Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

Dr. J. H. Gerretsen, predikant bij de Hervormde Kerk te 's-Gravenhage en beslist voorstander der ethische richting, gaf onlangs een artikelenreeks over Flaats en Taak van de Hervormde Kerk, waarin verschillende uitspraken voorkomen, die zeker belangrijk genoeg zijn om er de aandacht onzer lezers op te vestigen.

In de eerste plaats heeft hij het over den plicht der Kerk om bare belijdenis te hand haven door oefening der tucht:

In dit artikel moet nu het moeilijke vraagstuk van de handhaving der belijdenis onder de oogeD worden gezien. Dit vraagstuk is moeilijk. Velen meenen, dat het onoplosbaar is. Ik ben niet van deze meening. Ware dit inderdaad het geval, dan zou daarmede tevens bewezen zijn, dat het bestaan van een Kerk eene onmogelijkheid was.

Een Kerk toch, die hare belijdenis niet handhaaft, die dus allerlei richtingen en stroomingen in haar midden duldt, welke misschien lijnrecht tegen de kern van hare belijdenis mgaan, vertoont een beeld van wanorde, dat met haar eigenlijk wezen in strijd is. Immers is de Kerk juist het levensterrein, waarop de macht der zonde moet worden gebroken. Zonde nu is egoïsme. Waar egolsine is, is alle samenwerking een onmogelijkheid. Waar zonde is, is disharmonie, anarchie. Heerscht - nu in de Kerk de anarchie, dan is zij precies het tegenovergestelde van wat zij wezen moet, n.l. plaats van openbaring van orde, harmonie.

Daarom moet er in een Kerk tucht, dat is orde gevonden worden.

Een Kerk zonder tucht is geen Kerk meer,

Deze dingen moesten toch eigenlijk vanzelf spreken

Dat velen een toestand van verwarring dragelijk, ja misschien wel normaal vinden, is een bewijs hoeverre wij van de waarheid Gods zijn afgeweken.

De confessioneelen, die tegen dezen toestand opkomen, staan verre boven alle fethischeni, die zich by dezen toestand, zonder eenig protest, neerleggen.»

In de tweede plaats komt hij op tegen de onjuiste idee der volkskerk en tcont aan, wjtarom deze idee aan het Oude Testament ontleend, in strijd is met de Nieuwe Testamentische opvatting van het volk Gods:

»Met deze beschouwing van den kinderdoop heb Ik mij, meen ik, den weg gebaand om te komen lot een juiste beoordeeling van het begrip volkskerk.

Schijnbaar is de opvatting van de Kerk van Christus als een gezin, een volk, aan de idee van de volkskerk gunstig. Inderdaad is zij dit niet, maar wordt zy er door veroordeeld.

Dit wil ik ten slotte in dit artikel nog aantoonen. Daartoe is allereerst noodig, dat ik het begrip volkskerk wat nauwkeuriger omschrijf.

Wat moeten wij eigenlijk verstaan onder een volkskerk, zooals onze Gereformeerde Kerk die kent?

Om deze vraag te beantwoorden, moet ik met een enkel woord wijzen op een eigenaardigheid van de Gereformeerde theologie, waardoor zij geheel wordt beheerscht.

De geheele Gereformeerde theologie is, ziehier de eigenaardigheid die ik bedoel, sterk Oud-Tes tamentisch gekletud. In hoeverre dit een voordeel of een nadeel is te noemen, Iaat ik thans onbesproken. Ik constateer alleen het feit. Nu is een der in het Oude Testament meest naar voren springende gedachten déze: dat God met het volk Israel een verbond heeft gesloten. Dit verbond strekt zich uit over het geheele volk. Iedere Israëliet behoort krachtens geboorte tot het verbond, dat God met het volk in zijn geheel heeft opgericht.

Aan de idee van de volkskerk nu ligt deze gedachte ten grondslag, dat gelyk God oudtijds met het volk Israel een verbond had opgericht, God nog aldus Zijn verbond opricht met volkeren in hun geheel.

Zoo spreekt b, v. John Knox altijd van een verbond door God gesloten met het volk van Schotland. Zooals oudtijds iedere Israëliet uit kracht van geboorte tot het verbond Gods met Israel behoorde, zoo behoort iedere Schot tot het verbond Gods, dat er tusschen God en Schotland bestaat.

Op déze basis van gedachte nu steunt de idee der volkskerk.

Een volkskerk is een kerk die het geheele volk omvat.

Zoo omvat onze volkskerk het geheele Nederlandsche volk, ook degenen — b.v. de Roomschen — die er feitelijk niet toe behooren willen.

Op dit standpunt moet tot den doop, als teeken van het met God gesloten verbond, een ieder, die tot het volk behoort, worden toegelaten.

Dat is éen der oorzaken van de breede doopspractijk in onze Kerk in zwang.

Men heeft met e? n gedoopte, dat is met een gekerstende natie te doen!

Deze veronderstelling nu, waarvan de gedachte van de volkskerk uitgaat, is m. i. beslist onjuist.

Zij gaat uit van de zeer zeker juiste veronderstelling , dat de Chr. Kerk een volk is Doch zij begaat daarbij de fout, de idee van volk in den natuurlijken zin des woords te nemen en als zoo danig óver te brengen op de Chr. Kerk. De Kerk is inderdaad een volk (= huis). Volk en huisgezin z^n de begrippen, waardoor' het wezen van de Kerk allereerst gekarakteriseerd wordt.

De Kerk is in eente instantie geen vergadering, geen vereeniging, maar een volk. Er is een volk Gods. Doch dit volk Gods is geen natuurlijke, maar een geestelijke grootheid. En voor het geestelijk begrip van volk Gods, zooals dat in het Nieuwe Testament gevonden wordt, substitueert de idee van volkskerk een bloot natuurlijk begrip van volk.

De Kerk van Christus is, als oudtijds Israel, een volk.

Maar dan een geestelijk volk, wil men een mystiek volk, — geen volk in den natuurlijken Oud-Testamentischen zin van het woord.

Op grond van het bovenontwikkelde meen ik, dat de idee van de Volkskerk fout en onschriftuurlijk is.

Er schuilt waarheid in deie idee.

Zij erkent, dat de Kerk is een volk.

Toch is zij onjuist, omdat zij vergeet dat Israël een afschaduwing is van wat het wezenlijke volk Gods zijn moet.

De Volks-Kerk-idee neemt de Oud-Testamentische idee van volk onmiddelijk over.

Dat is verkeerd.

Het Oude-Testament schaduwt af, maar is niet de waarheid zelve.«

Dr. Gerretsen beweert hier precies hetzelfde, wat meermalen door ons tegen Dr. Kromsigt en de z^t^en is aangevoerd.

Terwijl eindelijk niet minder kras is, wa Dr. Gerretsen zegt over de breede dooppractijk, die een noodzakelijk gevolg is van de volkskerkidee :

....terwijl ik den Kinderdoop handhaaf, meen ik, dat de ruime doopspiraktijk in onze Kerk in gebruik, die zoo nauw samenhangt met de idee van volkskerk, onjuist is.

Niet de kinderen des volks als soodanig kunnen en mogen worden gedoopt, maar alleen, zooals ook ons doopsiormulier zegt, de kinderen der geloovigen, d.i. de kinderen van het ware volk & > ds. Onze breede doopspraktijk is een der oorzaken van het diepe verval van onze Kerk. Door deze breede doopspraktijk is de wereld in breede stroomen onze Kerk binnen gestroomd en is zij ten slotte door de wereld overwonnen.

Iets, van wat ik hier schrijf, zal dunkt mij een ieder wel eens hebben gevoeld, die getuige is geweest van een doopsbediening in onze Kerk, waar de doop aan de groote massa wordt toegediend. Een onstichtelijker dienst is wel niet denkbaar. Mij persoonlijk is het althans een ware beproeving üi zulk een dienst te moeten voorgaan.

Men doopt maarl Ongecontroleerd stroomt een wilde menigte het heiligdom binnen en wordt, o gruwelijke leugen, aangesproken en behandeld als een vergadering van geloovigen !

Van zulk een breede doopsbediening als in onze Kerk in gebruik is, kan eigenlijk alleen maar op Roomsch standpunt sprake zijn, waar men aanneemt, dat in het doopwater, dat door het woord van den priester van een element tot een sacrament is geworden, een geheimzinnige kracht tot afwassching van zonden gevonden wordt. De Roomsch-KathoUeke Kerk kan desnoods een ieder doopen.

Doch waar men dit tooverachtig-sacramenteele standpunt verwerpt, is de doopsbediening aan de massa feitelijk een onmogelijkheid geworden.

Tenzij dan, dat men in de doopsbediening enkel een gelegenheid ziet om de aanwezige ouders, die anders zelden of nooit onder de prediking des Evangelies komen, een vermanend woord toe te voegen. Indien men dit met den doop bedoelt, dan organiseere men liever op de manier van he Heilsleger een thee-meeting in de Kerk.»

Ook hier staat Dr. Grerretsen weer principieel aaa onze zijde en toont hij meer oog te hebben voor de ernstige gevaren aan deze dooppractijk verbonden, dan Ds. Lingbeek, die eenigen tijd geleden die praciijk nog verdedigde tegenover de ieer juiste bedenkingen door Dr. A, Kuyper Jr. daartegen ingebracht.

We danken bovengenoemde citaten aan de Waarheidivriend, die ze ons onder de oogen oracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 april 1913

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 april 1913

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken