Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ouders of getuigen?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ouders of getuigen?

9 minuten leestijd

V.

Mits de onderscheiding wel in acht worde genomen, waarop we in ons voorgaand artikel wezen, kan de tweede conclusie der Amsterdamsche Synode, dat de kinderen van doopleden als „zaad der Kerk" moeten beschouwd worden en dienvolgens recht hebben op den doop, als juist vor< den erkend. Misschien ware het beter ge. weest, tot voorkoming van misverstand, dat de Synode het begrip „doopleden" oop nader omschreven had; maar noodzakelnk was dit niet. De voorafgaande Synode te Groningen had toch het rapport over de tucht op de doopleden aangenomen ea daarmede uitgesproken, dat zulke doop. leden, die een onchristelijk leven leidden of geheel onverschillig tegenover de religie waren, daarmede als ongeloovigen openbaar waren geworden en van de gemeente behoorden afgesneden te worden. Wanneer de Synode te Amsterdam van „doopleden" sprak, dan bedoelde ze daarmede dus niet zulke „ongeloovige" doopleden, die niet in de Kerk hooren, maar kon ze alleen het oog hebben op die doopleden, die, al hadden ze nog geen openbare belijdenis des geloofs afgelegd, toch naar den aard der liefde nog in zekeren zin voor geioovigea gehouden worden. Alleen over de kinderea van zulke doopleden handelen we hier wanneer we in de tweede plaats het recht op den doop van deze kinderen willen aantoonen.

We stellen dit zoo beslist op den voorgrond, omdat, waar we een beroep doen op de historie der Gereformeerde Kerken we daarom geenszins voor onze rekening willen nemen of goed durven pleiten, wat men wel eens de „Gereformeerde doopspract^k" uit vroeger eeuw heeft genoemd, Principieel stonden onze vaderen natuurlek volkomen zuiver, waar ze eenparig beleden, dat de doop alleen toekomt aan de kinderen der geloovigen. Maar in de pract^k kwam van dezen regel al zeer weinig terecht, gelijk ieder, die de geschiedenis dier dagen kent, wel weet. Misschien Is het wat al sterk uitgedrukt, wanneer men zegt, dat als regel gold: doop al wat in het doophuis gebracht wordt, maar veel scheelde het in de pract^'k niet. Op de vraag: „of men allerlei menschen kinderen als van hoereerders, afgesnedenen, [papisten, en andere dergel^ken zonder onderscheid doopen zal? " antwoordde de Synode van Dordrecht in I5f8: „overmits de doop den kinderen, die In het verbond staan, toekomt, en het gewis Is, dat deze kinderen niet bulten het verbond zijn, zoo zal men hen van den doop niet weren". Als men dan ook nagaat, wat Dr. H. J; Olthuis in zijn interessante dissertatie: De doopspractijk der Gereformeerde Kerken in Nederland 1508—1816 desaangaande vermeldt, ziet men wel tot wat ergerl^ke ontheiliging van het Genadeverix> nd deze laksheid in de pract^k leidde. Vondelingen, van wier ouders niets bekend was, kinderen uit publieke boerenhuizen afkomstig, kinderen van openbare goddeloozen, ja zelfs kinderen van rondtrekkende half heldensche zigeuners, alles werd gedoopt. Het was de valsche idee der volkskerk, die de doopspractijk onzer vaderen in verkeerde banen geleid heeft. Wat vooral hier zjjn fatalen Invloed gelden deed, was dat men wat voor Israel gold maar zonder onderscheid op onze dagen overbrengen ging, en daarbij geheel het onderscheid uit het oog verloor tusschen de nationale Kerk In Israel en de Kerk des Nieuwen Verbonds. Aangezien de Gereformeerde vaderen het recht van den kinderdoop injioofdzaak daarop grondden, dat „de doop In de plaats der besn^'denis gekomen was", en de besn^denis ali sacrainent ook voor de kinderen verordend was, meende men daaruit te mogen afleiden, dat al wat als regel voor de besnijdenis onder Israel gold, dus ook gold voor onze dagen. Daarmede was de volkskerk-idee gered, want de besngdenis onder Israel was metterdaad een z^^/zl^-sacrement. Bij de besnijdenis werd niet gevraagd, of de ouders van het kind geloovigen waren, maar alleen of ze tot Israel als z'oZ^ behoorden, en indien dat maar vaststond, mochten, ja moesten de kinderen besneden worden. Dat ging zelfs zoover, dat toen het tienstammenrp van den dienst des Heeren afviel en de kalverendlenst in Bethel oprichtte, ja nog erger, onder Achab's regeering de Baülsdienst als publieke religie werd ingevoerd, de tKsnijdenis toch nog altoos b^ deze afgodendienaars in zwang bleef. Afgekeurd hebben de profeten van Israel dit nooit; ze hebben veeleer In die besn^'denis een aanknoopingspunt gezocht om het volk te overtuigen van zijn afval en zonde tegen God. Zelfs worden de kinderen van zulke afgodendienaars nog altoos „, Gods kinderen" genoemd, omdat ze tot Israel behoorden en het teeken des verbonds ontvangen hadden. En op dezen grond werd dan geoordeeld, dat ook nu al wat te midden van een Christenvolk geboren werd, hoe ver de ouders ook van de Christel^ke religie waren afgeweken, den doop behoorden te ontvangen. De zoon zou Immers niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en naar het oordeel der liefde had men zulke kinderen nog altoos voor het „zaad der Kerk" te rekenen.

Hiertegen nu zgn de Independenteo volkomen terecht opgekomen, en ze hebben weer ernst gemaakt met den regel, dat de doop alleen toekwam aan de „kinderea der geloovigen". In de scherpe critiek, die ze op de volkskerk hunner dagen uitoefen^ den, schuilt dan ook een goed deel waarheid, en de beste Gereformeerde schrijvers, bijv. een Voetlus, hebben in menig opzicht de juistheid van die critiek erkend. We betw^felen dan ook, of er zelfs in de Hervormde Kerk Gereformeerden zouden te vinden zijfli die, hoezeer ze met de volkskerk dwepen, de geheele doopspraktijk onzer vaderen voor hun rekening zouden willen nemen. En althans in onze Gereformeerde Kerken, die met de volkskerkidée voor goed gebroken hebben, staat men tegenover den doop geheel anders dan onze vaderen. Men heeft terecht Ingezien, dat zulk een opvatting van den doop leidt en leiden moet tot eeo voortdurende ontheiliging van het geoade* vtrbond en l^nrecht Ingaat tegen de Nieuw-

Testamentische Idee van de gemeente. In irooricM heeft de critiek der Independeoten dus metterdaad goede vruchten gedragen.

Maar uit reactie tegen de valsche volkstfifk «P d« Independenten ook op hun hfuft wel eens te ver gegaan, door als Lloovigen" alleen diegenen te erkennen, ie door openbare belijdenis des geloofs In de Kerk zich verbonden hadden, en dienvolgens als regel te stellen, dat alleen 1 kinderen van belijdende geloovlgen "doopt mochten worden. Juist hetzelfde Ldpunt dus, dat nog door menig-L in onze Kerken zoowel in Nederland !i. in Amerika thans wordt ingenomen. germede nu zi^n onze Gereformeerde Videren het niet eens geweest, en ze hebben dit zeer beslist als een der dwalingen en eenz^digheden van de Independenten afgekeurd en verworpen. Ea dat deden niet de voorstanders van de laksche doopspractijk, de mannen van het: doopt al wat In het doophuis ingebracht ffOfdt, maar degenen, aan wier zedel^ken erflst bij de heiUghouding van den doop niet getw^feld behoeft te worden. Dat de doop alleen toekwam aan de kinderen der seloovigen, stemden ze aan de Independenten toe, maar ze handhaafden tevens, dat het giet aanging allen, die nog geen bel^denis des geloofs hadden afgelegd, reeds daarom als „oageloovlgen" te qualfficeeren. Een eokel getuigenis van onze beste Gereformeerde schrijvers mogt dit aantoonen.

Zoo vraagt Voetlus In zijn Pol Eccl. Pars I. 11. p. 660: „of kinderen van ouders, die gedoopt z^n en In het algemeen het Christendom belijden, of die zelfs de Gereformeerde religie en Kerk gunstig gezind z^fl, maar die daarom nog niet door beli^'denls des geloofs en deelneming aan het Avondmaal in de eigenlpe gemeenschap der Kerk z^n lagelgfd, ; te doopen z^n[? " Enh^ geeft daarop dit antwoord: „de zonde van verzuim dat ze het Avondmaal verwaarloozen, keur ik niet goed en verontschuldig ik ook niet. En evemin keur ik goed, dat men zonder onderscheid de kinderen van alle mogelijke ouders, zonder vooraf onderzoek gedaan te hebben wie en wat ze zi^n, wanneer ze ten doop aangeboden worden, maar doopt. Men behoort derhalve, zooveel dat mogel^k is, acht te geven op de ouders die den doop bsgeeren; daartoe dient ia de Kerk een vaste orde gesteld te worden, en zoo moet de Dienaar met een zeker vertrouwen (ik bedoel daarmede een zekerheid, die op zedelijke gronden rust), dat hij met een kind van geloovige ouders te doen heeft, tot de bediening van den doop overgaan. Want de doop van kinderen van ongeloovigtn mag niet worden toegestaan." En na dan te hebben aangetoond, dat dit in wel gestelde Kerken ook niet plaats vond, gaat hij' aldus voort: „Dat sommigen echter het uitwendig genadeverbond al te eng opvatten en iüle Christenen die in leer of leven niet geregeld wandelen, zonder meer van de gemeenschap van dit verbond uitsluiten, zoodat ze van oordeel z^'n, dat alleen de belijdend* kdtn dtr Ktrk het voorrecht mo gen genieten van aan hun kinderen den doop te zien toebediend, dat kan ik allerminst goedkeuren.”

Evenzoo zegt Hoornbeek in zijn Summa Controversiarum, p. 799, waar hij over dit geschil met de Independenten uitvoerig spreekt: „Ten slotte disputeeren de Independenten ook met ons over de vraag, of de doop mag worden bediend aan een kind, waarvan geen der belde ouders beladend lidmaat is en in de gemeenschap der Kerk is opgenomen; wat zij oordeelen, dat in geen geval geschieden mag. Wi^' daarentegen, hoewel we zeer wel weten, dat het sacrament allerminst ontheiligd mag worden en derhalve niet anders dan aan de bondgenooten van Christus behoort gegeven te worden, kunnen het toch niet van ons verwegen, dat we de kinderen, geboren uit Christel^ke ouders, die aan Kerk aangeboden worden voor den doop, daarvan uitsluiten wegens het verzuim der ouders en omdat deze nog geen beladend lid der Kerk z^n en geen Avondmaalgangers; en we kunnen 't ook niet goedkeuren, dat Iemand zich aanmatigt, in plaats van God te willen oordeelen over de genade van Zgn verbond en hoever deze zich uitstrekt, « daarvan anderen te verw^deren of buiten e sluiten. We meenen, dat wQ In dergelijke twqfelachtige gevallen veeleer geneigd moeten zgn over anderen zachtmoedig dan al te gestreng te oordeelen." Hij beroept zich daarbg op Calv^'n, die in zijn brief aan John Knox van 1559 schreef, dat „waar M belijdenis van het Chrlstel^'k geloof nog niet geheel was ondergegaan of uitgebluscht, oe kinderen van hun recht beroofd zouden worden, indien ze eeweerd werden van }ye«> fenschappel^-ke teeken des Christendoms.”

Met deze enkele getuigenissen meenen w« te kunnen volstaan. Een man als Voeaus handhaaft even beslist als de Indepen-«nten, dat kinderen van ongeloovige ouders "« gedoopt mogea worden. H^ elscht afl'm "^^ elJ^e doopsbediening een persponif)k onderzoek naar de ouders, en de °oop mag alleen bediend worden, wanneer d' Predikant moreel de overtuiging heeft, w ng met geloovige ouders heeft te doen. U A "•***' "*« l^'n niet zoo st«k t«kreS: „* ^l, **^ daaronder aUeen die ouders S ^, "* beigdenis des geloofs ten ^vondmaal zijn toegelaten. Al wat daaruiten valt, ook de volwassen doopleden kafe^n^^f."*."; ' *°°' „ongeloovigen" te ver-Klaren, wil Voetlus niet. Wanneer ze nog »Qn.n 8**"' ^^ catechisatie trouw bij-Ge^eL'" °? ^ °P ^n^^e™ 'ijze toonen 4e maïme? "'^' «"gïe *« ^^^ toegedaan, ïulke!^ "**' **"* **" liefde van de nog het beste hopen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 maart 1913

De Heraut | 4 Pagina's

Ouders of getuigen?

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 maart 1913

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken