Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de breking des broods.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de breking des broods.

11 minuten leestijd

II.

Het eenige argument, dat men aanvoert om te bewijzen, dat Calvijn aan de breking des broods bij het Avondmaal geen waarde hechtte, of zelfs, gel^k Prof. Kruyf het uitdrukte, sterk daartegen was, Is, dat in de door Calvijn opgestelde liturgie van Gecève over de breking des broods niet gesproken wordt.

Nu Is het volkomen juist, dat in de Geneefsche liturgie, die in 1542 het licht zag onder den titel: La forme des priêres et chants ecclesiastiques, van de breking des broods bij het Avondmaal geen melding wordt gemaakt. In het breed uitgewerkte didactische of leerstellige gedeelte, waarin e beteekenis van bet Sacrament wordt iteengezet, wordt zelfs nergens op deze eremonie gezinspeeld, en in het ritueele edeelte, dat over de wqze handelt, waarop en communiceeren zal, komt evenmin een oorschrift aangaande het breken des broods oor. Er staat alleen, dat de Dienaren het brood en den beker aan het volk zullen itdeelen, na hen vooraf vermaand te hebben, at ze met eerbied en in goede orde na^r den Disch zullen gaan (Calvini Opera ed, Baum Cunitz en Reuss, t. VI, p. 200). Soberder kan het wel niet. Ons Avondmaalsformulier schrijft uitdrukkelijk vcor, dat de Dienaar het brood zal breken en daarbij zeggen zal: Het brood, dat wij breken, is de gemeenschap des lichaams van Christus. In het Geneefsche formulier wordt noch de breking des broods noch het gebruik van deze sacramenteele formule voorgeschreven. Het Is daarom wel te begritjpen, dat men gemeend heeft op dit punt een belangrijk verschil te kunnen constateeren tusschen de wijze, waarop het Avondmaal in onze Kerken en in die van Geneve gevierd werd.

Toch gaat men te ver, wanneer men uit het stilzwijgen van het Geneefsche formulier over de breking des broods wil afleiden, dat deze ceremonie daarom te Geneve niet plaats vond of dat Calvijn tegen deze rite gekant was. Het argumeutum e silentio, d.w.z. het bewijs aan het stilzwijgen ontleend, is altoos een gevaarlijk wapen om te hanteeren; de negatieve critiek bedient er zich bi^ voorkeur van, maar de ernstige r historicus zal zich wel dubbel bedenken, . voordat hij dit argument gebruikt en daarop zoover gaande conclusies bouwt, als Prof. Gooszen en zijn navolgers hebben gedaan. Ea dat geldt hier te meer, omdat Calvijn meermalen zich over de wijze van Avondmaalvieren en ook over de breking des broods heeft uitgelaten, zoodat het waarlijk zoo moeilijk niet valt Calvijn's denkbeelden op dit punt te weten te komen, Had men zich de moeite gegund de werken van Calvijn nauwkeurig te onderzoeken, dan zou men terstond gezien hebben, hoe averechtsch de voorstelling is, dat Calvijn tegen de breking des broods was.

Gaan we daarom eerst na ws^t Caivgn over dit vraagstuk heeft geschreven, dan is nl. de hoofdbron om Calvijn's denkbeelden te leeren kennen, de Institutie. Nkt de liturgie van Geneve, maar de Institutie is het boek geweest, waardoor Calvijn invloed op onze Kei ken heeft uitgeoefend, en de vraag of iets als speciflek Calvinistisch is te beschouwen kan, niet worden uitgemaakt door een beroep op de liturgie van Geneve die, Ik zal dit later aantoonen, slechts gebrekkig Calvgn's denkbeelden over den eeredlenst weergaf; maar moet dit beslist worden door het standaardwerk, waaraan Calvgn heel zijn leven heeft gearbeid, waarin hij het klaarst en duidelgkst zijn gedachten heeft neergelegd en dat dan ook het meest de ontwikkeling van het Gereformeerde leven heeft beheerscht.

Slaat men nu het IVe boek van de lastltutie op, het 27e hoofdstuk, waar Calvijn over het Avondmaal handelt, dan blgkt reeds uit de uiteenzetting, die hij van het Avondmaal zelf geeft, dat Calvijn wei degelijk waarde hechtte aan de brekicg des broods.

In § 10 haalt hij de woorden van Faulus uit I Cor. 10, 16 aan: het brood, dat wij breken, is de gemeenschap des lichaams van Christus, en laat daarop volgen: „Niemand behoeft hier tegen te werpen, dat dit een flguurlijke wijze van spreken Is, waardoor de naam van de beteekende zaak op het teeken wordt overgedragen. Ik beken wel dat de breking des broods een symbool Is en niet de zaak zelve, maar dit vastgesteld zijnde, zoo zullen we nochtans uit het geven van het symbool met recht besluiten, dat ook de zaak zelve gegeven wordt. Indien derhalve de Heere door de breking des broods de deelachtigheid aan zijn lichaam ons waarl^k voor oogen stelt, zoo moet men voor zeker houden, dat hij die waarlijk geeft en volbrengt". Reeds deze sterke uitdrukkingen stellen het buiten allen twijfel, dat Calvin niet tegen de breking des broods kan wezen of haar een onverscli!!llge ceremonie bij het Avondmaal kan achten, want hij zegt uitdrukkelijk, dat Christus door de breking des broods ons de gemeenschap aan zijn lichaam heeft v/illen afbeelden.

Niet minder duidelijk laat Calvijn zich voorts uit, waar hij, aan het slot van zijn betoog, handelt over de uitwendige riten of ceremoniën, die bij het Avondmaal behooren plaats te vinden (§ 43). Calvijn Is op 't stuk der ceremoniën zeker niet enghartig; bij verklaart vooraf, dat er hem niet veel aan gelegen is, of de geloovigen het brood in de hand nemen of niet; of ze het onder elkander verdeelen dan wel of ieder eet, wat hem gegeven wordt; of ze den drinkbeker na gedronken te hebben teruggeven in de hand van den diaken (die met den beker rondging) of aan hun naaste overhandigen; of het brood gezuurd of ongezuurd is; of de wijn rood of wit is. Dat alles, zegt hij, zijn middelmatige zaken en die In de vrijheid der kerk zijn gesteld. Maar de breking des broods rekent bij daaronder blijkbaar niet, want als hij daarna beschrijft, hoe het Avondmaal bediend moet worden, zegt hij: „dat men beginne met de gemeene gebeden; dat daarna een predicatie gehouden worde; dat vervolgens de Diecaar, het brood en den wijn voor zich op tafel hebbende, de Instelling des Avondmaals herhale; daarna de beloften verkoadige, die daarin ons zijn nagelaten en tegelijk allen excommuniceere, die door het verbod des Heeren van het Avondmaal geweerd worden; dat men daarna bidde, dat de Heere, gelp Hij ons door zijne goedertierenheid dit heilige voedsel gegeven heeft, ons ook onderwijze en schikke om het door het geloof en met dankbaarheid des harten te ontvangen. Dat men dan of Psalmen zinge of Iets leze en dat de geloovigen met beta­

melijke orde de heilige spijze deelachtig worden, terwijl de Dienaren het brood breken en aan het volk geven". Er is dus geen sprake van, dat het brood reeds gebroken op tafel zou komen. Calvijn maakt duidelijk onderscheid. Hij zegt eerst, dat brood en wijn op tafel aanwezig moet wezen, en daarna pas, wanneer het volk nadert om te communiceeren, moet de Dienaar het brood breken. Voorts is wel opmerkelijk, dat deze passage, waarin Calvgn als 't ware een volledige schets gaf van de liturgie van het Avondmaal, reeds in de oudste uitgave van de I& stitutie voorkwam en daarna onveranderd in alle volgende uitgaven is overgenomen. Zoodra Calvijn in 1536 optrad, voordat er nog sprake kon wezen van invloeden door Straatsburg of andere Duitsche Gereformeerde Kerken op hem uitgeoefend, had Calvijn dus reeds zijn denkbeelden gevestigd, hoe de Avondmaalsviering behoorde te worden ingericht en legde hij op de breking des broods bij het Avondmaal nadruk.

Niet minder blijkt dit voorts uit de exegetische werken van Calvijn. In zijn commentaar op I Cor. 10 : 16 teekent h^ bij de woorden: het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus" aan: Hieruit blijkt, dat het de gewoonte was der oude Kerk om voor ieder (Avondmaalganger) van één brood zijn deel af te breken, opdat daardoor te beter vooroogen zou gesteld worden de vereeniging en saamvoeging van alle geloovigen tot het ééne lichaam van Christus. En uit de getuigenissen van hen, die in 'de drie eerste eeuwen na de Apostelen in de Kerk met roem bekend zijn geweest, blqkt, dat deze gewoonte nog lang onderhouden is geweest; daarna kreeg de superstitie de overhand, dat de priester het brood, dat niemand met de hand dorst aanraken, hem in den mond moest inbrengen" (Opera Calviui t. XLIX p. 465). En in de predikatie, die hij over I Corinthe hield, liet hij zich nog beslister uit: Laat ons, zegt hij, den stgl en taal van den Heiligen Geest behouden, opdat we weten mogen, wat het geoorloofde en goedgekeurde gebruik der Sacramenten is, die de Heere Jszus Christus ons heeft gegeven, en dat we daarvan niet ontaard en verbasterd mogen zijn^ gelijk we zien, dat de geheele wereld in het gevloekte Pausdom geweest is en nog is, ja we zien hoe alles bedorven is, zelfs in die dingen, die van weinig beteekenis schenen. Zoo wanneer de heilige Apostel spreekt van het brood, zegt hg: et brood, dat w^ breken. Hij zegt niet: e kleine ronda ouwelij ss, die u in den mond gestopt worden, maar hij zegt het brood, dat wg breken, om aan te duiden, dat we daar komen om gemeenschappelijk te communiceeren. Maar wat ziet mee? in alles en overal schijnt men God te willen vertoornen, j^i te wilen vernietigen al wat onze Heere Jezus Christus (die alleen onze Mee& ter en Leeraar is) heeft bevolen, en dat onder den voet te willen vertreden. Dat men dan, ziende welk een geest van opstand en rebellie in de wereld heerscht, daartegen weerstand biede en Gode dank brenge, dat Hij niet gewild heeft, dat wij in zulke vuiligheden en verfoeiselen verzonken bleven" (Calvini Opera t. XLIX, p. 666).

Kan vooral uit dit laatste getuigenis reeds met groote waarschgnlijkheid worden afgeleid, dat te Geneve zelf bij het Avondmaal de breking defs broods plaats vond, nog veel sterker bewijs daarvoor hebben we in het belangrijke aktestuk, dat Calvijn en Farel in 1538 hebben toegezonden aan de synode te Zurich. De aanleiding tot dit stuk moge hier kort worden meegedeeld om het rechte licht er op te doen vallen. Beide trouwe dienaren Gods, Farel en Calvijn, waren destijds door de Overheid te Geneve uit hun ambt gezet en uit Geneve verbannen; men hoopte echter, dat de synode, die juist te Zurich saam zou komen, een poging zou aanwenden om dit verbanningsdecreet te doen intrekken en Farel en Calvijn weer in hun ambt te herstellen. Farel en Calvijn zonden daarom aan deze synode een verklaring, op welke punten ze bereid waren toe te geven. Nu liep de twist tusschen de Overheid en de leiders der Reformatiete Geneve destgds in hoofdzaak over de invoering der zoogenaamde Bsrner ceremoniën. Te Bern, dat een zekere oppervoogdij over Geneve uitoefende, wilde men, dat de predikanten te Geneve zich geheel schikken zouden naar de kerkelijke ceremoniën te Bsrn gebruikelijk, en de Overheid te Geneve had aan dien eisch toegegeven.

Zoo gebruikte men te Bern nog altoos ongezuurd brood of ouwels, evenals in de Roomsche en Luthersche Kerk, en wilde men, dat dit gebruik ook te Geneve zou gevolgd worden. Calvijn nu verklaarde zich bereid in zooverre aan dezen wensch toe te geven, dat men voortaan te Geneve bij het Avondmaal ongezuurd brood zou gebruiken, maar hij stelde daarbij uitdrukkelijk als voorwaarde, dat men te Bern omgekeerd dan ook de breking des broods zou invoeren, gelijk deze te Geneve gebruikelijk was: „sed hoc vicission cupimus a Barnatibus impetratum ut fractionem panis nobiscum recipiant, ne posthac de hac quoque difïirentia nova quaestio oriscatur" (Opera Calvini t X« p. 190).

Met deze getuigenissen uit Calvijn's werken meen ik te kunnen volstaan. Er zal nu wel niemand meer twijfelen aan het feit, dat Calvijn aan de ceremonie van het breken des broods wel degelijk waarde heeft gehecht. In zijn Institutie vermeldt hQ haar als een symbool dat door Christus is ingesteld, en schrijft h^ haar bij de viering van het Avondmaal uitdrukkelijk voor. In zgn Commentaar en preeken over i Cor, 10 veroordeelt hij scherp de superstitie der Roomsche Kerk, die in plaats van de breking des broods den ouwel gesteld heeft, die door den priester In den mond der communicanten gelegd werd. En in e«n der hachelijkste oogenblikken van zijn leven, toen zgn arbeid en levenstaak te Geneve op het spel stond, aarzelde hij geenoogenblik om van het Duitsch Gereformeerde Bern te eischen, dat men daar evenals te Geneve de breking des broods zou Invoeren. Is het dan niet ietwat zonderling, wanneer Prof. Gooszen de Duitsch Gereformeerde Kerk te Bern juist noemt onder de Gereformeerde Kerken, die groote waarde hechten aan de breking des broods, en beweert, dat men te Geneve er geen nadruk op legde? En is het niet nog zonderlinger, als Prof. Kruyf verklaren komt, dat Calv^'u tegen de breking des broods was?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 oktober 1913

De Heraut | 4 Pagina's

Van de breking des broods.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 oktober 1913

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken