Bekijk het origineel

Een-en-dertigste Jaarlijksche Samenkomst VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag GEHOUDEN te Zwolle op 5 en 6 Juli 1911.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een-en-dertigste Jaarlijksche Samenkomst VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag GEHOUDEN te Zwolle op 5 en 6 Juli 1911.

36 minuten leestijd

Donderdagmorgen waren in het gebouw van de Baiten-societeit te Zwolle te lo ure de vrienden en vriendinnen van de Vrije Universiteit bijeen. Niet zulk een groote schare als verleden jaar bijv. te Rotterdam; maar voor Zwolle vond men het een goede opkomst.

Te 10 uur ongeveer werd

DE JAARVERGADERING

geopend. De lejding was door heeren Directeuren opgedragen aan Mr. S. de Vries Czn., die zingen deed, Ps. 25: i. Daarna las de Voorzitter Job 37 en heette de aanweasigen welkom.

Mr. De Vries sprak ongeveer als volgt:

Zoudt ge meenen, dat wanneer een buitenlander hier binnenkwam, hij licht den aard uwer bijeenkomst zou onderkennen?

Politieke vergaderingen zijn hem niet vreemd, kerkelijke vergaderingen zijn hem niet onbekend. Ook wetenscbappelijke bijeenkomsten, ze worden in zijn land en onder ieder beschaafd volk gebonden, maar dan zijn het bijeenkomsten van wetenschappelijke mannen en vrouwen; maar een bijeenkomst als deze, waarop samenkomen de landbouwer, die vandaag de ploeg aan een ander overliet, dë koopman, die besloot vandaag de beurs niet te bezoeken, de bakker en de predikant, de professor en de kleine burger, liefst allen met hun vrouwen en dochters, allen om te beraadslagen over de Universiteit, die büa stichting is, over de Universiteit, die gefundeerd is op het Christelijk beginsel, dat ook hÜQ levensbeginsel is, — zulk een bijeenkomst is alleen op dit oogenbUk hier in Nederland denkbaar.

Dat lands-of stadsoverheid een Universiteit sticht, is iets zeer gewoons; dat de een of andere Amerikaansche geldvorst zijn millioenen beschikbaar stelt voor leerstoelen en laboratoria, dat is ook meer gezien, doch dat duizenden kleine luyden bun spaarpenningen hebben samengebracht om er een heusche Universiteit van te stichten en te onderhouden, dat is een in de geschiedenis ongekend feit.

Wat beweegt U om jaarlijks aan contributiën en collecten / 40, 000 op te brengen, wat è, 4 pCt. een kapitaal vertegenwoordigt van een millioen.

Bij kleine bedragen komt het bij elkaar, 't Zijn spaarpennÏDgen! Met liefde samengebracht. Uit enthousiasme voor een hoog ideaal 1 De man, die in 1880 uw Universiteit inwijdde, en dien Gij vereert als de Stichter er van, sprak er in zijn openingsrede van, dat het brengen van fioancieele offers karakters kweekt.

Maar wat dan toch beweegt u? Liefde tot de wetenschap? Werd ze veronachtzaamd? Zorgde de Oirerheid niet voor uitnemende opleiding van artsen, van juristen, van theologen? Woudt gij 't beter doen?

Nederland is en was niet achterlijk op wetenschappelijk gebied. Schatten van geleerdheid en kennis werden ook aan onze universiteiten gevonden.

£a toch, Gij eenvoudigen in den lande. Gij zelven meest niet van wetenschappelijke beteekenis, Gij hebt het in 't diepst uwer ziel gevoeld, dat onze Universiteiten niet gaven, wat Gij, wat uw volk noodig hadt. Onder aanvoering van den man, die vertolkte wat in U leefde, die wetenschappelijk voor niemand behoefde onder te doen, hebt Gij 't stoute ideaal nagestreefd, om een eigen, een Calvinistische Universiteit te hebben, vrij van overheidshanden, gebaseerd op het eeuwige en onveranderlijk beginsel, dat Calvijn uit de Heilige Schrift weer opdiepte: Alles ter eere Gods, alles onderworpen aan de Si^uvereiniteit Gods!

Daarin zit een levensbeschouwing! Daarin zit een majestueuze gedachte, die alle levensuitingen en levensvormen beheerscht enbeheerschen moet.

Alle: Godsdienst en Zedelijkheid, Wetenschap en Kunst, Staat en Maatschappij, Huisgezin en Onderwijs I

Dat is de grondgedachte van 't Calvinisme. Het is niet alleen een Kerkelijke richting, niet alleen een kerkelijk verschijnsel, dat Calvinisme 1

Spreker zet vervolgens uiteen, dat en waarom een Lathersche, een Doopsgezinde Universiteit niet, een Roomsche wel denkbaar is.

Hij wijst op den kleinen omvang, doch de groote beteekénis der Vrije Universiteit en laat in velband daarmede Fs. 68:8 zingen: at Bizans hemelhooge berg, enz.

Dan gaat hij voort:

Alles ter eere Godsl Alle onderwijs, heel het leven aan onze Hoogeschool; een hoog ideaal hebben zoowel hare leeraren als hare studenten na te streven. Niet de wetenschap bestudeeren en tegelijk ook Christen zijn; maar de wetenschap bestudeeren als gave Gods, bij bet licht van Zijn Woord, niets bedoelende dan na te vorschen, wat uit de eeuwige schatkameren der Goddelijke wijsheid den menschen is geopenbaard.

Wijd en breed is dan het arbeidsveld, dat voor ons ligt. Vergeleken bij 1880 rijn we reeds met reuzenschreden vooruitgegaan. Reeds 4 faculteiten, reeds 10 hoogleeraren in actieven dienst, reeds een 150 studenten. Maar toch bij lange na niet, wat het wezen moet en wezen kan.

Over de noodzakelijkheid der 5e faculteit, zal Prof. Woltjer Sr. U straks meer zeggen.

Hoogleeraren voor alle faculteiten zijn er in grooter aantal noodig. De theologische telt er slechts 4 in actieven dienst, de juridische slechts dtie, het minimum dat de wet eischt. Mocht, wat God verhoede, één dezer mannen ons ontnomen worden, dan werd het pas verkregen recht van den effactus civilis zelfs in gevaar gebracht. De litterarische heeft slechts twee hoogleeraren geheel en deelt twee andere met de theologische faculteit samen. De medische faculteit telt nog slechts één hoogleeraar !

In alle faculteiten moet uitbreiding komen. Behalve ons enthousiasme voor het heilig ideaal, hebben we geld en mannen noodig.

We hebben reden tot danki Ge hebt er reeds iets van gehoord, ten behoeve van het honorarium van nieuw aan te stellen hoogleeraren hebben we een belangrijke testamentaire beschikking gekregen. Ik mag er u straks iets meer van verteilen. Doch de kosten van de laboratoria, van kostbare gebouwen en leermiddelen moeten van u komen. Verdubbel dan uw bereidwilligheid in het geven. £n God doe ons de mannen vinden.

£r moeten meer studenten komen! Er kunnen er meer komen I £r studeeren er nog elders, die bij ons behooren. 't Is nog iets anders, Christelijke huisvaders, of uw zonen christelijk opgevoed zijn en nu wetenschap trachten te verzamelen, of dat ze de wetenschap hooren doceeren in het licht van Gods Woord.

Ik stel het op prijs als ook onze jongelui samenleven en samenspreken met de christelijke studenten der andere Universiteiten. Maar zullen die samensprekingen goed zijn, dan moet het «ffect wezen, dat onze jongelui de anderen naar onze Universiteit trekken, niet omgekeerd.

Niet christendom en wetenschap, als twee geordineerde machten, maar de wetenschap gesubordineerd aan het Christelijk geloot.

En even later:

Wijd en breed heeft zij hare vleugelen uit te slaan. Ze is niet alleen voor de Gereformeerden, ze is niet alleen voor Nederland — klinkt het niet te arrogant? — ze is voor heel de wereld. Jammer dat onze Nederlandsche taal door zoo weinigen wordt verstaan? Toch krijgt onze Hoogeschool reeds beteekenis voor Zuid-Afrika, voor Noord-Amerika, waar onze taal verstaan wordt. Meer beteekenis moet ze nog krijgen voor Nederlandsch Indië. De taal is hier geen beletsel.

En waar de taal wel beletsel is, daar moeten de werken onzer Hoogleeraren zód de aandacht trekken, dat ze vertaald hun invloed doen gevoelen. Reeds begint 'tl In 't Duitsch en in het Engeisch werden reeds meesterwerken onzer hoogleeraren overgebracht.

Wie spot daar met ons ideaal van wereldverovering? Hoor: Een der eerste eischen van de wetenschap is vrijheid. In volledige vrijheid moet zij baar vleugelen kunnen uitslaan. En gij. U noemende Vrije Universiteit, rijt nóch vrij en dies niet wetenschappelijk, nóch een Universiteit !

En dan zulke idealen !

Is 't geoorloofd een enkele bedenking te maken ? Laat onze bijvoeging „vrij" niet op een dwaalspoor brengen. Inderdaad, erkennen we, dat als de conclusies onzer rede botsen zouden met de van God geopenbaarde waarheid, dat dan de rede moet wijken en de autoriteit van Gods Woord voorgaat.

Maar daarop slaat ook niet het woord „vrij" in onzen naam. Daarin wil het niet meer zeggen, dan dat wij hebben onze eigen school, niet uitgaande van de 0< /erheid, gelijk wij hebben onze vrije lagere en middelbare scholen.

Maar indien Gij ons den naam van hoog wetenschappelijke instelling zoudt willen onthouden, dan toch een enkele vraag.

Inderdaad, wij gaan uit van en buigen voor de geopenbaarde waarheid. Wij gelooven, dat God zijn hemelsche schatkameren waarin de waarheid, de wetenschap volkomenlijk is, heeft geopend en onveranderlijke, eeuwige waarheid aan de menschen heeft geopenbaard. Die geopenbaarde waarheden zijn ons als de vaste hoeksteenen van het gebouw, dat het menschelijk denken verder heeft op te trekken; als de stukjes steen door God zelt gelegd in het mozaiek, dat de mensch verder heeft aan te vullen.

Maar waarop komt dan practisch onze mindere wetenschappelijkhdd, tengevolge van 't aannemen dier primordiale waarheden, neer tegenover U?

Is uw meening, dat de arbeid door onze theologische hoogleeraren gepresteerd wetenschappelijk ver achter staat bij die der echte vrije theologen ?

Kunnen onze juristen niet als de Uwe het Romeinsche, het Germaansche, ons eigen recht bestudeeren en doceeren?

Zijn onze literatoren in de studie van het Grieksch en Latijn, van de Geschiedenis en de nieuwe letteren minder dan de U< ve?

Zoudt ge meenen, dat het Calvinistisch geloof een beletsel is om het menschelijk lichaam te ontleden, om medicijn te vindeii voor den kranke, om ook het menschelijk zielelijden te bestudeeren ?

Is uw opinie, dat een Gereformeerde in het bestudeeren van de planten, van de chemische processen, ran de voorlbieagselen van het dtlfstcffenrijk, van electticiteit; per se achterstaat bij een ongeloovige?

Toch niet I Neen ik weet, dat Ge het niet zóó bedoelt I Maar waarop komt dan tenslotte uw bewering neer?

Toch eigenlijk hierop, dat in de groote vragen van het wereld-en levensprobleem Gij U de vrijheid wilt voorbehouden om te komen tot de conclusie, waartoe Gij wilt, waartoe Uw denken U eenmaal voeren zal. Eigenlijk centraliseert zich toch de groote tegenstelling tusschen U en ons in het antwoord op deze vraag: Vanwaar komt al wat er is, de mensch, de aarde en haar volheid, de hemel met zijn volheid, en wat zal eenmaal het einde zijn?

Is er een schepping geweest door een Almachtig God? Is het waar dat de hemel en de aarde zullen voorbijgaan en dat God eenmaal, als het tijdperk voor deze bedeeling zal zijn voleind, de vierschaar| van het wereldgericht ral spannen? Is het waar, dat de mensch geschapen is tot een eeuwig leven?

Op derze allesbeheerschende vragen haalt de ongeloovige de schouders op. Ds wetenschap is nog zoover niet. Alleen kan nu wel reeds met zekerheid worden aangenomen, dat het scheppingsverhaal fantasie is en dat langs den weg van evolutie alles is tot stand gekomen.

Inderdaad, wij zijn niet vrij. Die vrijheid wenschen we niet. Een wetenschap, die God wegredeneert, terwijl zij juist, als Schepping ook van Hem, Hem heeft te dienen en te eeren, is de onze niet. Maar ons vrijheidsbegrip is ook een ander. Naar onze meening is vrij, wat zich naar zijn aard ontwikkelen kan.

Indien dan Christus u vrijgemaakt heeft, zoo zult Gij waarlijk vrij zijn. Dat geldt ook voor de wetenschap. De wetenschap vrij van de kluisters van het ongeloof

Neen, in dien anderen zin zijn wij niet vrij. Als onomstootelijk staat ons credo: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde!

Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid.

Ik geloof in God den Zoon die wederkomen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.

Uit Hem en door Hem en tot Hem rijn alle dingen.

Na het uitspreken van deze zeer toegejuichte rede ging Mr. de Vries de vergadering voor in gebed.

Mededeeling werd gedaan van het bericht, dat de heeren Prof. Fabius, A. Brummelkamp, J. van Alphen en Mr. A. P. R. C. baron van der Borch van Verwolde verhinderd waren de vergaderitig bij te wonen om verschillende redenen.

Alsnu stelde Mr. de Vries voor de volgende telegrammen te verzenden:

Aan H. M. de Koningin.

Het zij der Vereeniging voor H. O. op Garef. Grondslag, te Zwolle in de Buiten-Sócieteit in jaarvergadering saamgekomen, ook dit jaar vergund, alvorens zij haar werkzaamheden aanvangt, Uwe Majesteit eerbiedige hulde te brengen en Haar en Haar Huis Gods zegen toe te bidden.

Minister Heemskerk, 's-Gravenhage.

De Vereeniging voor H. O. op Geref. grondslag, in jaarvergadering saamgekomen te Zwolle, in de Baitensocieteit, daokbaar in U den oud-curator der V. U. herdenkende, brengt U baar dankbaren groet en bidt U en Uwen mederaadslieden der Kroon Gods regen toe bij de volvoering van U«r gewichtige taak.

Aan Dr. A. Kuyper.

De Vereeniging voor H. O. op Geref. grondslag, te Zwolle in de Buitensocieteit in jaarvergadering bijeengekomen, brengt U als den stichter der V. U. haar dankbaren groet en bidt van God, dat Hij U nog lang spare ook voor de stichting waaraan Uw leven voor zoo belangrijk deel is gewijd geweest.

Tot het zenden van deze telegrammen werd onder groote geestdrift besloten.

Op deze telegrammen kwamen laat op den dag de volgende antwoorden in:

Van H. M. de Koningin:

H, M. de Koningin draagt mij op U allen Hoogstdertelver oprechten dank over te brengen voor hulde betooging ter gelegenheid Uwer jaarvergadering.

(w. g.) Van Geen.

Particulier secretaris der Koningin.

Van Minister Heemskerk:

Mijn hartelijken dank voor de zoo vriendelijke en goede zegenwenschen van Uwe vergadering. Gods zegen ruste op de Vrije Universiteit; rij groeie en bloeie.

(w. g.) Heemsketk.

Hierna deelde Mr. de Vries mede, dat hem was opgedragen melding te maken van dè vorstelijke beschikkmg, door wijlen Ds. van Coeverden Adriani ten behoeve van de Vrije Universiteit gemaakt. Hetgeen de spreker zou mededeelen was betrekkelijk weinig, doch zooveel als maar eenigszins kon worden gepubliceerd. En om elk denkbeeld van verwarring tegen te gaan, was besloten die artikelen van het Testament voor te lezen, die voor openbaarmaking bestemd waren. Wis wilde kon na de voorlezing nadere inlichtingen vragen; doch spreker waarschuwde vooruit, dat hij niet meer kon en niet meer mocht vertellen, dam in

het door hem TOOI te lezen deel van het Testament stond.

Daarna las Mr. de Vries het volgende, dat met levendige belangstelling door de vergadering werd aangehoord.

Art. I. „De Van Coeverden Adriani-Stichting is gevestigd te Amsterdam".

Art. t. „Zij bestaat uit en heeft tot rentegevend eigendom of kapitaalfonds mijne geheele nabitenschap, na aftrek van" enz.

„en onder de voorwaarden.... „/dat het bedrag, dat uit de jaarlijksche rente van het kapitaal en de jaarlijksche zuivere opbrengst van de landerijen overblijft, nadat eerst aan alle verplichtügen, uit dit testament voortvloeiend, is voldaan, wordt aangewend ten bate van het in Art. 3 nader aan te wijzen doel dezer stichting".

Art. 3. De Stichting heeft ten doel:

De bevordering van het Bijzonder Hoogeren Voorbereidend Hooger onderwijs in Christelijken geest, meer bepaald op Gereformeerden Grondslag in den zin als in Art, 2 van de Statuten van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag is uitgedrukt.

Dienovereenkomstig zullen dan ook de in Art. 2 sub f. hierboven nader aangeduide beschikbare gelden dezer Stichting, op nader aangegeven wijze worden aangewend ten nutte der Vrije Universiteit van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. gronddag, goedgekeurd bij Kon. Besl. van 12 Febr. 1879, Staatsblad van 26 Febr. 1879 en waarvan de Statuten gewijzigd en goedgekeurd zijn bij Kon. Besl. van 25 April 1903, gevestigd te Amsterdam, en zulks zoolang deze vereeniging en hare Universiteit getrouw blijft aan de beginselen neergelegd in Art. 2 harer Statuten en het onderwijs aan hare inrichting gegeven daarmede in overeenstemming is."

Art. 4. „Allereerst zal het Bestuur twee gelijke toelagen elk groot acht honderd galden 'sjaars geven aan twee doctoren, die hun doctorsgraad, voor welke faculteit ook, na verdediging van een proefschrift, met den eersten graad zuUen verkregen hebben aan de Vrije Universiteit, en wel uitsluitend ten einde hunne studiën verder voort te zetten, en zulks voor den tijd van hoogstens vijf achtereen volgende jaren.

Het Bestuur zal gehouden zijn alvorens het deze toelage verleent, daarover den Senaat der Vrije Universiteit te hooren en ze alleen dvn te verleenen zoo van genoemden Senaat het bericht inkomt, dat de doctoren, die de toelagen aanvragen of aan wie het Bestuur haar wenscht toe te kennen, uitstekende gaven en aanleg voor zelfstandige wetenschappelijke studie bezitten, en het aan het Bestuur op voldoende wijze is gebleken dat bedoelde doctoren dergelijken finandeelen steun noodig hebben.

Mocht onverhoopt aan den Senaat (of wie anders hier toezicht heeft te houden) blijken dat iemand, die de toelage geniet, zijn tijd en zijn krachten niet op ernstige wijze aan de hier bedoelde studiën wijdt, zoo zal zijne toelage worden ingetrokken. Zoolang bij ontstentenis van een geschikt doctor een toelage niet wordt uitbetaald, zal het Bestuur dat bedrag onder een afzonderlijk hoofd „het studiefonds" geheeten kapitaliseeren met de daarop vallende rente, om alzoo voor de toekomst door vergrooting van inkomsten de toelage te kunnen verhoogen of aan meerdere doctoren een toelage als boven is aangewezen, te kunnen verleenen.

Voorts zullen de overige beschikbare gelden zooveel mogelijk moeten worden aangewend tot uitbreiding van (het getal der faculteiten tot vijf.

Terwijl hierbij de wensch wordt uitgesproken dat in de Medische faculteit ook gelegenheid gegeven worde voor het onderwijs in de Homoeopathische geneeswijze, waarvoor door deze Stichting steun zou kunnen worden verleend.

De theologische faculteit ontvangt geen steun uit de gelden dezer Stichting.

Zij blijve voor rekening der Kerken, met welke zij nu in zoo nauw mogelijk verband is getreden."

Art. 15. „Mocht, wat God genadig verhoede, de Vrije Universiteit van de Ver. voor Hooger Onderwijs op Ger. grondslag van dezen haren grondslag afwijken, dan zal deze Vereeniging ook niet meer in het Bestuur dezer Stichting worden vertegenwoordigd, en zullen andere onderwijsinrichtingen op Ger. grondslag, hetzij voor Hooger-hetzij voor voorbereidend Hooger Onderwijs moeten worden gesteund of met behulp van deze Stichting worden opgericht en onderhouden. In dit geval zullen ook de toelagen voor Doctoren van de Vrije Universiteit vervallen, en aan doctoren van andere Hoogescholen worden gegeven met inachtneming van de bepalingen in art. 4 en zooveel mogelijk ook van dit art. 15."

. . . Eindelijk geef ik als mijn uitdrukkelijk verlangen te kennen, dat zoo min mogelijk publiciteit worde gegeven aan den inhoud van deze mijn uiterste wilsbeschikking."

Mr. de Vries merkte nog op, dat door deze vorstelijke beschikking gezorgd is voor een deel van de uitbreiding der Vrije Universiteit. Voor de nieuwe Professoren, die nog benoemd moeten worden, zijn de gelden nu wel aanwezig; geve God dat we na de mannen mogen vinden, die de gewenschte plaatsen zullen kunnen innemen.

De steun, die de Van |Coeverden Adriani-Stichting aan de Universiteit biedt, stemt tot groote dankbaarheid, ook hierom, wijl hij den voortdurenden en steeds toenemenden arbeid van leden en begunstigers niet overbodig maakt, De bijdragen sullen in de toekomst zeker niet minder moeten vloeien dan in het verleden, want de gewenschte uitbreiding zal allerlei kosten met zich brengen voor laboratoria, gebouwen enz. Het blijft dus noodzakelijk, dat we al onze krachten inspannen voor den bloei onzer Hoogeschool, teneinde haar steeds een eervolle pbiats te doen innemen.

Spreker stelde voor aan heeren Directeuren te verzoeken den dank der vergadering over te brengen aan Mevrouw de Wed. Van Coeverden — Adrian i, die volkomen in stemde met deze vorstelijke beschikking van haar Echtgenoot. Dit besluit werd door de ver gadering zonder stemming genomen.

Mr. de Vries schonk nu gelegenheid om nadere inlichtingen te vragen, en deelde nog mee, dat hij niets kon zeggen van de hoegroot heid der vastgestelde som, daar de inventarisatie voorloopig nog niet ten einde is gebracht.

Niemand maakte van de gelegenheid om inlichtingen te vragen gebruik, zoodat de hoogst belangrijke mededeeling voor kennisgeving werd laagenomen.

Thans bad de voorlezing plaats der presentie­ lijst en het onderzoek der geloofsbrieven van de afgevaardigden van corporation; daarna werden de notulen der vorige jaarvergadering vastgesteld.

Het jaarverslag over 1910 kwam in bespreking, doch lokte geen enkele opmerking uit, zoodat het werd goedgekeurd zonder discussie.

Ingekomen was het schriftelijk rapport van de commissie van toezicht op het geldelijk beheer over de rekening van r9io. De rekening werd goedgekeurd; den penningmeester werd dank gebracht voor zijn gehouden beheer.

Thans werden de stembiljetten uitgereikt voor de benoemingen. Er moest een bestuurslid worden gekozen in de plaats van den heer Tyo H. V. Eeghen, die af moest treden en niet herkiesbaar was. Het Bestuur had een voordracht aan de vergadering aangeboden, bestaande uit de heeren H. Bos Kzn. te Rotterdam en L. G. Weisz te Amsterdam. Voorts moest er voorzien worden in de vacature, ontstaan door de periodieke aftreding van den heer J. Balhuizen als lid van de commissie van toezicht op het geldelijk beheer. De aftredende was niet herkiesbaar.

De Voorzitter vraagt, of men ook namen wenscht te noemen van leden, die men in deze vacature zou wenschen te zien optreden.

Prof. Dr. F. L. Rutgers noemt den naam van den heer W. H. van Schaick te Amsterdam.

Andere namen werden niet genoemd.

Thans werd het woord gegeven aan den heer Prof. Mr. P. A. Diepenhorst, die op zich had genomen een onderwerp voor de Jaarvergadering te behandelen.

Door den spreker was als onderwerp zijner inleiding gekozen: „Universiteit en Maatschappij". Eerst behandelde hij de vraag of in de historie verschijnselen zijn te ontdekken, die de jaistheid staven van de klacht, dat de universiteiten zich zelve meermalen buiten het maatschappelijk leven plaatsten en in koude onaandoenlijkheid zich daatboven stelden. In het tweede deel zijner rede stelde Prof. Diepenhorst zich ten doel te onderzoeken in hoeverre van de Vrije Universiteit mag verwacht, dat zij ten deze aan hare roeping beantwoorde.

Wat het eerste punt aangaat, toonde de spreker met een beroep op onderscheidene historische gegevens aan, hoe telkens weer in ruimen kring de zeden en opvattingen van hen, die aan de Universiteiten waren verbonden, botsten met den gewonen gang van het maatschappelijk leven. Universiteit en Maatschappij stonden menigmaal zoo al niet vijandig dan toch vervreemd en liefdeloos tegenover elkander. Zoo kon geen sprake zijn van een waarachtig pogen aan de hoogescholen om in de sociale worsteling met hare vele benauwende vraagstukken uitkomst te brengen.

Nog eene omstandigheid dreef tot die werkeloosheid en dat lijdelijk toezien. Toendevolkshuishoudkunde zich ontwikkelde tot een aparte Wetenschap, die ook onder de Universiteitsvakken werd opgenomen, geraakte zij aanstonds onder verderfelijken deistischen invloed. Droomend van een harmonieuse orde, die zich bij ongebreidelde werking van 's menschen eigenbelang zou openbaren, werd het laat-maarwaaien-stelsel niet slechts voor den Wetgever maar voor elk hervormer tot hoogste wijsheid verheven.

Aldus ging van de Universiteit geen wezenlijke kracht uit op den gang der maatschappelijke ontwikkeling. Spreker deed zien hoe protest daartegen niet achterwege kon blijven en met name aan de christen-socialisten in Eogelend en aan Arnold Toyubee komt de eer toe — hoezeer ook hunne leerstellingen moeten worden afgekeurd — dat zij de Universiteit aan hare sociale roeping hebben herinnerd. In menigen kring hebben zij den band tusschen Universiteit en volksleven nauwer aangehaald.

Zal de Universiteit hare roeping naar behooren vervullen, dan is die nauwe band met het volksleven van zoo hooge beteekenis^ En in dit opzicht — aldus ontwikkelt de spreker zijn tweede gedachte — mogen van de Vrije Universiteit verwachtingen worden gekoesterd als van geene andere. Zij wortelt in ons eigen volksbestaan. Zij is een nationale, een sociale Universiteit. Op drieërlei voordeel, daarin beslo ten, vestigde Prof. Diepenhorst ten slotte de aandacht.

In de eerste plaats moet dit ten goede komen aan de taak der Universiteit: ontwikkeling, verbreiding en hoogeren opbloei der wetenschap. Uit het leven opgekomen, mag die wetenschap ook bij haar verdere ontwikkeling de aanraking met dat leven niet missen, wijl ze anders ontaardt in boekengeleerdheid en scholastische bespiegelingen.

In de tweede plaats moet die band met het volksleven, welke bij de Vrije Universiteit is te ontwaren, zegenenden invloed uitoefenen op de andere taak der Universiteit: het opleiden tot ambten en beroepen, waarvoor een wetenschappelijke vorming vcreischt is. De Universiteit kan aan deze roeping niet beantwoorden indien ze boven het maatschappelijk leven zweeft, het leven niet kent en zoo allen aandrang mist om bij haar leerlingen warme belangstelling in de sociale worsteling wakker te roepen.

En in de derde plaats zal het contact met het maatschappelijk leven ten goede komen aan het innig meeleven van hen, die aan de Vrije Universiteit zijn verbonden met 't geen in die maatschappij gist en woelt. Uit den maatschappelijken nood geboren, wortelend midden in het maatschappelijk leven, moet het de V. U. een eereschuld zijn om voor de verheffing en redding van dat leven te ijveren. Spreker deed zien, boe de V. U. in de wetenschappelijke beoefening der stoffelijk-maatschappelijke problemen door gebrek aan krachten nog veelszins te kort schoot, zoodat zelfs het doctoraat in de Staatswetenschappen niet kon worden verleend.

Tenslotte deed hij zien, hoe van eene wetenschappelijke beoefening dezer problemen naar christelijk beginsel rijke vracht mag worden verwacht en hij eindigde zijn rede met te betuigen, dat de V. U. aan haar luisterrijken oorsprong niet beter getrouw kan blijven dan door boven de verwarde geluiden welke van het maatschappelijk strijdgewoel tot haar komen, met het woord, maar bovenal met de daad de belijdenis af te leggen: „Zonder mij, den Christus Gods, kont gij, maatschappelijke hervormsr, ook op het sociale erf niets doen. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven".

De rede wordt toegejuicht.

Mr. de Vries brengt Prof. Diepenhorst dank voor het door hem gesprokene, en deelt nu meê, dat er voor de bestuursverkiezing 53 stemmen zijn uitgebracht, waarvan de heer H. Bos Kzn. er 40 op zich vereenigde en de heer L. G. Weisz 13, zoodat de heer H. Bos Kzn. gekozen is.

De Voorzitter vraagt of de heer Bos bereid is deze benoeming te aanvaarden.

De heer Boi zegt dankbaar te z^n voor bet vertrouwen, dat de vergadering In hem heeft gesteld. Hoewel man van drukke zaken zal hij de benoeming niet afwijzen, maar aanvaardt hij haar.

Mr. de Vries wenscht den heer Bos met zijn benoeming geluk, en verzoekt hem plaats te willen nemen aan de bestuurstafel.

Voorts wordt meegedeeld, dat de heer W. H. van Schaick is gekozen tot lid der commissie van toezicht op het geldelijk beheer. Op hem zijn 40 van de 53 stemmen uitgebracht. De overige stemmen waren verdeeld. De heer Van Schaick was niet op de vergadering aanwezig, zoodat hem van zijn benoeming kennis zal worden gegeven.

De bepaling der plaats waar de volgende algemeene vergadering zal worden gehouden, werd op voorstel des voorzitters overgelaten aan H. H. Directeuren.

Thans was de „omvraag" aan de orde. De voorzitter vraagt of iemand ook nog iets voor deze vergadering heeft.

Prof. Honig van Kampen vraagt of het geoorloofd is eenige opmerkingen te maken naar aanleiding van het door Prof. Diepenhorst gesprokene.

De Voorzitter antwoordt, dat hij daarvoor de gelegenheid niet kan geven. Het gesprokene door den hoogleeraar was meer te beschouwen als een opwekkend woord, waarover bezwaarlijk debat kan worden gevoerd.

Het antwoord van den Voorzitter doet Prof. Honig leed. Hij heeft eenige bedenkingen tegen de rede van Prof Diepenhorst; is 't da^r niet mee eens....

De Voorzitter valt hier Prof. Honig in de rede. Hij kan naar aanleiding van het besproken betoog geen debat toestaan en mag dus ook niet toelaten, dat Prof. Honig zijn meening zegt. Deze zal dat inzien. Sprak hij zich uit, dan zou hij allicht in botsing komen met de vergadering, die teekenen van instem ming met de rede gaf. En voor debat over de rede is nu geen gelegenheid.

Prof. Honig betreurt het, dat hij zijn bedenkingen niet mag opperen; hij gelooft ook niet, dat de vergadering het niet met hem eens zou zijn, doch hij onderwerpt zich aan de beslissing van den Voorzitter en ziet dus van 't woord af.

De Voorzitter vraagt nu of iemand nog iets voor de vergadering heeft. Niemand meldt zich aan.

Daarna wordt de jaarvergadering, na Psalm' gezang, door Prof. Dr. H. Bavinck met dankgebed gesloten.

DE MEETING.

Het was warm geweest in de toch zoo ruime on gerieflijke vergaderzaal; geen wonder dat men, na het eindigen der vergadering, den lommerrijken tuin van de Boiten-Societeit introk en daar wat koelte en verkwikking zocht.

Doch wie meenen mocht dat onze Calvinisten het prettige zitje in den tuin zouden verkiezen boven het bijwonen van de meeting, vergist zich. Toen te twee uur ongeveer. Mr. de Vries, die ook de meeting zou presideeren, zich op zijn plaats bevond, evenals Prof. Woltjer, die het woord zou voeren, stroomden de aanwezigen de zaal binnen, en zetten zich tot luisteren.

Prof. WoUjer begon zijn redevoering met de opmerking, dat er met betrekking tot de Wis-en Natuurkundige faculteit sprake is van een vraagstuk; gegeven is, dat de V. U. volgens art. 2 van haar reglement is aangelegd op 5 faculteiten en dat de wet verplicht vier faculteiten te bezetten 25 jaar en vijf faculteiten 50 jaar na de aanwijzing der V. U. als gelijkgerechtigde met de openbare. Men meene echter niet, dat de Vereeniging dus nog 45 jaren den tijd beeft met de oprichting der Wis-en Natuurkundige faculteit; de faculteit der geneeskunde toch kan haar leerlingen niet tot een candidaatsexamen brengen voor ze een propaedeutisch examen voor de faculteit der Wis-en Natuurkunde hebben afgelegd. De weg, die nog zou openblijven, dat nl. de leerlingen eerst aan een openbare Universiteit gingen stadeeren, is voor ieder, die iets voor een Vrije Universiteit voelt, eigenlijk onbegaanbaar. Gegeven is dus, dat reeds over 20 jaren een faculteit der Wis-en Natuurkunde en een der Geneeskunde moeten bestaan. De vraag is derhalve: hoe kan de vereeniging aan dien eisch voldoen? Bij de beantwoording der gestelde vraag wil spreker eerst de materieele, daarna de principieele zijde toelichten.

Voor de oprichting der Wis-en Nat. faculteit zijn zeker niet minder dan vijf hoogleeraren tegelijk noodig; één boogleeraar in de wiskunde, één in de natuurkunde, één in de scheikunde, één in de dierkunde en één in de plantkunde. Zoo men als minimum 5 aanneemt, zal de V, U. wat dit punt betreft ongeveer in den toestand veikeeren, die voor de rijksuniversiteiten in het midden der vorige eeuw bestond. Wat de kosten van laboratoria enz. betreft: het is moeielijk hieromtrent een juiste schatting te maken. Wel staan in Minerva, Jahrbuch der gelebrten Welt de uitgaven voor verschillende universeiten vermeld, zoo bv. voor 1909—1910 te Leiden / 45.000, te Amsterdam / 68.000, te Groningen / 31.000. Men kan echter uit deze opgaven niet besluiten tot de volledige kosten dezer laboratoria, zooals blijkt uit de Staatsbegrooting over hetzelfde jaar. Zoo stond daar voor Leiden alleen reeds voor conservatoren, adsistenten, amanuenses, machinisten, enz. aan de instituten en laboratoria voor natuur-, schei-, plant-en dierkunde eene som van ruim / 60.000 uitgetrokken. Door de bijzon dere positie die het inneemt kan Leiden echter niet als eenige maatstaf dienen. Voor Gronin gen was voor personeel / 2r.ooo uitgetrokken. Moet eene faculteit voor de Wis-en Natuurkunde aan de V. U. naar denzelfden maatstaf zijn ingericht? Spreker zou deze vraag niet in bevestigenden zin durven be antwoorden. De kosten van de Wis-en Nat. faculteit zijn in de laatste 30 jaren hoog gestegen. Nu kan men weliswaar toegeven, dat aan de V. U., een pas opkomende particuliere inrichting, niet dezelfde eischen te stellen zijn als aan een eeuwenlang bestaande Staatshoogeschool, toch moet het begin, hoewel bescheiden, voldoende wezen. De kosten voor zulk een begin zijn echter niet aan te geven uit de Staatsbegrooting. Ziet men echter af van de openbare universiteiten en let men alleen op het beslist soodige, dan zal men op een jaarlijksche bruto uitgave van de Wis-en Nat. faculteit van /40.000 moeten rekenen, waarvan waarschijnlijk niet meer dan /4000 kan afgetrokken voor ontvangen collegegelden. Het is natuurlijk een zware taak voor een particuliere vereeniging jaarlijks zulke sommen op te brengen, doch is er het geloof dat de faculteit er moet zijn, dan zal zij ook komen. Testamentaire bepalingen en schenkingen kunnen grooten steun verleenen. Met dankbaarheid mag Spr vermelden, dat een zeer belangrijke bron van inkomsten op deze wijze voor de V. U. itaat geopend te worden. Zoo grootscheeps als Amerikaansche universiteiten hoeft de V. U. niet uitgerust te zijn. Spreker zou ook voor haar de bede willen uitspreken: „armoede of rijkdom geef haar niet, voed haar met het brood van haar bescheiden deel". Zelfs zou het niet wenschelijk zijn, indien de V. U. geheel uit eigen middelen kon bestaan; zij moet voeling en verband houden met allen, die van de uitwerking en toepassing der Gereformeerde beginselen heil verwachten ook voor de wetenschap in theorie en praktijk. En eindelijk zou het niet meer dan billijk zijn, dat ook de Staat in de kosten bijdroeg. Men hoort wel eens verluiden dat de V. U. reeds f 100.000 uit de Staatskas trekt. Dit is echter geheel onjuist. Een tegemoetkoming in de kosten wordt slechts verleend voor de voortiening in ondetwijslokalen; deze mag echter niet meer dan/100.000 in 25 jaar bedragen. Zooals uit het jaarverslag blijkt ontvangt de Vereeniging slechts /4000 per jaar. Spreker zou het een ergerlijke onbillijkheid achten, indien bij zulke dure faculteiten als die der Geneeskunde en der Wis-en Nat. geen tegemoetkoming in de kosten te verwachten was. De V. U. is een serieuze instelling, niet maar voor de leus in het leven geroepen. Is er geen voldoende grond voor steun van Staatswege?

Nog een enkel punt verdient overweging: zou het niet mogelijk zijn met de stedelijke Regeering een contract te sluiten voor gebruik van gebouwen en hulpmiddelen? of indien dat niet ging, zou dan niet het Rijk laboratoria kunnen verschaffen, waarvan door Stedelijke èn Vrije Universiteit gebruik zou kannen gemaakt worden? Zulk een schikking zal echter niet te vinden zijn en kwam zij tot stand niet aan de verwachtingen voldoen. Gemeenschappelijk gebruik van physisch en chemisch laboratorium is vrijwel ondenkbaar, wegens het groote aantal studenten aan de Stedel. Univ. en het toezicht op gebouwen en intrumenten.

Al deze dingen zijn echter slechts doode middelen; zonder levende krachten baten ze niets. Mannen zijn noodig, geschikt en geneigd op den grondslag der Geref. beginselen hun onderwijs en hun wetenschap te bouwen. Zal men die vinden? Of uit het buitenland moeten er komen, wat echter groote bezwaren heeft, of van de openbare Universiteit; daar echter niet gevormd in de richting die de V. U. wil inslaan. Wat die richting op het gebied der Wis-en Natautkunde, volgens zijn meening eischt, wil spreker thans uiteenzetten.

Vooraf een woord over wat men de prealabele qaaestie zou kunnen noemen.

Is het geoorloofd bij wetenschappelijk onderzoek en onderwijs van bepaalde algemeene beginselen uit te gaan? Bij de beantwoording deser vraag boude men in het oog in de eerste plaats, dat het menschelijk geslacht en dus ook de wetenschap een geschiedenis heeft doorloopen en in de tweede plaats dat de ziel des menschen in haar wezen, haar werken en haar behoeften dezelfde blijft.

De eerste geslachten des menschen trachtten tot kennis te komen, niet door nauwkeurige ontleding van het waargenomene als verschijnselen, maar door intuïtief het wezen der dingen te vatten; zij verlangden te kennen den oorsprong en het ontstaan der wereld. Nauwkeurige waarneming en ontleding der dingen onderstellen voorafgaande denkbeelden, voorstellingen, overwegingen, welke leiden tot het stellen van vragen, waarop men een antwoord verlangt. Het algemeene fgaat vooraf aan het bijsondere; tusschen beide bestaat echter een wederkeerige werking. De geschiedenis dezer wederkeerige werking is de geschiedenis der natuurwetenschappen zelf. Door het uitdenken van werktuigen en instrumenten worden de waarnemingen verfijnd en moeilijkheden, voortvloeiend uit de groote samengesteldheid der verschijnselen, overwonnen. De groote onderzoekers, aan welke de ontwikkeling der natuurwetenschap in de eerste plaats te danken is, zijn bij hun arbeid steeds met meer of minder bewustheid geleid door algemeene fundamen teele beginselen, als stelregels, die richting en leiding gaven. Als voorbeelden neemt spreker het beginsel der mechanische causaliteit en dat der teleologische verklaring. Volgens het eerst genoemde beginsel moet alles wat geschiedt verklaard worden uit de beweging, stoot en druk van kleine stoffelijke deeltjes, welke beweging geschiedt naar vaste onveranderlijke wetten. Hier tegenover staat de teleologische beschouwing der natuur, die wat plaats vindt opvat als feiten, die geschieden ter bereiking van te voren gestelde doeleinden. De teleologische beschouwing erkent wel een causaal verband, maar stelt dit afhankelijk van het te bereiken einddoel, de mechanische beschouwing ontkent van meet af aan de werking van doeleinden ia de opeen volgende verschijnselen in het leven der natuur. Op de juistheid of onjuistheid van deze beginselen gaat spreker thans niet in, daar slechts aan te toonen was, dat inderdaad wetenschap kan rusten op en wetenschappelijk onderzoek geleid worden door algemeene beginselen, die geen resultaat van dat onderzoek zijn.

De hoogleeraar, die optreedt in een faculteit der Wis-en Natuurkunde, bezit natuurlijkeene overtuiging aangaande de heuristische ptincipia zijner wetenschap. Wie niet met opzet aan de oppervlakte van het gebied der wetenschap blijven wil, kan niet nalaten haar verband met de groote problemen des levens na te gaan. De menschenziel zoekt altijd weer antwoord op vragen, wier beantwoording reeds zoo dikwijls te leur gesteld heeft. Het eerste begin en het diepste wezen zijn onnaspeurlijk voor de wetenschap; maar wie in stille aandacht luistert naar hetgeen de dingen in de natuur tot hem spreken, die hoort naar het schoone woord van Augustinus hen allen zeggen: „niet wij zelven hebben ons gemaakt, maar Hij heeft ons gemaakt, die blijft tot in eeuwigheid". Uit naam der wetenschap aan deze stem het zwijgen op leggen, kan en mag men niet, al is misschien het luisteren er naar niet de zaak der wetenschap in het afgetrokkene. Kan het dus niet in naam der wetenschap worden gewraakt, wanneer een inrichting van hooger onderwijs zich stelt op den grondslag van bepaalde alge meene beginselen, thans wenscht spreker na te gaan welke Gereformeerde beginselen bij het onderwijs in de nat. fac. aan de V. U. op den voorgrond treden.

In de eerste plaats dan het beginsel uitgesproken in: „In den beginne schiep God den hemel en de aarde". Een tweede beginsel houdt in, dat alle dingen door Gods wil zóó geschapen zijn, dat zij een geordend geheel vormen. Als derde beginsel noemt Spreker de onderhouding en regeering door den Schepper. Een vierde beginsel houdt in de mogelijkheid van ware kennis. Het gebied door deze beginselen beheerscht, is zeer groot; de tegenstellmgen, het verband met tal van theorieën treedt scherp aan het licht. Op enkele dingen wil Spreker slechts wijzen. Uit het eerste beginsel volgt, dat stof en geest zich niet absoluut dualistisch verhouden. Geest en stof beide hebben hun grond in God, die alleen geest is. Hiermede is echter het onderzoek naar de verhouding van stof en geest geenszins overbodig gemaakt; hoe zij op elkander werken is tot nog toe een raadsel; de theorie van het parallelisme geeft geen verklaring, het materialisme nog minder. De Caristelijke belijdenis is monistisch, echter niet in den zin, die door velen aan dit woord gehecht wordt.

Het tweede beginsel houdt in dat de natuur door den wil van het zelfbewuste, persoonlijke. Goddelijke wezen is voortgebracht en aan grenzen, orde en wet is gebonden. De eenheid en iiarmonie in de wereld is het werk Gods in de schepping; Hij onderhoudt de natuur. De orde in de natuur is niet, zooals Spinoza beweert, zelf de voorzienigheid Gods; zij is zijn werk, van het begin af en bij voortduring. God kan steeds al de krachten en werkingen van de natuur leiden naar Zijnen wil. Dit is de inhoud van het derde beginsel, dat tegen monisme, pantheïsme, deisme en dergelijke bespiegelingen ingaat.

Het vierde beginsel houdt in de mogelijkheid van werkelijke kennis van de natuur, doch binnen grenzen. Onze kennis blijft menschelijk; maar al blijft de wetenschap afhankelijk van het algemeen menschelijk kenvermogen, toch is voor hem, die gelooft, dat God den mensch geschapen en hem bet kenvermogen gegeven heeft, dit een waarborg dat de kennis geen misleidende schijn kan wezen; een waarborg versterkt door den drang tot kennis, die in den mensch woont, en hem het verwerven van wetenschap ah een genot doet smaken.

Spreker verwacht echter de vraag; hooren die beginselen niet eigenlijk tot phüosophisch en theologisch gebied? Wie hooger onderwijs geeft in eenig deel der natuurwetenschap, behoort zich volgens sprekers meening, er rekenschap van te geven, wat hij onder wetenschap en onder natuur verstaat; en dadelijk komt men op het terrein der logica en der philosophie. Men kan zich weliswaar beperken tot „positieve" wetenschap, maar die beperking is min of meer willekeurig en voldoet niet. Achter de pbysica biijve de metaphysica.

Tenslotte wil spreker trachten nog enkele bezwaren te ondervangen. Ia de eerste plaats dit, dat de vooropgezette beginselen het diep genoeg doordringen in het wezen der zaak zullen in den weg staan. Dit bezwaar is niet ongegrond; toch ligt het niet in de beginselen zelf, maar in een onjuiste opvatting daarvan en in een traagheid van den geest; het woord beginsel zelf duidt reeds aan, dat er uitwerking en toepassing bijhoort.

Men mag verwachten, dat zij nauwgezette studie bevorderen, daar zij niet alleen intellectueele en practische, maar bovenal ook zedelijke waarde aan de wetenschap verleenen. Dat het theïstisch standpunt geenszins het onderzoek der natuur belemmert, blijkt wel uit het feit, dat zooveel geleerden van naam als Caucby, Ealer, Gauss, Faraday, Lyell, Romanus, Bakhuis Rooteboom, Lord Keivin, er zich op plaatsten.

De eenheid en richting gegeven door de beginselen: dat is de idee van de V. U. Laten we er naar streven, dat ook op het gebied der wis-en natuurkunde onderwijs gegeven worde naar eisch van de door ons beleden beginselen. Men meene echter niet, dat, dat de V. U. in staat is een zoo helder licht te doen schijnen op heel het terrein van het publieke Christelijk leven, dat men een principieele scheiding ziet tusschen rechts en links, beide in theorie en practijk. Wie dat verlangt overschat op intellectualistische wijze de macht en den invloed vran studie en wetenschap. Wel zal de V, U. zaaien en planten, doch de wasdom komt van God.

De redevoering van Prof. Woltjer werd warm toegejuicht. Mr. de Vries vroeg of iemand het woord verlangde, hij ware dan tegenstander of medestander, maar ook nu deed zich het verschijnsel voor, dat reeds vele jaren wordt waargenomen: de tegenstanders blijven weg, of, als tt er zijn, vragen ze het woord niet.

Nadat Mr. de Vries nog een en andermaal eventueele debaters had uitgenoodigd, doch niemand zich aanmeldde, bracht hij een woord van harteiijken dank aan Prof. Dr. Woltjer voor diens doorwrocht en zoo moedgevend betoog, dat perspectief opende en in een toekomst deed zien, waarin de Vrije Universiteit haar vleugelen al breeder zou uitslaan tot zegen niet alleen van het Nederlandscbe volk, maar ook van velen tot ver buiten de grenzen van ons vaderland.

Onder dankzegging aan leden en begunstigers voor hun betoonde belangstelling, sloot Mr. de Vries daarop de 3 ie Jaarlijksche Samenkomst van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag.

Na den afloop van jaarvergadering en meeting vereenigden zich omtrent 100 personen aan een gemeenschappelijken disch. De tafel werd geleid door den voorzitter van de beide samenkomsten. Van dien disch nog een enkel woord, hoewel er heel veel over ware te schrijven, want niet minder dan tien toasten werden uitgesproken. Melding behoort te worden gemaakt van den eersten heildronk, gewijd aan H. M. de Koningin en het Koninklijk Huis. In enthousiaste bewoordingen huldigde de voorzitter H.M, , en wenschte Haar den zegen Gods toe. Deze heildronk werd gevolgd door het staande zingen van het „Wilhelmus".

Vervolgens werden de gebruikelijke heildronken gebracht aan Directeuren, Curatoren, Professoren enz. De verleiding is groot om melding te maken van het door P ro f. R u t g e r s gesprokene, die — wel voor de eerste maal — op de jaarvergadering zelve het woord niet voerde — doch we verbreken de intimiteit van een broederlijken disch niet. Hartelijk werden alle toespraken toegejuicht; en ware niet voor velen het uur van bet vertrek geslagen, men zou de tafel nog wel wat langer hebben willen rekken.

Daarmee is van de 31e jaarlijksche samenkomst onzer Vereeniging weer verslag gegeven. Die het voorrecht hadden de vergadering bij te wonen, zullen zich hebben verblijd, wijl er van een hoopvolle toekomst kon worden gesproken, waarin veel arbeids onze zoo rijk gezegende hoogeschool wacht. Zeker, het bleek uit de rede van Prof. Woltjer duidelijk, er zijn groote moeilijkheden te overwinnen; doch juist dat sterkt tot den strijd; en in den strijd van nu meer dan dertig jaren die achter ons ligt, bleef de victorie onder Gods gunste aan de belijders van zijn Naam; trouw aan die belijdenis gaan we voort, wacatende den zegen alleen van Hem, Die ons reeds tot zoo groote dingen in staat stelde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juli 1911

De Heraut | 4 Pagina's

Een-en-dertigste Jaarlijksche Samenkomst VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag GEHOUDEN te Zwolle op 5 en 6 Juli 1911.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juli 1911

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken