Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Voleinding.

21 minuten leestijd

LXVII.

DERDE REEKS.

IV.

En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satanas uit zijne gevangenis ontbonden worden. Openbaringen 20 : 7.

De tweeërlei reeks van gebeurtenissen, waarop we wezen, loopt zelfs in dien zin uiteen, dat er in de Schrift duidelrjlc sprake is van een tweeërlei onderscheiden tijdsorde. Het sterkst komt dit uit in het gedurig spreken over „de laatste dagen", welke laatste dagen dan eigenlijk reeds Intreden met Bethlehem. Neem slechts den aanhef van den Hebreërbrief. „God, voort^'ds, zoo lezen we daar, veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon". Hier doelt de uitdrukking „de laatste dagen" dus niet op de Voleinding, maar op Jezus' eerste verschijning in het vleesch; iets. waardoor wel de Voleinding en de Wederkomst des Heeren niet geloochend wordt, maar toch de tijdsindeeling niet genomen wordt naar wat nog te gebeuren staat, maar in verband met hetgeen reeds achter ons ligt. Slechts twee perioden bestaan er voor den Hebreërbrief. Er is de periode van het Oud Verbond, de periode der verwachting, der aankondiging, der profetie, zoo men wil, de periode der voorbereiding. Dit zijn de eerste dagen. Ma, ar, is die periode afgeloopen, en treedt üe vervulling der profetie door Jezus' geboorte in, dan gaan we daarmee terstond uit de periode der eerste in de periode der laatste dagen over. De voorstelling die we ontvangen, is derhalve niet, dat achter Jezus' Hemelvaart nog pas het begin der nieuwe dingen lag, alsof eerst daarna de laatste dagen te wachten waren, als Jezus wederkwam, maar geheel omgekeerd, dat „de laatste dagen" reeds ingetreden waren, en dus Jezus' wederkomst slechts een aanhangsel van deze tweede periode kon zijn. Ook Petrus betuigt met beroep op de profetie, dat de uitstorting van den Heiligen Geest op den grooten Pinksterdag insgelijks de vervulling was van wat omtrent „de laatste dagen" voorzegd was. Het zal zijn „in de laatste dagen", zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest over alle vleesch". In gelijken zin schrijft deze apostel in zijn eersten zendbrief, dat de geboorte van den Christus plaats had „in den laatsten tijd". „Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging der wereld, maar geopenbaard in deze laatste tijden om uwentwil". Johannes weet zeer wel, wat reeks van gebeurtenissen nog te wachten staat. Heel de openbaring op Patmos gaf er het program voor, en toch aarzelde ook hij niet in z^n eersten Zendbrief te betuigen: „Kinderkens, het is de laatste ure, en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zoo zijn ook nu vele antichristussen geworden, waaruit wij kennen dat het de laatste ure is". In dit verband heet dan de ure der Voleinding zeer praegnant „de dag des Heeren", om wel te doen uitkomen, dat hiermee niet op een nieuwe periode in het verloop van de geschiedenis der menschheid, maar op één mogelijke gebeurtenis gedoeld wordt. Niet de laatste jaren, niet de laatste tijden, wat altoos op Bethlehem en Golgotha slaat, maar „de dag des Heeren", of nog enger opgevat, de laatste ure". Een zeer praegnante uitdrukking, die Johannes bezigt, niettegenstaande hij in Openb. 20: ; ' een periode als nog toekomstig aanduidt, die, al is ze niet bedoeld als letterlijk tien eeuwen vullende, toch in elk geval met een tijdsorde die bq dagen en uren rekent, geheel in strgd sch^nt.

Vreemd nu is dit gebruik van een tweeërlei tijdsorde allerminst. In elke levensbeschrijving van een mensch van beteekenis moet men wel' hetgeen zijn ontwikkeling beheerschte en z^n optreden bepaalde, in tijdsorde en duur afzonderen van de historie van z^n omgeving. In het leven van dien éénen man hadden allerlei gebeurtenissen die in zijn privaat leven voorkwamen, hoe onbelangr^k misschien voor de wereld, toch voor hem overwegende bsteekenis, en in verband hiermee moeten de jaren van z^n leven worden ingedeeld. Zelfs bij de kerkgeschiedenis gevoelt men de noodzakelijkheid, om er een eigen t^dsorde voor te nemen. De gebeurtenissen die de wereldgeschiedenis bepalen en indeelen, beheerscben daarom nog volstrekt niet op gel^k« w^ze de historie in aanmerking komen. van Christus Kerk. Denk slechts aan de ontdekking van Amerika. Wat zoo voor mannen van beteekenis, of ook van Christus' Kerk geldt, gaat welbezien zelfs bij alles door. Kunst en wetenschap, scheepvaart, handel, het heeft alles zijn eigen historie met eigen tijdsorde en indeeling in perloden. En zoo nu is het ook met het ingrijpen Gods in de historie, om het groote werk der genade tot stand te brengen. Ook dit machtige werk der genade neemt waar het noodig is z^n eigen initiatief, het vervolgt zijn eigen loop, het heeft z^n eigen keerpunten, en in dit alles wijkt het van den gewonen gang der menschelijke dingen schier op elk punt af. Vandaar dat het zich in de perioden-Indeeling van de gewone geschiedenis niet voegt, deswege een eigen perioden-indeeling Insnijdt, en zoo van zelf een tijdsorde schept, die een geheel zelfstandig karakter draagt, en met de gewone tijdsorde van wat ons geslacht wedervoer, niet evenwijdig kanloopen. Vandaar dan ook dat alle uitdrukkingen in Oud-en Nieuw-Testament, die met de perioden-indeeling van het groote werk der genade in verband staan, geheel op zichzelf moeten beschouwd worden, en nooit mogen genomen worden als saamvallend met de indeeling van de geschiedenis der wereldrijken. Voor de toenmalige geschiedenis der wereldrijken was het omslaan van Rome's republiek in een Keizerrijk heel wat gewichtiger dan het optreden van Johannes den Dooper of de geboorte van den Christus te Bethlehem. Is het u daarentegen te doen, niet om de geschiedenis der toenmalige wereldrijken, maar om den gang van het Godsrijk, dan natuurlijk stelt wat te Bethlehem geschied is, al wat te Rome phats greep zoozeer ^& tïQ op den achtergrond, dat de eerste gebeurtenis wel in een geheel andere tijdsorde haar plaats moest vinden dan de tweede. Dientengevolge zou elk recht verstand van de dingen, die aan het Godsrijk zijn loop gaven, geheel te loor gaan, zoo men de tijdsorde van het normale proces er op wilde toepassen.

Bij allerlei andere geschiedenissen neemt ge hetzelfde verschijnsel waar. Wie de geschiedenis van Japan gedurende de laatste halve eeuw zal schetsen, zal te wijzen hebben op een reeks gebeurtenissen en veranderingen < ye In Japan's nationale existentie plaats grepen, zonder dat wi^ er In Europa veel van merkten. Ia Europa's geschiedenis nu staat gedurende die periode de met 1870 Intredende breking van Frankrijks Invloed op den voorgrond, maar voor Japan's ontwikkeling had deze zoo goed als geen beteekenis, terwijl omgekeerd Japan's wondere ontwikkeling bepaald en bewerkt werd door invloeden, die voor Europa niet meetelden. De reusachtige ontwikkeling van de geldelijke macht der Rockefellers en andere milliardalrs In Amerika had evenzoo een geheel eigen, hoogst belangrijk verloop. Wie de opkomst van deze fiaancieele macht in schets zal brengen, moet daarvoor breed allerlei op zich zelf kleine voorvallen uitspinnen, die voor de Rockefellers beslissend waren, maar die voor de geschiedenis van onze Oost b. v. zonder beteekenis waren. Nederlands jonge schilderschool heeft even zoo een eigen hls torie, die zich indeelt naar persoonlijke gegevens uit het leven der vooraanstaande schilders, maar die geheel staat buiten de diplomatieke verwikkelingen welke in de laatste halve eeuw den gang van zaken beheerschen. Zoo heeft alles zijn eigen historie en daarom dan ook zijn eigen verloop, en in het verloop dier historie zgn eigen tijdsorde en perlodenindeeling, die wel met de algemeene historie samenhangt, maar er allerminst mee kan vereenzelvigd worden. In Iemands persoonlek leven kan, zoo hij, zeg In i860 geboren werd, het t^'dsverloop van 1860—1875 van zeer ondergeschikte beteekenis z^n, daar gemeenlijk, zelfs bg mannen van hooge roeping, over de 15 eerste jaren van hun leven bitter weinig te zeggen valt. Doch dit belet In het minst niet, dat voor den algemeenen loop der dingen die periode van 1860—1875 van het hoogste gewicht kan zijn geweest, ja den gang van het wereldleven geheel kan hebben omgezet. Zoo Iemand nu zal In de herinneringen van zijn eigen leven keer op keer van 1860 op 1875 schier zonder zich bij eenige gebeurtenis op te houden, overspringen, zonder dat het in hem opkomt, voor elk van die 15 jaren een eigen herinnering uit te trekken. Moet hij daarentegen voor zijn examen zich inzetten in de wereldhistorie, dan zal hij juist op die, voor hem persoonlek onbelangrijke, jaren zijn bgzondere aandacht hebben te vestigen, èn om wat In i%66 èn om wat in 1870 voorviel. Feitelijk doen we dus niet anders dan op de verhouding tussobea de historie van het Godsrijk en de historie der normale menschel^ke ontwikkeling, een onderschelding toepassen, die elr^'trlffk op elk gebied doorgaat. Zelfs behoeft het nauwelijks betoog, dat deze ook overal elders doorgaande onderscheiding hier vooral zeer sterk spreken moest, daar de gang van het Koninkrijk Gods veel scherper dan eenig ander stuk historie een eigen karakter draagt, door eigen motieven behecrscht wordt, en juist daardoor wel zijn eigen weg moest gaan.

Op zichzelf zou dit de geesten dan ook nooit verward hebben. Indien niet belde reeksen gebeurtenissen, die van de normale ontwikkeling en die van het ingrijpen Gods In het proces, gedurig op elkaar hadden ingewerkt. Juist dit maakt, dat het zoo moeilijk is, om de bedding van de strooming van het ééne leven steeds helder voor ons zelf van de bedding van het andere leven te onderscheiden. Liepen beide beddingen steeds naast elkander, zoo zou het niet de minste moeilgkheid voor ons opleveren, om terstond het verband tusschen de Hemelvaart en de Wederkomst des Heeren in te zien, en ons er van te overtuigen, dat niets van hetgeen daartusschen Inligt, van een opnieuw ingrijpen van God in dé geschiedenis met zijn wondermacht gewaagt. Het zou ons klaar voor oogen staan, dat de geboorte te Bethlehem een rechtstreeksch ingrijpen van God Almachtig In den loop der dingen was, en dat dit eerste Ingrijpen door geen ander ingrgpen stond gevolgd te worden, dan bij 's Heeren wederkomst. Op de historie van dit ingrijpen alleen ziende, zou het geheel deswege vanzelf In twee hoofdstukken uiteenvallen: het eerste hoofdstuk de historie van Bethlehem tot de Hemelvaart, met wat hier op den Pinksterdag en op den weg van Damascus bijhoorde, en dan het tweede hoofdstuk van Jezus wederkomst, met de Opstaudïjtg der : ^fK> den, bet laatste oordeel en de Ingang van het einde, waardoor de eeuwigheid zal worden Ingeluid. Want wel zoude dan tusschen die beide hoofdstukken een proces van eeuwen liggen, maar de historie hiervan zou onder een geheel ander hoofd in schets zijn te brengen, niet als gold het gebeurtenissen, die Gods Ingrgpen met zijn Almacht in het werk der genade tot stand bracht, maar als verhaal van een proces, dat uit het eens gegevene zich vanzelf ontplooide. Wie In Jezus ontslapen mag, sterft uit den tijd weg en gaat over In de eeuwigheid, zoodat er voor zgn besef niet eeuwen tusschen zijn sterven en zijn ingang In de heerlijkheid inliggen, maar het ééne veeleer geheel met het andere is saamgeweven. En zoo nu ook is het hier. Het ingrijpen van God met zgn zoo wonder genadewerk zooivel bij de eerste als bij de tweede verschijning van den Christus is een ingrijpen uit de eeuwigheid In den tijd. Al wat daaruit voor het proces In den tijd voortvloeit, behoort deswege tot een andere orde. En zoo nu Is het volkomen begrijpelijk, dat wie met sterk eeuwigheidsgevoel van de Parousie gewaagt, met geen tusschenliggenden tijd rekent, en wat te komen staat als een onmiddellijk intredend gebeuren aanziet, terwijl omgekeerd wie spreekt over wat In het proces der ontwikkeling nog te komen staat, Parousie en Hemelvaart op verren afstand van elkaar zal stellen. Er is hier reflex, de eene maal uit het eeuwige en de andere maal uit het tijdelijke, In den geloofssplegel onzer ziel, en hieruit komt een verschil op, dat ge niet kunt wegcijferen, maar dat zich toch oplost voor het geloof.

Nu zou ons dit bij het lezen en raadplegen van de Heilige Schrift zeer zeker minder moeite baren, Indien het normale proces van de ontwikkeling van ons menschelijk geslacht, en het daarvan onderscheiden ingrijpen van Gods genade, onvermengd ware gebleven. Hadden we in de historie van ons geslacht te doen eenerzijds met de breede schare, die haar zondig leven ongestoord had uitgeleefd, en daarnaast met een kleine groep van heiligen, die door een persoonlijk wonder van alle zonde was losgemaakt en afgescheiden, zoo zou de tweeërlei bedding waarop we wezen, onvermengd zijn gebleven. De troebele wateren van het geheel verdorven menschenleven zouden een geheel eigen verloop hebben gehad, en daartegenover zou in kleine bedding de spiegel geschitterd hebben van de wateren der volkomenheid en heerlijkheid. Een ieder zou het principieel verschil tusschen beide terstond in zich hebben opgenomen, en van verwarring van beide zou geen sprake zijn geweest.

Zóó echter is Gods bestel niet geweest. De genade Is niet als een afzonderlijk Iets op den stroom van het leven blijven drijven, maar het werk der genade is telkens met eea eigen proces in het leven der personen, der volken en der werelddeelen Ingedrongen, en gaf daardoor keer op keer het toonbeeld van uiterst gemengde verschijnselen. En dit niet alleen, maar ook waar het wondere Ingrijpen van Gods genade uit den dood in het leven deed overgaan, kwam het toch aan deze z^de van het graf niet dan tot „een klein beginsel der volkomen gehoorzaamheid", en trad een toestand in, die ook bij helder bewusten overgang uit het ri^k der duisternis In het licht, toch het „ik ellendig mensch" weer gedurig op de lippen bracht. Zoodoende was de schelding er wel. Principieel is wat het werk der genade In zich opnam, door een niet te overbruggen klove gescheiden van wat nog uit het beginsel der zonde leeft; maar oppervlakkig bezien, vertoont het zich zoo geheel anders. Wie een der nobelste geesten uit de heidenwereld naast Davld, In zgn historie met Bathseba, plaatst, zou op zich zelf eer geneigd zijn, om David, gelgkdanook herhaaldelijk geschied is, met verontwaardiging van zich af te stooten. Reeds dit maakt het op zichzelf zoo moeilijk voor ons, om de historie van Gods geestelijk Ingrijpen In onze wereldhistorie van het gewone proces der dingen afgescheiden te houden, en dat te meejr nog, nu de Schrift zelve ons toont, hoe de gemeene gratie, die van de zaligmakende genade geheel onderscheiden Is, toch het aansch^n der dingen derwgs wijzigen kon, dat het u volstrekt niet altoos duidelijk Is, of een geestesrichting die opkomt, uit God is of tegen de eere Gods ingaat. Reeds dit leidt tot verwarring; doch wat die verwarring nog telkens veel ingewikkelder dreigt te maken is het niet te loochenen feit, dat het God den Heere belieft, de elementen van zijn genade volstrekt niet altoos onmiddellijk te laten doorwerken, maar dat Hij integendeel vaak uiterst langzaam laat doorgisten, gelijk ons dit In de gelijkenis van de drie maten meels met het daarin gelegde en verborgen zuurdeesem door Jezus zelf als van God bedoeld en gewild, wordt geteekend.

In het normale creatuurlgke leven is stille, gestadige voortgang. Er is geen klem, of er komt een proces uit op. Al wat voor dit proces noodig Is, vindt die kiem gereed. Er is niet maar een zaadkorrel, maar die zaadkorrel vindt de aarde, den regen en den zonneschgn, en het is door de werking van deze drie, dat wat schuilt In de zaadkorrel, ontkiemt, straks ontluikt, en vrucht kan dragen. Zoo is het In de plantenwereld, zoo Is het in het dierenr^k, zoo Is het In ons menschelijk geslacht, en onder ons menschel^k geslacht niet alleen voor de enkele personen, , maar evenzoo, en zelfs sterker nog, voor de gezinnen, de geslachten, de groepen, de volken, de rassen. Het geslacht dat wegstierf, liet een erfenis achter voor het geslacht dat nu leeft, en straks zal weer een nieuw geslacht de vruchten plukken van wat wij gezaaid hebben. Dit alles doet een proces van ontwikkeling opkomen, een ontwikkeling ten kwade of een ontwikkeling ten goede, en het Is In dit proces dat het Gode belieft om het element van z^n genade te laten Indringen en zoo op wat reeds opwies, een nieuwe loot te enten. Zoo doorloopt elk volk, elk geslacht, ja, schier elk gezin zeker stadium van ontwikkeling. In het hart van Afrika staat het menschelijk leven onder de negerstammen nog zoo bitter laag. Onder andere hemelstreken wist het menschelgk leven reeds een hooger positie in te nemen. Maar vooral in die deelen der wereld, waar het Evangelie doordrong en het volksleven gekerstend heeft, zag men een veel hooger toonbeeld van menschelijk leven opkomen, gelijk het zonder het element der genade nooit gekend zou z^n. Feitelijk staan we dus voor dezen toestand, dat er drieërlei proces plaats grijpt, dat niet afzonderlek en op zichzelf blijft, maar zich op alle manieren dooreenmengt. Er is in de eerste plaats het proces uit de zonde, gelijk dit aanvankelgk, nu nog onder tal van volken, en zelfs onder de beste volken In enkele geslachten en personen, ongetemperd en ongebeterd voortgist. In wat uit dit proces opkomt, ziet men wat er van ons geslacht zou geworden z^n, indien geen genade, op wat manier ook, tusschen beide ware gekomen, en Indien God, na onzen val In zonde, ons geslacht aan zich zelf had overgelaten. Dit zou niet onverwgld tot absolute en volstrekte verderving geleld hebben, omdat het proces dat uit de zonde van den mensch opkomt, toch altoos nog onderscheiden is van het absoluut onheilige in de wereld der demonen. In satan en z^n trawanten Is geen proces. Wat satans wereld kenmerkt Is, dat ze van meet af en van af de eerste inzet, volstrekt boos Is. Dit nu is de gevallen mensch niet. In hem werkten van meet af nog tegen de zonde ingaande elementen. Vandaar dat brj hem een proces doorloopen wordt, ea dat de onbekeerde meosch slechts geleidel^k uit de ééne slechtheid tot de andere overgaat, om eerst in z^n aanz^n na dit leven met satan de absolute verderving, en daardoor de absolute verdoemenis, te deelen.

Dit is het eerste proces, dat in het Parades begon, en ongetemperd door gemeene genade, op tal van manieren nog altoos voortgaat. Doch daarnaast, en daardoorheen, loopt een tweede proces. Er waren bij de schepping van den mensch kiemen gelegd voor een ontwikkeling die, liep het proces ongehinderd door, de kennis, de wetenschap, de macht, den kunstzin, het zedelijk niveau van ons geslacht, van eeuw tot eeuw, steeds hooger op konden voeren. Deze schat die in ons geslacht was gelegd, is nu door de zonde volstrekt niet aanstonds geheel vernietigd. Dit proces van de ontwikkeling der menschelijke krachten, talenten en vermogens werd wd krank, gelijk de zonde alles vergiftigt, maar het ging toch door, en het is dit proces van algemeen menschelijke ontwikkeling dat door de Gemeene Gratie besproeid, tot zoo verrassende en zoo hoog staande resultaten geleid heeft. Niet in heiligen zin, maar dan toch zoo, dat er uit dit proces, dank zij de Gemeene Gratie, In tal van streken en bij tal van volken een menschelgke ontwikkeling is opgekomen, die In velerlei gewesten zeer hoog stond, en nog staat, en die ons ook nu weer in Japan toont, tot wat verrassende uitkomsten dit proces zelfs voor geheele volken, althans tijdelijk, lelden kan. En al ontbreekt nu in dit procei elk element van zaligmakende kracht, en al moet toegegeven, dat dit proces van menschelijke ontwikkeling voor de eeuwigheid zonder vrucht is, en alleen een tijdelijk karakter draagt, te ontkennen valt toch niet, dat er een getemperde toestand uit geboren wordt, die veler hart voor het genadewerk onzes Gods ontsluiten kan. Duidelgk komt het In de Schrift b^ den officier Cornelius te Caesarea en bij anderen uit, hoe dit proces voorbereidend voor de genaderoeping werken kan. Reeds kort na het optreden van Christus Kerk, ziet ge uit de Heldenwereld en niet uit Israels kring de groote mannen optreden, die zegenend ook voor de toekomst gewerkt hebben. Dit tweede proces nu is van het eerste zeer scherp onderscheiden. Het eerste proces, dat rechtstreeks, ongetemperd uit de zonde opkomt, werkt alleen in booze richting; dit tweede proces kan een voorberddende vrucht voor het groote genadewerk dragen.

Maar nog sterker geldt die voorbereidende werking b^ het derde proces van ontwikkeling, dat zijn opkomst aan het Genadewerk zelf dankt. Christus Kerk toont het ons. ze .toch kan nooit uit de Gemeene Gratie opkomen. Ze dankt, waar ze ook optrad, haar existentie altoos aan de prediking van het Evangelie en aan de genadewerking der heilige Sacramenten. Ook al zondert men nu van hetgeen de Kerk wrocht, de persoonl^ke bekeering der enkele zielen voor een oogenblik af, zoo is het toch openbaar, dat Christus' Kerk over het algemeen de zeden verzacht, de zonde ingetoomd, den boozen zin veredeld heeft, en in breeden kring een vraag naar verlossing heeft doen r^'zen, die straks in wondere bekeering gehoor erlangde. Doch juist dit vorderde tijd. Reeds op zichzelf, omdat het menschelijk leven onder den invloed van het Evangelie allengs edeler vorm moest aannemen, maar meer nog, omdat deze zegenende invloed van het Evangelie van lieverlede alle verhoudingen, alle betrekkingen, alle gegevens In 'smenschen samenleving doortrekken moest. Dit was niet aanstonds gereed. Dit vorderde een t^dsverloop van eeuwen. En dit te meer, omdat in dit groote proces de v^andlge tegenstelling niet kon uitblgven. Telkens wgst de Schrift er ons dan ook op, hoe juist dit heilige proces van den invloed van het Evangelie de vgandschap van de demonenwereld wakker roept, en er tenslotte op moet uitloopen, dat er ketterden, dat er antichristelijke bewegingen moeten opkomen, en dat eindelgk de mensch der zonde, ja het Beest, zijn onheilige woede tegen de kudde des Heeren zal keeren. Het genadewerk bleef niet bulten het gewone menschel^ke proces, maar ging in dit proces in, doorliep zoodoende zelf een proces, en werd daardoor vanzelf onderworpen aan wat van elk proces van dien aard onafscheideiek is. Tweeërlei vooral trad hierbe op den voorgrond. Ten eerste, dat een proces t^d vordert, evenals tusschen de eerste ontkieming van de plant en het rgpen van haar vrucht een afstand ligt. Maar ook ten andere, dat in zulk een proces noodzakeiekerwijs het onkruid naast de goede tarwe moet opkomen; dat hieruit str^d en worsteling geboren wordt;

en dat eerst de triomf Ia deze worsteling de eindbeslissing ten goede kan komen.

Dit Is niet toevallig, maar het moett zoo uitkomen. Iets wat men het best gevoelt, door onze mens^enwereld met die van de engelen te vergeleken. Het groote, allesbeheerschende verschil toch tusschen die beide werelden Is, dat bij ons het proces hoort, b^ de engeien niet. Engelen z^n terstond na de eerste keuze slecht of goed. Indien flefht, dan z^n ze ongeneeslgk en niet meer te redden. Kieken ze voor 'tgoede, Aaxi\sst geen str^d meer, maar staan ze aanstonds in volkomen heiligheid. B^ ons hoort daarentegen het proces. In proces te verkeeren, is onze aard. AI wat tot ons leven behoort, doorloopt een proces. Een proces van eiken dag, een proces b^ elke gewaarwording, een proces b^ elke doelbestemming, een proces bij al wat onze hand aangr^pt om te doen. Daarom nu kon het niet anders of de zaligmakende genade, eenmaal tot ons neergedaald, moest In ons menschel^k leven wel evenzoo den vorm van een proces aannemen, van dit proces alle stadia doorloopen, b^ het doorloopen van die stadia allerlei antithese doen opkomen, en zoo eerst kon de heerl^kheid die In het genadewerk Gods verborgen was, zich allengs openbaren.

Dit nu bracht vanzelf te weeg, dat b^ het genadewerk Gods op tweeërlei volgorde te letten viel. Van den éenen kant op de volgorde, die God zich zelf In z^'n Raad had voorgeteekend voor het Ingrijpen van zi^n Almacht In onze menscheli^ke existentie, en van den anderen kant op de volgorde, die elk element van dit genadewerk bi^ het Ingaan In het proces van ons menschel^k leven volgen zou. Neemt ge nu het eerste, dan hebt ge vlak naast elkander staan de twee groote werken Gods van de zending van z^n Zoon en van het oordeel dat het einde zal inluiden, zoodat Parousie en Hemelvaart vlak op elkander volgen. Neemt ge daarentegen het tweede, dan hebt ge te doen met het proces van de bekeering van de volken en met de raping van de vrucht der genade. Op het eerste past de Schrift dan toe; Zie, ik kom haastelijkl Op het tweede, dat ook wie reeds Ingingen, nog „een kleinen t^d wachten zouden, tot ook hun broederen zouden gerijpt zijn".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 oktober 1912

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 oktober 1912

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken