Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De schrijver van het Kerknieuws

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De schrijver van het Kerknieuws

8 minuten leestijd

Amsterdam, lo Mei 1912.

De schrijver van het Kerknieuws in de Nieuwe Rotterdammer is ditmaal slecht over de Heraut te spreken. Terwijl h^ anders zich gewoonlijk beperkt tot overname van wat in de kerkelijke bladen in z^n oogen belangri^'k is, richt h^ ditmaal een scherpe philippica aan ons adres naar aanleiding van wat we over Dr. A. Noordtztj hebben geschreven. Na eerst ons artikel ten deele aan zijn lezers te hebben medegedeeld, laat hij er dit op volgen:

Hier begaat de hoogleeraar aan de Vrije Universiteit, in zijn onbedwingbaren lust om de heeren van de Schriftkrhiek iets onaangenaams te zeggen, toch een al te onprofessorale onhandigheid. Zelf zegt hij, dat Dr. Noordtzij in de moderne kringen aan de rijksuniversiteiten wordt gewaardeerd, dat de theologische faculteit van de Leidsche universieeit hem op de voordracht als opvolger van Prof. Wildeboer heeft geplaatst. Hoe kan het hem dan het volgende oogenblik uit de pen, dat „wie met de Schriftcritiek niet medegaat", „daarmede in de oogen dezer heeren het brevet van ware wetenschappelijkheid verbeurt ?

Nu is het wel een vergissing, dat de theolo gische taculteit te Leiden Dr. Noordtzij heeft voorgedragen, want Prof. Wildeboer's leerstoel behoort tot de literarische faculteit, maar dat verhelpt de scheeve redeneering niet: Prof. Kuyper noemt in eenen adem de Leidsche theologische faculteit onbevooroordeeld en bevooroordeeld.

In alle geval, toen hij zich vergiste, had hij gelijk: de theologische fuculteit heeft al meermalen in haar voordrachten van haar wetenschappelijken zin blijk gegeven door er orthodoxe geleerden op te plaatsen, — misschien nog niet, of niet dikwijls, mannen van de uiterst Gereformeerde beginselen van Dr. Noordtzij, maar dit ligt niet aan haar. Prof. Kuyper erkent in een verder deel van zijn stukje, dat „onzerzijds" het terrein van „de „schriftcritiek" „te veel braakgelaten" is. Maar nu er dan een Gereformeerde is, die het vak wetenschappelijk heeft bestudeerd, komt hij ook bij de „heeren" van „de Schriftcritiek" in aanmerking, ook al staat hij vierkant tegenover hen. Want —gesteldal, wat niet waarschijnlijk is, dat de Leidsche literarische faculteit niet bij de theologische om advies heeft gevraagd — zij bestaat evenmin als de theologische uit Gereformeerden, en deze mannen van de kritiek plaatsten Dr. Noordtzij op de voordracht.

Zooals men ziet, schuilt het kwaad hierin, dat we gewaagd hebben critiek te oefenen op de wijze, waarop men tot dusverre aan de Rijksuniversiteiten in de theologische faculteit een zeker ostracisme heeft toegepast op allen, die niet met de moderne Schriftcritiek medegaan. Van eenige partijdigheid b^ de voordracht aan de Rijksuniversiteiten mag nu eenmaal niet gerept werden. Daar vraagt men alleen naar de wetenschappelijke bekwaamheden, niet naar de theologische richting.

Nu zij den overzichtschrijver terstond toegestemd, dat we ons vergisten, toen we schreven, dat de theologische faculteit te Leiden de eerste was, die een „Gereformeerde* op de voordracht plaatste. De voordracht te Lelden ging uit van de literarische faculteit, en niet Leiden, maar Utrecht's theologische faculteit was de eerste, die een „Gereformeerde" op de voordracht plaatste. De vergissing ontstond alleen hierdoor, dat we wilden doen uitkomen, dat zulk een voordracht of benoeming wel geschied was voor de niet-theologische vakken, maar niet voor die vakken, die met de Theologie in verband stonden. Voor de andere vakken zijn reeds een enkele maal Gereformeerden op de voordracht geplaatst of benoemd, zooals Prof. Dr. Bakhuis Roozeboom aan de natuurkundige faculteit te Amsterdam. Prof. Dr. J. Woltjer aan de litterarische faculteit te Groningen en Jhr. Mr. W. H. de Savornïn Lohman aaa de juridische faculteit te Amsterdam. De voordracht van Dr. A. Noordtzij te Leiden nu geschiedde wel door de literarische faculteit, maar raakte toch een vak, dat min of meer een theologisch karakter draagt, en dan ook in hoofdzaak dient om de studenten in de Godgeleerdheid voor te bereiden voor hunne theologische studiën. Indien de overzichtschrijver er echter op staat, willen we gaarne de correctie aanbrengen, dat de theologische faculteit te Utrecht de eerste is geweest, en tot dusver de eenige, die een Gereformeerde op de voordracht plaatste. Het feit spreekt dan nog te sterker, want niemand z? X wel beweren, dat Dr. A. Noordtzij de eerste Gereformeerde is, die op den naam van „wetenschappelijk man" aanspraak mag maken. Namen te noemen is hier overbodig. Trouwens, de overzichtschr^ver zelf erkent, dat mannen van de „uiterst Gereformeerde richting" nog nimmer op de voordracht zijn geplaatst. Natuurlek kan de oorzaak hiervan niet liggen in de overweging, dat men aan de Rijksuniversiteiten liefst geen „uitersten" benoemt, maar alleen mannen van zekere „gematigdheid", want men heeft wel telkens de e­ meest geavanceerde moderne theologen benoemd, die zelfs zoover gingen in hun negatieve critiek, dat ze ook het bestaan van Christus ontkenden. De oorzaak l was dus niet, dat men geen uiterste Gereformeerden wilde, maar dat men aan allen plaats wilde verleenen: ultra modernen, evangelischen, ethischen enz, , maar alleen niet aan de vertegenwoordigers der Gereformeerde richting. En dat men thans te Utrecht voor 't eerst een uitzondering heeft gemaakt, is dan ook waarl^'k niet daarom te danken, dat men in de moderne of ethische kringen tot een andere gedachte is gekomen. Het is het Ministerie-Kuyper geweest, dat tegen de voordracht der theologische faculteit in, den eersten Gereformeerden Theoloog Prof. Dr. H. VIsscher aan de Koningin tot benoeming voordroeg. Daardoor werd een bres geschoten in het bolweek, dat tegen de Gereformeerden was opgericht. En dat thans de Theologische Faculteit te Utrecht Dr, Noordtzij op de voordracht plaatste, is zonder eenigen twijfel wel mede aan den invloed van dezen Gereformeerden theoloog te danken. Wanneer de overzichtschri^ver echter meent, dat deze voordracht, trots de erkende wetenschappelijke qualiteiten van Dr. Noordtzij aller sympathie zou hebben gewekt. Is h^ al zeer slecht op de hoogte. Het Is bekend genoeg, hoe hemel en aarde bewogen wordt, om te maken, dat van het drietal voorgedragenen de benoeming niet aan Dr. Noordtz^ zal worden gegund. Niet omdat men Dr. Noordtz*^ uit wetenschappelijk oogpunt lager stelt, maar omdat men een „Gereformeerde" niet wil, vooral niet een „lid der Gereformeerde Kerk".

En wat nu de opmerking betreft, dat we met onszelf in tegenspraak zouden geko men zijn, doordat we eenerzgds er op wezen, dat men zelfs In moderne kringen de wetenschappelijke verdiensten van Dr Noordtzij erkende, en toch verklaarde, dat het moedig van hem was, juist thans met zijn bestrijding van de Schriftcritiek voor den dag te komen, omdat wie niet met de Schriftcritiek meegaat, in moderne en ethische kringen niet voor „wetenschappelijk" doorgaat, de overzichtschr^ver toont daarmede, dat hij niet genoeg op de hoogte is. De studiën van Dr. Noordtzij bewogen zich dusverre opeen terrein, dat niet rechtstreeks met de Schriftcritiek saamhing en waarin zijn eigen standpunt tegenover de Schriftcritiek dus niet tot uiting kwam. Dat deze studiën met zekere waardeering ontvangen v/erden, behoeft dus geen verwondering te baren. Indien Dr. Noordtzij In de gratie had willen komen van de toonaangevende kringen, had hij zijn studiën op dit neutraal gebied kunnen voort zstten. Daarom was het wel degelijk een daad van moed, dat hij, juist nu zijn naam meermalen genoemd werd in verband met een hoogleeraarsbenoeming aan een Rijksuniversiteit, zoo beslist voor zijn overtuiging uitkwam. Dit geschiedde echter niet vóór, maar nadat de voordracht te Leiden opgemaakt was. Een tegenspraak is hier dus niet. En we zijn zeer benieuwd, of, wanneer h^' te Utrecht net benoemd wordt, straks bij een nieuwe ivacature te Leiden of Groningen Dr. Noordtzij weer op de voordracht zal geplaatst worden. Het feit, dat een kort geleden aan de Vrije Universiteit verschenen dissertatie, die over het Oude Testament handelde en die werkelijk een buitengewone mate van scherpzinnigheid verried, nog pas In een Theologisch Tijdschrift reeds k. priori als „onwetenschappelijk" werd gebrandmerkt, omdat de schrijver verklaarde niet met de Schriftcritiek mee te gaan, toont wel, hoe men in deze kringen nog altoos den regel toepast: nul n' aura de l'esprit que nous et nos amis.

We hopen echter, dat deze proef niet zal behoeven genomen te worden en dat Dr. Noordtzij te Utrecht zal worden benoemd. Het zou van zoo hoog belang wezen, dat aan onze Rijksuniversiteiten gebroken werd met het exclusivisme en daar een man benoemd werd, die van beslist geloovig standpunt verweer tegen de Schriftcritiek bood. Voor de opleiding van de predikanten in de Hervormde Kerk zou dit van grooten invloed kunnen wezen. Het beslist Gereformeerde element, dat te Utrecht reeds thans zoo sterk zijn invloed doet gelden, zou daardoor versterkt worden. En dit zou ons een oorzaak van vreugde en dankbaarheid wezen. Het is ons toch waarlijk niet onverschillig, welke richting in de Hervormde Kerk, die nog altoos een groot deel van ons volk omvat, den toon aangeeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 mei 1912

De Heraut | 4 Pagina's

De schrijver van het Kerknieuws

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 mei 1912

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken