Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Voleinding.

20 minuten leestijd

LXXVIII.

DERDE REEKS.

XV.

En God zag al wat Hij ge maakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond ge weest, en het was morgen geweest; de zesde dag. Genesis I : 3I.

Blijft nu nog over de moeilijkheid op te lossen, die in verband met de gegeven voorstelling opkomt uit de slotwoorden van iiet Sclieppingsverhaal: „En God zag al wat Htj gemaalct Iiad, en zie, het was zeer goed". Toegegeven moet toch, dat deze woorden, neemt men ze op zichzelf, den indruk maken als ware bedoeld, dat al wat het aardrijk SU vertoonde zich in een toestand van hooge volmaaktheid bevond. Alle verstoring zou, b^ die opvatting, eerst na den zevenden dag kunnen zijn ingetreden, en het zou dan niet wel mogelijk z^n, te onderstellen dat reeds bij den overgang van den v^fden op den zesden dag, en dan tusschen de schepping der dieren en de schepping van den mensch, de eerste breuke in de volmaaktheid van Gods Schepping zou hebben plaats gehad. Het opkomen van deze bedenking ligt te zeer voor de hand, dan dat we er over heen zouden mogen glijden. We willen er daarom opzettelijk b^' stil staan.

En dan zij al aanstonds opgemerkt, dat er clch tweeërlei „zeer goed" denken laat; een „zeer goed" In de voleinding en een „zeer goed" met opdcht tot een voorloopigen toestand. Een in 't oog springend onderscheid, waarop maar veel te.weinig pleegt gelet te worden. Van een kindeken dat pas geboren werd, en dat aan lijf en leden niet het minste gebrek vertoont, kan gezegd, dat het een „welgeschapen" zoonke of dochterke is. Gelgk men dan ook voor jaren steeds gewoon was, in de advertentie, waarmee men de geboorte van zulk een kindeke aankondigde, er in een gevoel van dankbaarheid bij te zetten, dat aan het gelukkige echtpaar geboren was een „welgeschapen zoon of dochter". Beduidde dit nu, dat 't kindeke, gelijk 't daar op moeders schoot lag, in de volmaaktheid was geschapen? Stellig niet. Zooals 't daar lag, was het „zeer goed" er volkomen op van toepassing; maar, daargelaten nu dat zulk een kindeke toch een kiem van dood en bederf in zich draagt, ligt het, ook afgezien daarvan, In den aard der zaak, dat dat kindeke volstrekt niet blgven moest wat het was, en veeleer bestemd was om uit den staat van een pas geboren wicht zich te ontwikkelen en op te groeien tot een volwassen man; iets waardoor een verandering zou intreden zoo groot en zoo geweldig, datgena v^ftigjaar In den volwassen man schier niets meer van het pas geboren wicht zoudt herkennen. Leg maar naast elkaar een photographisch afbeeldsel van een kindeke aan de moederborst, en van datzelfde kindeke, na verloop van een halve eeuw, tot een veldheer aan het hoofd van zijn troepen ontplooid, en het is u volstrekt onmogel^k, in den kloeken ruiter te paard ook maar een enkelen trek van het jeugdig wicht terug te vinden. Zoo is het in de wereld der menschenkinderen, en evenzoo In de plantenwereld. Een bloembol kan „zeer goed" zijn, zonder dat die bol ook maar in iets de pracht vertoont, die straks in tulp of hyacint zal uitkomen. En zoo nu ook was bet hier.

De mensch in het paradijs was, als we oos eens zeer plat mogen uitdrukken, nog volstrekt niet af, en er was aan den mensch Qog o, zooveel gewaagds en onzekers, dat het eerst later zou uitkomen en beslist worden, , of de uitkomst eere dan wel schande, vreugde dan wel dood en verderf brengen zou. Geheel de voorstelling der Heilige Schrift leidt dan ook tot de opvatting, dat de eerste mensch in het parades nog volstrekt niet de volmaakte mensch, nog niet de mensch in z^n voleinding was. Stelt ge u den herboren mensch voor, gelijk h^' op de nieuwe aarde eens in voldongen heeri^kheid voor het aanschijn van zijn God zal wandelen, dan gevoelt ge aanstonds, hoe veel hooger in volmaaktheid die mensch alsdan staan zal, vergeleken bij den eersten mensch vlak na zijn schepping. Reeds b^ de verschoning van Mozes en Elia op Tabor, ontWngen de discipelen den indruk van een menschelijke verschijning die verre overtrof en te boven ging, al wat onder menschen op deze aarde in de tegenwoordige bedeeling aan heerl^kheid te bewonderen viel. De verheerlQking van den Christus zelf toont, voor wat veel hoogere ontplooiing van heerl^kheid ons lichaam vatbaar is. De heerlijkheid waarin de Zoon des Menschen thans aan de rechterhand Gods is gezeten, gaat B« heer^lchcld van Tabor n< ^ te boven, en van die hoogste heerlijkheid waarin de Christus thans schittert en aan Faulus bij Damascus en op Pathmos aan Johannes verscheen, betuigt de apostel aan de Kerk van Philippi, dat al Gods kinderen in den staat van eeuwige heerlijkheid eenmaal aan die hoogste heerlijkheid van den Christus ge-Igk zullen z^n. De afstand tusschen den gelukstaat waarin God Adam en straks Eva schiep en den veel hooger staat van heerlijkheid waarin de gezaligden eens in het rijk der heerlijkheid zullen blinken, moet dus wel een zeer aanmerkelijke zijn. Past men nu het „zeer goed" op dienhoogsten staat van heerlijkheid toe, dan spreekt 't vanzelf, dat het niet kon gelden van dien staat onmiddellijk na de schepping; en wordt het nu toch onmiddellijk na de zeer schepping, blgkens Gen. 1:31, van dien zeer voorloopigen gelukstaat uitgesproken, dan volgt hieruit met volkomen duidelijkheid en zekerheid, dat de uitdrukking „zeer goed" hier niet in volstrekten zin kan noch mag genomen worden. Het „zeer goed" behoudt dan wel zijn volle kracht, maar het is dan „zeer goed" in een bepaald opzicht. Er is dan niet mee bedoeld de mensch in z^n volkomenheid, maar de mensch in zijn eerste optreden, de mensch zooals hij zijn loopbaan beginnen moest, de mensch gelijk h^ zijn moest, om te kunnen vallen, om in opstand tegen God te kunnen komen, om prooi van dood en verderf te kunnen worden, maar tegelijk en tevens de mensch gelijk hij zijn moest, om te kunnen staande big ven en te kunnen ingaan in het eeuwige leven, ten einde alzoo eerst te geraken tot zijn onverderfelijken staat.

Doch er is meer. De goedkeurende uitdrukking „zeer goed" is volstrekt niet alleen van toepassing op de eerste gave formatie, maar even goed op wat het uitgegledène, afgewekene en gevaarlijke ondervangt. Zelfs van hetgeen een breuke herstelt, wordt deze uitdrukking gebezigd. Is in een prachtig gebouw, is in een keurig samengesteld werktuig, is in een machtig zeekasteel, door storm, door brand, of door wat ook een scheur, een breuke, een aftakeling teweeg gebracht, en legt een vaardig architect dan een gereed plan voor, om die scheur, om die breuke zóó te herstellen, dat 't schier zqn zal alsof 't in oorspronkelijk gaven toestand was teruggekeerd, dan kan de eigenaar die den last tot herstel zal geven, zeggen: „neem dit plan. Dat plan vind ik zeer goed". En niet alleen dat dit kan, maar 't gebeurt gedurig. Maar geheel ditzelfde kan dan ook doorgaan als er gevaar dreigde, en zoo dat gevaar ondervangen wordt. Men verstaat hier dan onder, dat wel het gevaar, zoo 't van algemeenen aard is, niet valt weg te nemen, maar dat 't geheel toch zoo kan worden ingericht, dat de gevolgen van wat dreigde voorkomen worden, In Amsterdam ondernam men het kunststuk om een wereldstad te gaan bouwen op een bodem zoo week en drassig, dat er niet aan te twijfelen viel, of na niet al te langen t^d zou een verzakking dreigen, en ten leste geheele straten en grachten in den modderbodem kunnen wegzinken. Toen heeft architectonische kunst weten te ontdekken, dat er diep onder dien drassigen bodem een vaste, harde bodem verborgen was, en hiervan heeft men toen part^ getrokken, om palen door dien weeken bodem tot op den harden onderbodem te laten doorzakken, en zoo, door dwarsbalken op die palen te leggen, een vasten grondlaag verkregen om de huizen op te zetten, die nu reeds eeuwen trotseeren. Dit nu noemt men: ondervangen van het gevaar. Toen nu later vreemde architecten hierheen kwamen, hebben ze eenparig hun bewondering voor onze Nederlandsche bouwkunst uitgedrukt en geoordeeld, dat hetgeen we in Amsterdam getooverd hadden, metterdaad „zeergoed" was. Geen hunner kon het verbeteren.

Ook in dien zin kan derhalve het „zeer goed" uit Gen. i : 31 verklaard worden, zonder dat aan de voile kracht der beteekenis ook maar iets wordt te kort gedaan. Had er, reeds eer dejnensch tot aanzi^'n werd geroepen, een breuke in Gods schepping plaats gehad, en heeft toen God de Heere, hierdoor in niets verhinderd, toch zijn oorspronkelijk scheppingsplan, ook ten opzichte van den mensch, doorgezet, en wel op zulk een w^ze, dat al 't gevaar dat uit die breuke dreigde, geheel ondervangen werd, dan spreekt hierin zulk een wondere kunstzin van den Oppersten Bouwmeester en Kunstenaar, dat ook hier in 't eind, zonder eenige de minste overdriving, kon gezegd worden: ooals nu de geheele Schepping, voor wat onze aarde betreft, daar staat, is ze zeer goed. Er staat toch niet, dat dit „zeer goed" van heel de Schepping gold. Qver de engelen» en de gees­ tenwereld toch is in al wat voorafging met geen woord gesproken. Al wat het eerste kapittel van Genesis ons meldt, is de Schepping voor zoove, - ^ii. ^el onze aarde, en op die aarde met den »; ^.f^^, in betrekking stond. Zoo wordt b.v, van de zon, de maan en de starren niet anders gemeld, dan dat God ze „In het uitspansel stelde om licht te geven op aarde" (vs. 17). Leert nu de aardkunde, dat er, eer de mensch ten tooneele trad, zeer geweldige verschuivingen en inzinkingen en verbrandingen in de aardkorst hadden plaats gehad, en dat geheele stukken uit het plantenr^k en uit het dierenrgk ondergingen, eer nog de mensch op deze aarde verscheen, dan ontstond hierdoor vanzelf het probleem, hoe op deze reeds derwijs ontredderde aarde de mensch zou kunnen geplaatst worden, om zijn existentie zonder gevaar en zonder dat dood en verderf dreigden, mogelijk te maken. Het Scheppingsverhaal geeft ons, in dezen zin, niet het normale bericht van een geleidelijke ontplooiing en schepping zonder hindernissen, maar integendeel van een schepping, waarin reeds zeer vroeg geweldige beroeringen zich voordeden. En blijkt nu, dat desniettegenstaande, als op den avond van den Zesden dag alles voleind is, het geheel een harmonisch saamstel oplevert en het met name voor den mensch alles zóó is ingericht, als het, met het oog op zijn verreikende bestemming, z^n moest, dan was het resultaat immers, dat al wat dreigde alsnu ondervangen was, en dat op de vraag, of het gelukt was wat verstoring scheen aan te brengen, af te weren, niet anders kon geantwoord worden dan dit ééne: elijk 't nu geworden is, is het al te zaam „zeer goed". Als cea kundig chirurg een oog, dat ernstig gewond werd, weer zóó weet te genezen, dat het gezichtsvermogen hersteld werd, betaalt ieder hem gaarne den tol zijner bewondering, en getuigt als om strijd een ieder, die er van hoort, dat wat hij tot stand bracht, zeer goed was. Ja, we kunnen nog verder gaan. Na de Schepping is ook de mensch gevallen. De demonen traden hem ter neder. Uit dien val van den mensch is ellende, dood en verderf opgekomen. Maar ook daar ging Gods heilig bestel tegen in. Genade worstelde tegen zonde en vloek. En als nu dat groote werk der Verlossing in zal gaan, zingen Gods engelen in Ephratha's velden den God van alle genade het: Eere zij God in de hoogste hemelen" toe, en grijpt verbazing heel het engelenheir aan, juist wijl ook dit tweede werk zqner Almacht zoo zeer goed was.

Zelfs mag gevraagd, of de sterke uitdrukking: eer goed, niet eerst bij deze opvatting tot haar recht komt. In wat vooraf gaat, komt die uitdrukking zoo niet voor. Daar beet 't aldoor in gematigder toon: En God zag dat het goed was". Meer niet. Zelfs b^ de ontzagl^ke schepping van heel 't Armament, waarbg óns allicht hooge verrukking had aangegrepen, en sterker woord ons ontlokt was, blijft het even rustig, kalm en gematigd: En God zag dat het goed was." Moet er dan toch niet oorzaak of althans aanleiding zijn geweest, om nu aan het eind, b^ het overzien van het geheel, van deze rustige wgze van uitdrukking af te gaan, en nu op eenmaal te spreken van: eer goedf Hangt dit zelfs niet samen met onze menschelijke manier van ons te uitea? Heeft een kunstenaar een schilderstuk gepenseeld, dan geven we hem, naar de mate van z^n talent is, lof en eere, maar is een prachtschilderij door moedwil of ongeval gescheurd of verminkt, en gelukt 't dan aan een kunstenaar dit zoo te herstellen, dat ge niets meer van het ongeval merkt, en 't u weer als In normalen staat toespreekt, dan ligt 't in onzen aard, dit heel andere kunststuk als van nog hooger orde op te vatten, en te zeggen, wat heeft h^ dit h wonderbaar keurig weten te doen. Ziende hoe uitnemend de toeleg om de breuk te herstellen, gelukte, hebben we dan waarlijk behoefte om voor onze bewondering een sterker uitdrukking te kiezen, en juist dan is het: zeer goed" zoo precies op zi§n plaats. d Passen we dit nu op het Scheppingsverhaal toe, gelijk dit in Gen. i zich eenigiijk met deze aarde en al wat bij haar behoorde, inlaat, dan komt 't alles o, zoo volkomen tot z^n recht, indien we bi§ de enkele scheppingsprocéde's alleen van goed gesproken vinden; maar als tenslotte het geheel overzien wordt, en nu uitkomt hoe heerlijk de breuk in de engelenwereld, met haar gevolgen voor de dierenwereld, ondervangen is, dan wordt de sterkere uitdrukking als vanzelf gekozen, om de bewondering voor het nog keuriger en nog fgner ingericht kunstwerk uit te drukken, en heet 't nu: En God zag dat 't mr goed was", n d a s o d d r G u We staan dus voor deze gegevens, dat blijkens de resultaten die het onderzoek van de aardkorst ons oplevert, en over wier samenstel geen verschil van gevoelen kan bestaan, geheele perioden van het dierenrijk aan het optreden van den mensch z^n voorafgegaan, en dat reeds in deze eerste perioden niet alleen het tamme, maar ook het wild gedierte aanwezig was, In Gen, i : 24 lezen we dan ook, dat op den zesden dag niet alleen het tamme vee, maar ook het wild gedierte gezien werd. Dit sluit in zich, dat er moord van dier op dier mogelijk werd, en alzoo de dood reeds zi^n intocht In het dierenrijk had gehouden. Is nu de dood van het dier en de dood van den mensch één in strekking, zoodat hetzelfde den mensch wedervaart wat 't dier wedervaart, en staat er dat de dood eerst om des menschen zonde intrad, dan moet er natuurlek reeds vroeger een geheel andere oorzaak van 's menschen val geweest zijn, die in het dierenrijk deze verwoesting aanrichtte. En deze verwoesting nu in het dierenr^k, die aan 's menschen val voorafging en er dus niet uit te verklaren is, wordt dè.a 't best begrepen, zoo we haar in verband brengen met den va! in de geestenwereld. Iets wat nog te meer waarschijnlijk wordt, waar de demon der demonen straks In staat blgkt om een dier te gebruiken, teneinde zoo mogelijk den mensch te verleiden,

Niet minder trekt 't daarbij de aandacht, dat de schepping der dierenwereld in twee scheppingsdagen uiteenvalt. Het is niet alzoo, dat op den v^fden dag heel het dierenrijk tot aanzijn komt; veeleer wordt op den vijfden dag alleen het rijk der visschen en vogelen geschapen, en eerst op den zesden dag het rijk van de landdieren en de wereld der menschenkinderen. Hierdoor was dus vanzelf een nauwer betrekking gelegd tusschen den mensch en het landdier, dan tusschen den mensch en wat krioelt in de wateren of vliegt door het luchtruim. Juist in dit landdier school voor den mensch het wezenlijke gevaar. Ook haai en gier schaden, zoo ze met den mensch in aanraking komen, maar toch staan mensch en landdier in veel nauwer samenhang, en hoezeer satan zeer wel een vogel had kunnen bezigen om den mensch ten val te brengen, werd er toch een landdier toe gekozen. Vragen we nu, wat ons verder in verband met 's menschen val van de landdieren geopenbaard wordt, dan is er zeker één dier dat na 's menschen val een vernedering en verwildering ondergaat, t, w, de slang, DÈ slang wordt vervloekt, en wel hiertoe ver> vloekt, dat hij veroordeeld wordt tot het nu voortaan leiden van een kruipend bestaan en tot een eten van het stof der aarde. Doch let er nu op, hoe er uitdrukkel^k bgstaat, dat de vloek, voor wat de dierenwereld aangaat, eenigiijk de slang treft, en niet de overige dieren. Zoo toch staat er: Dewijl gij, o slang, dit gedaan hebt, zoo zijt g^ vervloekt boven al 't vee en boven al 't gedierte des velds", wat niet zeggen wil, meer dan 't vee en 't gedierte des veids, maar dat de vloek op de slang lleen is gelegd. Natuurlek ligt hierin niet uitgesproken, dat de vloek, die door des menchen val over de aarde is gekomen, niet ok het dierenrijk in zijn geheel geraakt heeft, maar wel staat vast, dat de Schrift de gevolgen van Adam's val niet In de eerste plaats en niet voornamelijk o^ de dierenwereld doet neerkomen. Later zal op dit punt nader zijn in te gaan, doch reeds thans dient er op gewezen, dat Genesis 3 : 17 bij de aankondiging vanden vloek dio uit 's menschen val volgt, niet w^st op het dierenrijk, maar uitsluitend b^na op het plantenr^k, zoodat zelfs de vervloeking van de slang hier buiten valt. Ge moet toch wel onderscheiden tusschen tweeërlei: usschen wat volgt uit wat de slang misdeed, en tusschen hetgeen voortvloeit uit 's menschen zonde. Wat nu hier ds slang treft, overkomt dat dier niet om 's menschen zonde, maar omz^n eigen gruwel. Er staat toch uitdrukkel^k, niet: omdat de mensch viel", maar: dewijl gij dit gedaan hebt". Hier is dus sprake van een straf die voor de slang op eigen schuld volgt. Komt daarentegen het verhaal toe aan den vloek, die van 's menschen val uitgaat, ; dan Is er noch van de slang noch van eenig ander dier sprake, en richt zich het oordeel der vervloeking op het plantenrijk. Er staat toch in Gen. 3 : 17 zoo scherp belijnd als 't slechts kan: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw en van dien boom gegeten hebt, waarvan ik u geboden had, gg zult daarvan niet eten, zoo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt". En nader wordt deze vloek die voortaan ophetaardr^k zal rusten, vertolkt In deze woorden: Het zal u doornen en distelen voortbrengen, en met smart zult gij van het aardrijk sten al de d^en uw$ levens". Hier, waar we de omschrijving van den vloek voor ons hebben, is alzoo met geen woord van het dierenrijk melding gemaakt, en al volgt hieruit geenszins, ^ dat de vloek ook niet gevolgen had in het dierenrijk, toch gaat het i^et aan om het voor te stellen, alsof de kolossale verandering die In het dierenrijk heeft plaats gegrepen, uit den val van den mensch zou te verklaren zijn. Ware dit zoo geweest, dan had er dit hier bij moeten staan. Nu daarentegen wordt alleen van de slang gesproken, en dan nog wel van de slang als gevloekte niet om wat de mensch, maar om wat zij zelf deed. Zoo komt ge dus altoos weer terug op hetzelfde dilemma: f God de Heere moet de dierenwereld oorspronkel^k geschapen hebben met alle verslinding en vernieling en moordzucht en gruwelijkheid, die ze thans nog vertoont, oftewel er moet uit geheel andere oorzaak dan ter oorzake van 's menschen val, reeds vooraf een geweldige verandering in het dieren^'k hebben plaats gegrepen, die haar verklaring dan niet moet vinden in den val van den mensch, maar in den 'val van de geestenwereld.

Dat hiervan in de Schrift gansch geen melding geschiedt, kan alleen dan verwon-. deren, zoo men het Scheppingsverhaal verkeerd opvat en het neemt als een verhaal van de Schepping van alle creaturen. Dit echter kan niet. Heel het verhaal uit Gen. I bespreekt de Schepping eenigl^k in verband met onze aarde en met den mensch. Van de geestenwereld is met geen woord sprake. Een verzwgging die allerminst bedoelt, hetzij het bestaan van een geestenwereld te ontkennen of haar val te verbloemen, want terstond in Gen, 3 wordt de satan als gevallen demon ingevoerd, wordt die satan voorgesteld als met het dierenrijk in natuurverband staande, en als de verstoorder van den wereldvrede. Doch al komt dit in Gen, 3 duldel^k uit, toch wordt in Gen, i noch van de schepping der engelen noch van den val der geesten ook maar iets gemeld. Dit alles wordt wel ondersteld, maar er wordt geen melding van gemaakt. In verband hiermee nu kan 't allerminst bevreemden, dat ook van de gevolgen, die de val.der geesten voor het dierenrijk gehad heeft, met geen woord gerept wordt. Alleen wordt het feit geconstateerd, dat toen de mensch optrad, er reeds „wild gedierte" was. Waarom en hoe dit wild geworden was, en thans de wreede, zucht in zich had om mensch en vee aan te vallen en te verslinden, wordt niet verklaard, en eerst In later eeuwen heeft de aardkunde een tip opgelicht van den sluier die dit alles bedekte.

Juist hierom echter is het van zoo hoog belang, dat ons gemeld wordt, hoe de pas geschapen eerste mensch reeds terstond met het gedierte des velds in aanraking, niet zoo maar kwam, maar door God zelf gebracht werd. Zij, die zich nog steeds voorstellen, alsof In het paradijs van elk soort dieren één paar omzwierf, en alsof de leeuw met het lam, en de tijger met het paard, en de beer met den mensch reeds in het parades in de verhouding stonden, waarin wi^ nu nog tegenover het wild gedierte staan, stuiten hier op een ondenkbaarheid die ze niet verklaren kunnen. De mensch stond nog geheel ongewapend, terwgl leeuw, t^ger en beer reeds hun vernielend en overweldigend vermogen bezaten. Hoe zou dan de mensch in staat zijn geweest, zichzelf en het landvee te verweren, zoo niet een geheel andere macht tusschenbeide ware getreden. Zonder zulk een intreden van een andere macht zou in één maand t^ds alle landvee gemoord en verslonden zijn geweest, en even spoedig Adam zelf vernietigd zijn, om ten slotte niets dan het wild gedierte te doen overblijven. Dit nu kon Immers niet. En daarom is het paradijsverhaal onverstaanbaar en onverklaarbaar, tenzij ge met die andere, geheel zelfstandige macht rekent, waarvan wij nu nog soms In den dierentemmer een zwak overbl^fsel bewonderen, en hierop wordt dan vanzelf gewezen door het feit, dat God de Heere alle dieren tot Adam bracht, om te zien hoe hij ze noemen zou. Dit toch ware volstrekt ondenkbaar geweest, zoo de eerste mensch niet in het bezit ware geweest van een temmende macht, waarbij de temkracht van den besten diertemmer van thans schier verdwijnt. Er Is geen sprake van, dat Adam, toen hg tegenover die machtige menagerie stond, door angst zou z^n aangegrepen geweest; dan toch had h^ z^n taak van bet doorzien en doorschouwen van denaard en de natuur der dieren en het uitdrukken hiervan in het menschel^k woord nimmer kunnen vervullen. Bezat nu Adam en straks Eva zulk een temmend vermogen, dat hen in veiligheid stelde, en werd evengelijk bedwang ook van Godswege rechtstreeks op de wilde dieren uitgeoefend, dan verklaart ^ch aUcs^QS geleidel^k, hoe, niet-

tegenstaande het gedierte reeds als gevolg van den val der engelen verwilderd was, toch een saamleven van dit wild gedierte met den mensch en met het tamme vee zich terstond na de voleinde Schepping denken liet, en hoe eerst later, van lieverlede, toen de vloek, die uit 'smenschen val volgde, z^n werking steeds verder deed ingrijpen, een toestand is opgekomen, waarin 's menschen temkracht daalde, daarentegen z^n gewapend verweer in macht toenam, en alzoo geleidelijk juist zulk een toestand is opgekomen, als waarin thans w^ en het gedierte met ons zich bevinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1913

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1913

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken