Bekijk het origineel

Onze liturgie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze liturgie.

9 minuten leestijd

XIV.

Het gezag van de Apostolische traditie, waarop èn de Grieksche èa de Roomsche Kerk zich voor haar liturgie beroepen, is dus volkomen terecht door het Protestantisme verworpen.

Een liturgie, die door Christus en de Apostelen voor de Kerk is ingesteld en waaraan de Kerk aller eeuwen zou gehouden zijn, is er niet.

Voorzbover de Apostelen zelf in hun zendbrieven enkele voorschriften voor den uitwendigen eeredienst geven, zooals met name de Apostel Paulus dit doet in den eersten zendbrief aan de gemeente van Corinthe, stemt ieder toe, dat deze voorschriften in dien vorm een tijdelijk karakter hebben gedragen, in verband stonden met volkszeden uit dien tijd en dus allerminst bedoeld zijn om letterlgk door alle Kerken te worden opgevolgd. Wanneer deze voorschriften toch in de Heilige Schrift zijn opgenomen en dus deel uitmaken van Gods Woord, dat voor de Kerk aller eeuwen bestemd is, dan is dit geschied, omdat aan deze voorschriften beginselen ten grondslag lagen, die losgemaakt uit dien tijdelijken vorm, wel degelijk beteekenis voor ons hebben, maar niet, omdat wij in letterlijken zin aan deze voorschriften gebonden zijn. Zoo heeft de Christel^ke Kerk deze liturgische voorschriften steeds opgevat, en afgezien van enkele onbeduidende secten, die voor de historie der Kerk nauwei^'ks meetellen. Is er dan ook niet één Christel^ke Kerk aan te wijzen, die in haar eeredienst zich nog aan deze Apostolische voorschriften voor de gemeente van hun dagen houdt. Het sterkste voorbeeld hiervan heeft men in den uiterlijken gebedsvorm. Hoewel èn in het Oude èn in het Nieuwe Testament de vaststaande houding bij het gebed is, dat de bidder de oogen opslaat naar boven en de handen smeekend uitbreidt naar den hemel, is thans in alle Christelijke Kerken de gewoonte ingevoerd, dat men bij het bidden de oogen sluit en de handen vouwt, en zal wel niemand beweren, dat men door dezen veranderden vorm van het gebed te kort doet aan het gezag der Heilige Schrift. Dit eeae voorbeeld moge volstaan; het zou anders niet moeilijk wezen tal van andere voorbeelden hieraan toe te voegen.

Indien dus zelfs die aanduidingen die de Schrift zelf ons geeft omtrent den uitwendigen eeredienst der Apostolische Kerk, voor ons geen bindend gezag hebben, dan blijkt hieruit, dat dit nog veel minder gelden kan ten opzichte van de ongeschreven Apostolische tradities, waar de Grieksche en de Roomsche Kerk zich op beroepen. Dat er in de eerste Christengemeenten, die door de Apostelen zelf gesticht z^n, een zekere traditie geweest is, hoe de Apostelen den eeredienst hebben ingericht, behoeft daarom niet betwijfeld te worden. Het spreekt wel van zelf, dat men aan het voorbeeld door de Apostelen gegeven, zeer hooge waarde heeft toegekend, en dat de levende traditie van wat de Apostelen gezegd en gedaan hebben, nog enkele geslachten bewaard is gebleven. Bij de oudste kerkvaders ziet men dan ook telkens, dat zij op deze Apostolische traditie zich beroepen, en zoolang nog een geslacht leefde, dat met de Apostelen zelf in aanraking was geweest, moest deze Apostolische traditie wel zeker gezag hebben. Maar, gelijk het met elke mondelinge overlevering gaat, deze traditie werd al spoedig onzuiver, en naarmate men verder van den tijd der Apostelen kwam af te staan, mengden zich in deze overlevering allerlei elementen, die zeker niet van de Apostelen afkomstig waren. Zoodra men dan ook nagaat, wat door deze Apostolische traditie als van de Apostelen herkomstlg, oas Is overgeleverd, kan er wel geea tw^'fel over bestaan, dat het grootste deel dezer overlevering bewust of onbewust bedrog is. De zoogenaamde Apostolische Geloofsbelijdenis, die volgens deze traditie door de Apostelen zelf zou zijn opgesteld, voordat ze Jerusalem verlieten om het Evangelie te prediken, en waarvan elk artikel door éen hunner zou zijn uitgesproken, is zeker niet van de Apostelen zelf afkomstig. „De Apostolische Kerkenordening", die evenzeer uit deze Apostolische traditie heet afkomstig te zijn, heeft evenmin met de Apostelen iets te maken. En zoo is ook de zoogenaamde „Apostolische liturgie", die in geschrift ons is overgeleverd, niet ander dan een talsificaat uit later eeuwen, zooals op de meest afdoende gronden kan worden aangetoond. Uit dit drietal voorbeelden: de Apostolische geloofsbelijdenis, de Apostolische Kerkenordening en de Apostolische liturgie, blijkt, hoezeer men in later eeuwen geneigd was allerlei later gevonden documenten met den schijn van Apostolisch gezag te dekken, terwgl er van een werkelijke Apostolische traditie geen sprake was. Elke poging om op grond van deze zoogenaamd Apostolische traditie vast te stellen, wat de oorsproakel^ke inrichting is geweest van den eeredienst in de Apostolische gemeenten, is daarom met onvruchtbaarheid geslagen. Wat deze traditie behelst, is zoo onzuiver, zoo vermengd met allerlei niet-apostolische elementen, endagteekent uit zoo veel later eeuw, dat elke historische zekerheid ontbreekt. De Roomsche Kerk zelve heeft dan ook vruchteloos gezocht naar een keursteen, om hier het echte van het valsche goud te onderscheiden. Men heeft wel als maatstaf gesteld, dat datgene v/at semper, ubique et ab omnibus, d. w. z. wat steeds, wat overal en wat door allen onderhouden was, van de Apostelen afkomstig moest wezen, maar in de pract^k baatte ook deze maatstaf niet, want wie zal uitmaken wat steeds, wat overal en wat door allen is aangenomen, waar we omtrent de eerste eeuwen der Christelijke Kerk zoo weinig getuigenissen bezitten, en deze getuigenissen volstrekt niet eenparig z^n, maar telkens elkaar tegenspreken.' Vandaar dat de Roomsche Kerk ten slotte de beslissing, wat Apostolische traditie Is, heeft overgelaten aan den Paus, die dit met onfeilbaar gezag uitmaakt, omdat hij daarb^ geleid wordt door den Heiligen Geest. Maar daarmede is dit vraagstuk dan ook van historisch op dogmatisch gebied overgebracht en beslist niet het historisch onderzoek, maar het gezag van den Paus, aan wiens gezag geen Protestant zich natuurlijk onderwerpen kan.

Maar ook afgezien hiervan kan, zelfs waar we historische zekerheid hebben, en we metterdaad op afdoende gronden kunnen aannemen, dat we een Apostolische traditie bezitten, nog geenszins gezegd worden, dat deze traditie voor onze dagen eenig gezag heeft. Het sterkst sprekend voorbeeld hiervan hebben we wel in den strijd, die reeds in de eerste Christelijke Kerk gestreden is over de vraag, wanneer het Paaschfeest moest gevierd worden. Folycarpus, de beroemde bisschop van Smyrna, die in 155 als martelaar is gestorven, en die zelf nog persoonlijk met den Apostel Johannes heeft omgegaan, wiens leerling hg was, heeft uitdrukkelijk verzekerd, dat Johannes en de andere Apostelen, die hij gekend had, gewoon waren op den I4en Nisan, denzelfden dag, waarop de Joden het Paaschfeest vierden, ook hun Paaschfeest te houden. Dit getuigenis van Polycarpus wordt bovendien nog bevestigd, doordat, toen de str^d over deze vraag tusschen de Klein-Aziatische Kerken en den bisschop van Rome ontbrandde, de bisschop van Ephese, Polycrates geheeten, zich wederom beriep voor de pract^k, door de Klein-Aziatische Kerken gevolgd, op het voorbeeld van den Apostel Johannes, die jarenlang de gemeente van Ephese geleid had, en op dat van den Evangelist-diaken Philippus, die met zijn drie profeteerende dochters zich te Hierapolis had gevestigd. Hier hebben we dus niet een onzekere overlevering, maar een ontwijfelbaar echte Apostolische traditie, waarvan de oorsprong tot de dagen der Apostelen zelf opklimt en v/aarbg de namen der Apostelen, waarom het ging, oas geaoemd wordea. Eeaige twijfel aaa de juistheid dezer overleveriag is daa ook buitengesloten. De Apostel Johannes heeft, naar we ook van elders weten, zijn laatste levensdagen in Ephese doorgebracht, en hij moet daar nog gewerkt hebben tegen 't eind der eerste eeuw. Polycarpus heeft hem daar persoonlek gekend en is de meest onwraakbare getuige voor deze Apostolische traditie. En het feit, dat de Klein-Aziatische Kerken, zelfs toen de bisschop van Rome wegeas deze afwijkeade liturgische pract^kea dreigde deze Kerkea met den ban te slaan, met eea beroep op de Apostolische traditie weigerden hem te gehoorzamen, toont wel, hoe vast deze Apostolische overleveriag was. Bisschop Polycrates van Ephese aatwoordde zelfs aaa dea bisschop vaa Rome, dat hij door dieas dreigementen zich niet liet verschrikken, want dat een grootere daa h^ gezegd had: Mea moet Gode meer gehoorzamen dan den menschen.

En toch, hoe vast deze Apostolische traditie ook staan moge, zal wel niemand beweren, dat deze traditie voor ons eenig bindend gezag heeft bij de bepaling van de vraag, wanneer we het Paaschfeest moeten vieren. De Christelijke Kerk heeft volkomen terecht het Christel^k Paaschfeest losgemaakt van den I4en Nisan, den dag van het Joodsche Paaschfeest, en daarvoor den Zondag, als dag van Christus opstandiag, gekozea. Het Apostolisch gebruik keurea we daarom aiet af, waat op zich zelf is niet één dag heiliger daa de aadere, en er kunnea voor de Apostelen gewichtige redenen geweest zijn, waarom ze aanvankelijk het Christelijk Paaschfeest met het Joodsche Pascha lieten samenvallen. Maar zoodra de Christelgke Kerk haar zwaartepunt verlegd zag uit het Jodendom naar de Heidenwereld en daarmede vanzelf een tegeastelling met het Jodendom en zijn liturgie oatstoad, was bet wijs en goed gezien, dat voor het Christelijke Paaschfeest een aadere dag gekozea werd dan het Joodsche Pascha. AI mag de ruwe wijze, waarop de bisschop van Rome ia deze, zaak optrad en zelfs met bedreiglag van den ban de Klein Aziatische Kerkea dwingea wilde haar litur­ gische gebruiken te veranderen, reeds in zijn dagen algemeen zijn afgekeurd, wat de zaak zelve betreft, heeft heel de Christelijke Kerk den Bisschop van Rome in 't gelijk gesteld, en niet één Kerk laat oas Paaschfeest met het Joodsche Pascha meer sameavallea. De bisschop vaa Ephese, Polycrates, die de Apostolische traditie beschouwde als eea Goddelijk voorschrift, waarvaa hij niet afwijken mocht, heeft priacipieel ongeluk gehad. Ea het is wel opmerkel^k, dat het juist de Kerk van Rome is geweest, die toea tegea het bladend gezag, dat de Kerken van Klein Azië aan deze Apostolische traditie toekende, is ingegaan en voor de vrijheid der Kerk om een andere usantie te volgen, is opgekomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 maart 1912

De Heraut | 4 Pagina's

Onze liturgie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 maart 1912

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken