levea heeft de belofte der toekomst, Ea al heeft de sage die betere toekomst eerst op de nieuwe aarde Ingewacht, feitelijk kan gezegd, dat de Germaansche vrouw nu reeds tea deele getriomfeerd heeft. De ruwheid van den maa Is aan baadea gelegd; wat zij ia haar hart omdroeg, is ia de Christelijke saamlevlag reeds tot wet geworden. Het geweld Is gestuit, al werkt het aog na, en het rijk vaa recht ea gerechtigheid heeft reeds een aanvankelijken triomf behaald. En het schoone in de Germaansche vrouw is, dat ze hierop niet stoft noch bluft, maar ook na dien aanvankelijk behaaldea triomf la haar stillen huiselijken aard volhardt. Slechts buitea-Germaansche lavloedea konden haar hiervan afbreagen. Daarom moest hieraaa weerstaad wordea geboden. De vrouw moest de hooge hand erlangen en behouden, maar alleen door stille kracht, ea omdat ze tot het dragea vaa haar leed bereid bleek.

Door lijden tot heerlijkheid Is alzoo de groadgedachte, die ook aaa het edele In de Noorsche sagen ten groadslag ligt, en te lichter kaa mea er zich daarom iadenken, hoe zekere overlevering uit het Paradijs ook bij de Germaansche volkea heeft nagewerkt. Ze haddea met ons de belijdeais vaa eea Opperste Wezea, dat ia den aanvang alle dingen goed schiep. Maar In dit oorspronkelijk reine measchealeven breekt ook voor hen de zonde door, alleea met dit verschil, dat, evenals ia de meeste heideasche mytbologieëa, dit booze element voor hua besef ook in het goddelijk levea zelf weet In te sluipea. Ia de Schrift staat altoos het Goddelijk levea als oagerept heilig tegea alle booze machten over, en hierin ging alle heidensche verzinning van het rechte spoor af. Doordien zij de godea als eea soort hooger menschen opvatten, kunnen ? e zich hun godea daa ook niet aaders dan als behept met measchelijke aelglagea en begeerlijkheden denken. Toch late ze daarom de grondtegenstelling tusschen het reiae en oarelae, tusschen het booze en heilige niet los, en ze volharden In de overtuiging, dat het waarachtig geluk nooit uit het booze kan voortkomen, maar altoos eeniglijk van het heilige te v; achten is. Het lijden wordt daardoor geadeld, ea ze wachtea een toekomst In, waarin het booze ea ongerechtige overwoanea ea vernietigd, zal zga. Dit kunnen ze zich aiet deaken als eea aatuurlijk verloop der dingen. Die loop der diagen moet veeleer vroeg of Iaat gewelddadig wordea afgebrokea, opdat eea aleuwe toestaad latrede. Die gewelddadige verbreking nu zal intredea als Odia ondergaat, heel z^n geslacht met hem verdorï'ea wordt, en de goede geest van Baldin als Verlosser optreedt. Dan gaat al wat bestaat teniet. Er komt eea aleuwe aarde oader een nieuwen hemel, en het eiode zal zijn, dat het recht triomfeert. En hierbij nu biedt de Germaansche mythologie dit voordeel, dat de vrouw ook hier wel op den voorgrond treedt, maar dat uit de vrouw gebannen blijft wat elders de vrouw tea val bracht; dat de vrouw niet als de draagster vaa het zlanelqk schoon, maar als de draagster vaa het zedelqk schooa optreedt, en juist hierdoor voorbeschikt is, om haar heerschappij steeds meer ia dea weg vaa recht en gerechtigheid te vestigea. Ia andere mythologitënls het juist de vrouw, die den maa ea zich zelve oagelukkig maakt hier blijft ze la haar zieleadel volharden, ea niet het minst uit dezen trek verklaart het zich, dat het Christendom vooral onder de Germaansche volken eea toebereldea akker voad, waaria het zaad vaa het Evaagelie wortel kon schieten.

Wel was dit alles bij de Germanea in eea eiadelooze reeks vaa sagen en legendea ea poëtische voorstellingen ingekleed. Priesters ia eigenlijken zin haddea de Germanen niet, ea alleea de Skaldea en Bardea warea hua zangers, die de herinneringen vaa het verleden ea de Idee ë a van het Germaansche volk bezongen. Maar al schijnen die zangers meer het uitwendig kleed der historie, daa het innerlijk zielsbesef te doen uitkomen, toch schuilt in al die zangen ea sagea ea legeadea steeds eea diepere voorstelling, waaria de zielspoëzie vaa het volk tea gehoore wordt gebracht. Mea moet daarom noch aaa diea vorm, aoch aan die poëtische inkleeding blijven hangea, maar steeds tot de groadgedachte doordriagea, die er ia tot uiting komt. Eerst daa leert mea oas voorgeslacht verstaaa, en voelt mea, hoe ten slotte ia hea gelijke zielsbehoefte sprak als in ons. Zelfs kaa men zeggen, dat ook de hooge idee vaa eea kindschap der godea zich aaa hea opdrong, zij 't al in veel lageren vorm, dan waarin ons dit Kindschap toespreekt. Voor ons is het de uitdrukking van het weer in ons opbloeien vaa het beeld Gods, waarnaar we geschapen zijn. Zoo hoog miktea zij alet. Maar toch verhiaderde dit Paulus niet, op dea Areopagus ons Chrlstelqk Ideaal met dea heidenschen zang: „Wij zijn van Gods geslacht", in verbaad te brengen. Ea zoo Is het ook hier. De Germaan In zija edelste oogenblikken beluisterde In zija ziel de laspraak van een hoogere gerechtigheid, die zelfs In de goden alle oagerechtlgheld veroordeelde. Daardoor werd hq er zich vaa bewust, dat er aog Iets hoogers was daa zelfs la zija godea uitkwam. Aaa dit hoogere nu moest de triomf blijven, ea het was deze overlegging die zich in den dubbelen vorm inkleedde, eenerzijds dat een reiner god dan de gewone godea eens als Verlosser zich opeabarea zou, en anderzijds dat de besten vaa de edelstea onder de menschenkinderen tea slotte la het goddelijke zoudea overgaan. Zoo werd de scheldslija tusschen het goddelqke en menschelijke

ook hier overwonnen, edoch, gelgk het op heidensch standpunt niet anders kon, door de goden zelf schier geheel in het mensche-Igke te doen opgaan, en in dien zin de vergoddelijking van den mensch zich mogelijk te denken.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1911

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 april 1911

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken