Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Volhardende in het bidden”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Volhardende in het bidden”.

8 minuten leestijd

Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met zijne broederen. Hand. i : 14.

De tien dagen, die na Jezus' Hemelvaart verliepen, eer de uitstorting van den Heiligen Geest kwam, hadden voor Christus' Kerk op aarde een geheel eigenaardige beteekenis. Heel Christus' Kerk, niet alleen in het heilige land, maar over geheel de wereld, bestond uit niet meer dan 120 personenj een getal zoo klein, dat heel de Kerk van Christus in één Opperzaal saamkomen konde. Vermoedelijk verzamelde ze zich niet in de Opperzaal van een gewoon huis. Zoo groot waren de particuliere huizen niet, dat één enkel vertrek zulk een schare had kunnen bevatten. Het zal daarom wel een der zalen, die om den Tempel waren aangebouwd, geweest xijn. Maar het feit bleef dan toch, dat heel Christus Kerk in die ééne zaal geborgen kon worden.

Hiermee is niet gezegd, dat ei buiten deze 120 personen geen geloovigen waren, maar die anderen scholen in het verborgen, waren ver af, en kwamen niet uit. £n de groep van hen die na Jezus Hemelvaart openlijk als zijn discipelen en discipelinnen optraden, elkander zochten, en zich vereenigden om saam de toekomst af te wachten, was niet grooter dan dit kleine geUl. Daaronder waren mannen en vrouwen. Het staat er uitdrukkelijk bij: „Ze waren bijeen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus." Vanzelf vormden de elf apostelen de hoofdgroep. Bij hen zullen zich velen van de 70 discipelen hebben aangesloten. En voorts velen uit de Galileëers die met het Faaschfeest naar Jerusalem waren opgekomen, en te Jerusalem waren gebleven, uitziende naar wat komen zou. In de kleine zes weken na Jezus opstanding bleef hun Heer en Meester hierbij het mlddenpunt waarom ze zich gedurig vereenigden. Maar na de Hemelvaart, toen de scheidbg was ingetreden, viel ook dit middenpunt voor hen weg, en waren ze op elkander, en op elkander alleen, aangewezen. Ze wisten dat ze nog niet naar Galilea terug mochten, want de Heere had hun uitdrukkelijk last gegeven, om te Jerusalem te blijven, en niet uit Zion uit te gaan dan nadat de belofte van den Heiligen Geest aan hen sou vervuld zijn. Hoe lang dat duren zou, wisten ze niet. Met eiken dag hoopten en verwachtten ze natuurlijk, dat de vervulling komen zou. Hoogstens kon de gedachte aan het naderend Pinksterfeest hen zeker verband tusschen het oogstfeest der natuur en den oogst der Gemeente doen vermoeden. Maar in elk geval moet de geestelijke positie, waarin die 120 geloovigen te Jerusalem verkeerden, een geheel eigenaardig karakter hebben gedt& gen, en toch die kleine groep was feitelijk heel Christus Kerk op aarde, voor zooveel er van een georganiseerd kerkelijk leven sprake kon zijn.

Wat wordt ons nu omtrent hun geestelijken toestand in die tien dagen des wachtens bericht? Tweeërlei. In de eerste plaats, dat ze niet uit elkander gingen, maar bij elkaar bleven, en in de tweede plaats, dat ze volhardden in het bidden en smeeken. Dit behoeft niet zoo verstaan te worden, alsof ze van zonsopgang tot zonsondergang in de zaal bijeenzaten. Ze hadden natuurlijk hun afzonderlijke huizen waar ze thuis lagen, en het is zeer wel mogelijk, dat ze slechts op bepaalde uren in de Opperzaal bijeenkwamen, wast spijze vonden ze in de Opperzaal niet. Ma& r al vat men de opmerking, dat ze eendrachtelijk bijeen Neven, in dien meer zakelijken zin op, er ligt toch zeer stellig in, dat ze het grootste gedeelte van den dag bij elkaar waren en niet elk huns weegs gingen. Hierin sprak de drang der saamhoorigheid en de band der broederlijke liefde. De begeerte, het verlangen om bij en met elkaar te zijn, was een aandrift die van Hooger in hun hart werkte, en in hun saamverkeeren en saamblijven die tien dagen lang sprak het hooge zelfbesef van Christus Kerk zich uit. Ze hoorden bijeen. Ze waren van de wereld onderscheiden. En dit besef van samen onder Christus één lichaam te wezen, maakte het bijsenblijven voor hen tot een zielsbehoefte.

En in verband hiermede valle nu volle nadruk op wat Lukas bericht, dat ze volhardden in het bidden en smeeken. Ook dit wil natuurlijk niet zeggen, dat ze die tien dagen lang in een samenkomst, die toch wel tenminste zes uur per dag zal geduurd hebben, niets deden dan bidden. Veeleer is aan te nemen, dat zesamen hun heugenis van het leven van hun Heere en Meester deden opleven, en de dingen bespraken die te komen stonden. Maar dit blijft dan toch, dat het bidden en smeeken hoofdbezigheid voor hen was. Het mag niet zóó verstaan, alsof ze bijeenkwamen en hun samenkomst met een gebed inleidden en straks met een gebed besloten, zoodat ze, alles saamgenomen, een half uur in 't gebed waren, en al den overigen tijd samen spraken. Wie 't zóó verstaat, laat wat de Schrift ons bericht, niet tot zijn recht komen. Het staat er met nadruk: „Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeeken." Ze baden en smeekten niet maar even, neen, ze volhardden er in, ze gingen er in door, ze lieten er niet van af. Wat men wel van „bidstonden" gesproken heeft, was hier volle werkelijkheid. Jezus was van hen gescheiden, ze waren alleen overgebleven, maar toch moest de band der eenheid met den Heere voor hun zielsbesef gedurig trekken blijven. En daarom zochten ze Hem, nu hij van aangezicht tot aangezicht hun niet meer verscheen, in de zielsgemeenschap der gebeden. Zs sloten zich in hun bidden van de wereld af en ontsloten voor hun zielsbesef de onzienlijke wereld daarboven, en in die hoogere wereld vonden ze hun Heiland terug, en door hun bidden en smeeken hadden ze in die onzienlijke wereld met hun Heiland de rijkste gemeenschap.

In den gespannen toestand waarin ze verkeerden, was dit hun mogelijk. Ze hadden de wereld losgelaten, en leefden geheel in afwachting van het geestelijke dat komen zou. Heel de Kerk van Christus, in hun kleinen kring vertegenwoordigd, zag naar boven, naar het leven in de hemelen .op Daar was hun Heere en Meester heengegaan, en daarom trok Hij derwaarts hun aandacht, hun geloof in zijn liefde naar zich toe. In zoo geheel ongewone toestanden, toestanden die in dien vorm nooit weerkeerden, was een blijven, een volharden in gebed en ameeking die tien dagen, al die uren lang, mogelijk. Het was het volhardend bidden dat aard en hemel in één heiligen band samenhield.

Toch denke men wel in, hoe hoog het geestelijk leven daaiyoor moet gesUan hebben. Bij ons is zelfs het langste gebed toch nog altoos kort, zoo men het vergelijkt met een bidden en smeeken al die dagen. Wij kunnen ons zulk bidden en smeeken zelfs niet dan moeilijk voorstellen. Is er onder ons - een bidstond, dan wordt gezongen en gesproken anderhalf uur lang, en hoogstens saam een half uur gebeden. £n dan reeds vermaant men den voorganger om het gebed niet te zeer te rekken, daar veelal de geest des menschen tegen zoo langdurig bidden niet bestand is. Veelal is die wenk dan ook nuttig, want echt, oprecht met heel de ziel bidden, mat af, en al mogen de voorbidders dit kunnen uithouden, zij die meebidden, meestal niet.

Toch kenden ook onze vaderen vast-en bededagen, en zijn er ook nu nog meer dan eens geestelijke samenkomsten gehouden, waarin aan gebed behoefte bestond, waar men het gebed zocht, en waar het bidden saam weer hoofdzaak werd. Doch dan moet de ziel daarop voorbereid zijn. Ons bidden, inzoover het danken voor Gods gave en een vragen om Zijn goedertierenheid is, loopt spoedig af; maar heel iets andeis is het bidden en smeeken dat metterdaad bedoelt, voor zekeren tijd zich van deze wereld te vervreemden en in de hoogere wereld in te leven. En toch, dit juist is het bidden en smeeken, wat in zulke tijden van hoog geestelijk leven vanzelf opkomt. Kunstmatig kan men dit niet scheppen. Ook zulk bidden en smeeken wordt alleen uit geestelijken drang geboren. Als 't er dan is, en gij zijt er bij, dan steekt het ook u aan, en de volharding in het gebed houdt op raadselachtig te zijn.

Hoog staat het geestelijk leveA in onzen kring zeker niet, zoo dit volharden in het saambidden en saamsmeeken ons geheel vreemd is. Ook in het bidden zijn trappen. Het stamelen van het kindeke, het dagelijks danken en bidden van den gewonen bidder, en het zoeken van geestelijke gemeenschap zoo 't hart dorst naar de waterslroomen. Maar het hoogst staat het toch, als een ziel om niets meer vraagt, als ze rijk in de gebedsgemeenschap met haar Heiland is, en zoo ze ook nu nog even hartstochtelijk den Heiligen Geest inwacht, als dit het geval was bij die hondetdtwintig geloovigen in de Opperzaal te Jeruzalem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 mei 1911

De Heraut | 4 Pagina's

„Volhardende in het bidden”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 mei 1911

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken