Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Pers.

14 minuten leestijd

In De Bazuim vond het volgende schrijven een plaats:

Mijnheer de Redacteur!

Verleen, zoo ik U beleefdelijk verzoeken mag, plaats aan dit hiervolgende schrijven over een verschil van inzicht, dat in zake de Zending rees.

Uit drieërlei oogpunt zou ik mij niet verantwoord achten, indien ik een korte toelichting, rakende dit geschilpunt, terughield, lo. Als gewezen Minister draag ik mede verantwoordelijkheid voor de aanstelüng van Generaal Van Heutz tot Gouverneur-Generaal in Indië; 2o. als gewezen Hd der Gereformeerde Synode van Middelburg, voel ik mij verantwoordelijk voor de toen in zake de Zending gekozen gedragslijn; en 3o. als reiziger in het land van den Islam voel ik mij gehouden van vooriichting te moeten dienen aan hen, die den Islam niet anders dan 't zij uit geschriften, 't zij door verblijf in onzen Oost-Indischen Archipel kennen.

Generaal Van Heutz heeft als Bewindvoerder in Indië een daad verricht, die voor onze Zending in de Oost van zeer gewichtige beteekenis was. Een groot deel van onze Buitenbezittingen v/as, toen hij op Buitenzorg den zetel innam, weinig meer dan nominaal bezit. Nu zag hij 't eerst in, hoe dit, vooral bij het opkomen van de geheel nieuwe beweging in Oost-Azië, voor ons gevaarlijk kon worden. Dit bewoog hem toen, met tact, beleid en veerkracht, dit nominaal bezit reëel te maken, en het was de onlangs afgetreden Minister H. Colijn, die daarbij zijn rechterhand was, en dit grootsche werk op zijn last tot stand bracht.

Ons bezit werd nu reëel.

Juist dit echter bracht in de godsdienstige overtuiging van de bevolking dezer gewesten ee-n volstrckten ommekeer te weeg. Zij waren Animisten, en het Animisme kan zich zulk een politieke wijziging van den toestand niet anders verklaren, dan uit machteloosheid of boosheid van zijn beschermgeesten. De heer Colijn was de eerste om hier te lande op dezen geduchten ommekeer in de gevoelens dezer Animisten te wijzen. Hij hchtte er ook mij over in, en zijn oordeel was toen, dat, nu deze Animisten hun vroegere goden loslieten, het op den weg van de Christenen in Nederland lag, onverwijld van deze gesteldheid der geesten gebruik te maken, en op krachtige wijze missionnair onder deze volken op te treden. Nu toch bestond er een kans, zooals vroeger nooit gekend was, en als nimmer zou terugkeeren, om deze streken voor het Evangelie te winnen. Doch dan moest ook toegetast, want de zaak duldde geen uitstel, daar anders, eer we een kwart eeuw verder waren, de Islam ook deze volken voor zich zou gewonnen hebben.

Van uitstel kon hierbij dus geen sprake zijn. Zoo ergens, dan kwam het hierbij op onmiddellijken spoed aan.

Nu bracht dit met name de Gereformeerde Zending in een zeer moeilijk parket.

Op tweeërlei terrein werkte ze. In de Buitenbezittingen, ook onder de Animisten, op Soemba, en voorts hoofdzakelijk in Midden-Java onder den Islam. Vooral die tweede Zending nam aller kracht in beslag. Djocja en Solo vooral werden almeer twee machtige steunpunten voor het Evangelie, waarvan men groote verwachtingen mocht koesteren. Soemba kwam er wel bij, maar de Zending op Java had toch aller hoofd en hart gewonnen. Men wenschte dan ook niets liever, dan alle kracht op Java te blijven saamtrekken. En van de geheel veranderde positie in de Buitenbezittingen nam meer dan één liefst zoo weinig mogelijk notitie.

Dit nu was te verstaan.

In een vroegere periode had het Gouvernement ons steeds naar de Buitenbezittingen verwezen. Op Java achtte de Regeering, lange aren, de Missie niet zonder gevaar. Tegen die laffe houding van de Regeering was op de Synode van Middelburg ook mijn protest uitgegaan, en met voorliefde had men zich toen onzerszijds op Java geworpen. Waarom dan nu in die taktiek niet volhard ? Men nam daarom van do geheel gewijzigde positie in de Buitenbezittingen liefst zoo weinig mogelijk kennis; leende aan de dringende roepstem, die van daar itging, liefst 'niet te veel gehoor; en scheen het soms zelfs euvel te duiden, indien, van wat kant dan ook, op het spoed-eischende van den nieuw-geschapen toestand bijzondere nadruk werd gelegd. Ook op mijn advies, op de Synode te Middelburg gegeven, beriep men zich daarbij, gelijk voor de hand lag, herhaaldelijk.

Hoe verklaarbaar dit nu ook was, het mocht mijnerzijds niet worden ontzien. Als waar is, wat met name de heer Colijn ook mij op 't hart bond, dat de kans voor het Evangelie in de Buitenbezittingen thans een geheel eenige is, althans een veel grootere dan ooit te voren, en dat, laten we die verrassende kans ongebruikt voorbijgaan, ze nooit terugkeert, wijl alsdan de Islam zich binnen een kwart eeuw zonder twijfel op heel die streek werpt, en wel zóó, dat wij er nooit meer beheerschenden toegang verkrijgen, — dan geldt het hier een gebiedende spoednoodzakelijkheid, waarop door ieder onzer gilet dient te worden.

Vlooide hieruit nu voort, dat men zijn Kerkelijke Zïnding op Java had op te geven, onze hospitalen en scholen had te sluiten, om nu plotseling, en met haast, al onze missionaire krach­ ten naar geheel andere streken buiten Java over te brengen?

NatuurUjk niet., en nimmer had men het mogen voorstellen, alsof ooit deze consequentie uit den gewijzigden toestand in de Buitenbezittingen door mij, of door wien ook, werd afgeleid.

Het tegendeel was waar. Veeleer drong ik er steeds op aan, dat we het Je Maintiendrai ook op Java zouden toepassen. Het prijsgeven toch van onze positie op Java zou een wijken voor den Islam zijn, waardoor onder de Javanen een dunk over de machteloosheid van onze Missie zou ontstaan, die nimmer meer ware goed te maken.

Wat uit de nieuwe casuspositie voortvloeide, bestond integendeel uit deze twee: Ten eerste, dat we in eersten aanloop geen verdere uitbreiding aan onze Missie op Java konden geven, noch in zake nieuwe posten, noch voor de hulpdiensten, daar dit onze beschikbare krachten in geld en personeel geheel zou uitputten. En ten tweede dat, waar we Java in geen geval mochten loslaten, nieuwe inspanning zich er op richten moest, om in de Buitenbezittingen, naast Soemba, zoo spoedig mogelijk een tweeden, zoo mogelijk een derden post te bezetten.

Daarentegen te zeggen, gelijk thans enkelen er toe neigden: «O, voorzeker, er is in de Buitenbezittingen een kans voor de Missie zooals vroeger nooit. En die kans eischt spoed. In een kwart eeuw toch is ze verspeeld, en bezet de Islam het terrein. Maar 6ns raakt, noch deert dit. Wij immers hebben alleen met Java te doen", —is voor wie ernstig doordenkt, in volstrekten zin onhoudbaar.

Veeleer zijn we pHchtshalve gehouden om, al is 't dat wij Java niet kur.-'fen noch mogen loslaten, nieuwe krachten in te spannen, om buiten en behalve onze zorgen voor Java, ook nog aan de roepstem uit den overigen Archipel gehoor te geven; met het oog daarop onder de Javanen voorshands tot geen uitbreiding van actie over te gaan; en ook om, waar wij op Java grootendeels gebonden zitten, andere Vereenigingen met de kracht van ons woord aan te sporen, deze geheel eenige aan het Christelijk Nederland geboden kans ten zegen te doen strekken. Mits we dan ook ons woord door ons eigen voorbeeld steunen.

Maar wat nooit mag, is voor deze geheel eenig schoone kans, die thans aan het Christelijk Nederland geboden wordt, een sluier te hangen, het oor' te sluiten voor de roepstem, die uit de Buitenbezittingen tot ons doordrong, en stil op Java door te werken, als ging wat daarbuiten ligt ons niet aan.

Hadden dan ook de broeders die voor dit Javaansche monopolie opkwamen, kloek en volmondig het exceptioneele van de kans buiten Java erkend, er God voor gedankt, en gezonnen op middelen om er profijt van te trekken, mits, en op beding, dat onze missie op Java geen schade leed, en we voor den Islam op Java de vlag niet streken, er ware niets op hun pleidooi af te dingen geweest.

Gelijk het nu liep, mocht daarentegen een woord van broederlijke critiek niet uitblijven. En dit te minder, daar er mijnerzijds geen oogenblik aan gedacht is Java los te laten, en ik er veeleer onze eer in stelde, waar andere uitsluitend voor de Papoea's en andere Animisten opkwamen, het principieel voor Java op te nemen. Niet, ik spreek dit zonder aarzelen uit, met te veel hoop op winst, maar uit besef van plicht en roeping.

Op Java is wat onzen Archipel aangaat, het centrum van de Islamitische macht, en daarom mag, nu Java onder de hoogheid van een Christelijke Mogendheid verkeert, in dit centrum het altaar voor het Evangelie ntet ontbreken.

Alleen wachte men zich aan de overzijde voor historisch gewraakte, en alle bewijs missende voorstellingen, die zoo vaak, hier en elders, het voor de Missie offerend publiek misleid hebben. De Islam heeft in den loop der historie steeds getoond de Christelijke Kerk, zelfs in ongelooflijk korten tijd, te kunnen neerhalen, maar omgekeerd is de Christelijke missie tegenover den Islam eeuw in eeuw uit, in alle landen, steeds bijna onmachtig ter doelbereiking gebleken.

De Animisten zijn zeer wel voor het Evangelie te winnen. In Amerika heb ik met tal van Negers kennis gemaakt, en zoo bij mannen als bij vrouwen, een bezielde waarachtige belijdenis van den Christus gevonden, die veel blanken beschaamde. Uit Suriname weten wc, hoe ook daar de Zen-ding der Hernhutters met uitnemend resultaat onder de Negers en half bloeden gewerkt heeft.

Ook onze eigen Archipel levert er bewijs voor. Terwijl op Java's dertig millioen de christelijke groep inlanders verdwijnend klein bleef en nauwelijks meetelt, mogen we op Amboina, in de Minahassa, en elders, ons verheugen in een breede schare van gedoopten, die nu reeds een zelfstandige positie innemen. Uit de landen van den Islam daarentegen is niet één enkel voorbeeld van een daaraan geëvenredigd succes aan te geven. Zeker, er wordt hier en daar vooral door moderne zendelingen op gespeculeerd, om het ongeloof ook onder de Mohamedanen te doen veldwinnen, en als zulke afdolenden dan breken met de Moskee, beroemt men zich hierop, alsof hiermede winste voor het Evangelie ware behaald. Doch onder óns althans laat niemand zich hierdoor verschalken. Vraagt man daarentegen naar streken, die vroeger onder den Islam verkeerden, en nu heel of halverwege gechristianiseerd zouden zijn, dan staat men, met de wereldkaart voor zich, beschaamd en verlegen.

Heele landen heeft de Islam aan het Christendom ontroofd, maar een lacd door de Christenheid op den Islam heroverd, bestaat er eenvoudig niet.

Nu had ik, kort na mijn aftreden als Minister, op de verder af liggende streken van Azië na, schier geheel het land van den Islam te bereizen.

Ik toog door Europeesch Turkije, met Constantinopel als middenpunt; ik doorreisde Klein-Azië tot Iconium; reisde door geheel Syrië en Palestina; ging toen naar Afrika, bezocht Egypte, Nubië en Soedan ten Oosten, en in Noord-Afrika Tunis, Algiers en Marokko.

Hier nu waren overal Missiën. In Azië zelfs zeer groote en weelderige missiën, . scholen met prachtgebouwen, hospitalen van de fijnste keur, talentvolle zendelingen, ruimgevulde kassen, en dit alles, in ^Klein-Azië, Syrië en Palestina vooral, door machtige Regeeringen gesteund. Wie op de hoogte is, weet hoe de Fransche Regeering aan de door haar gesteunde Zending haar invloed in de Middellandsche zee dankte, en hoe ItaUë, dat Frankrijk's concurrent werd, in heul en hulp aan de Missie geboden, met Frankiijk wedijvert. Men kan, al denkt men slechts aan het praalgebouw dat door de Italiaansche Regeering in Smyrna voor de Missie is opgericht, schier niel denken wat meer had kunnen gedaan worden. Deze alzijdige Missie liet metterdaad geen poging onbeproefd, om op de publieke opinie in te werken, en zij ziet zich bovendien hierbij gesteund door velerlei Christelijke kerken, die in deze landen van den Islam nog altoos kwijnend heur bestaan rekken. Met het ongeloof van de naam-Christenen, gelijk wij op Java, heeft de Missie in deze streken ganschelijk niet te worstelen. En toch, vorderingen die dien naam waard zouden zijn, maken deze Missiën niet. De scholen die ik bezocht, waren schier geheel bezet met kinderen van Mohamedaansche ouders, maar de missionairen beklaagden zich, dat het helaas bijna altijd ploegen op steengrond was. En kwamen er soms enkelen tot bekeering, dan was het zaak, ze zoo spoedig mogelijk naar Europa in veiligheid te brengen, daar ze anders hun leven niet zeker waren. Zelfs in Palestina, waar de Christelijke Kerk, dank zij de steun van Russen èn Franschen èn Duitschers zoo prachtig optreedt is bij de zonen van den Islam toch bijna niet te vorderen.. In Egypte zijn de Kopten nog, maar ze kunnen geen terrein meer veroveren. Nubie, dat van 630—1S63 nog Christelijk bleef, ging in de 16e eeuw geheel voor den Christus verloren, en er is geen kerk of kapel meer van beduidenis. In Tunis, Algiers en Marokko stond het nog bitterder. Overal missionaire actie, maar keer in den stand der geesten kon schier nergens geconstateerd. Veel zendelingen stelden hun Missiën wel zoo schoon mogelijk voor, opdat de missionaire ijver in het moederland niet verflauwen zou, maar wie ter plaatse den stand van zaken opneemt, vindt zich steeds en onveranderlijk teleurgesteld.

Toch mag dit er nooit toe leiden, om er ook maar aan te denken, dat we Java zouden loslaten. Onze positie mag daar zelfs niet verzwakt. Niet om jacht op succes, gelijk ik schreef, maar uit besef van plicht en roeping. AVe mogen voor de Halve Maan de banier van het Evangelie niet strijken. Bovenal niet in een land, vijfmaal zoo sterk bevolkt als het onze, en waar een Christelijke Mogendheid als Nederland het gezag heeft uit te oefenen.

Zelfs wensch ik verder te gaan. Niet in volstrekten zin geef ik alle hoop prijs, dat op Java in de toekomst mogelijk zou bhjken, wat overal elders op teleurstelling uitUep. De band, die de Javaansche ziel aan den Islam verbindt, is niet zoo fanatiek getint als in Klein-Azië en Syrië. Sadrach's optreden teekent. Onze Zending is er kerkelijk. Het kon een gelukkige exceptie zijn. Wel vrees ik, dat ook hier de tooverklank van bovenaardsche zelfverheffing, die de Islam allerwegen in de ziel van zijn belijder doet trillen, ten slotte de geesten betooveren zal, maar ook ik blijf toch zelf nog altoos vasthouden aan de hoop, of misschien op Java de toekomst ons nog een verrassing kon bereiden.

Men schijnt onder de Moslims op Java, nu de Missie krachtiger doorwerkt, niet al te gerust. Zelfs ging men er reeds toe over, zich te gaan verdedigen. .In deze apologetiek nu kon een levensteeken schuilen. Of 't zoo zijn zal, kan niemand uitmaken. Maar ook hier doet hoop op hoop toch leven.

Dit toch zegt niet alleen niets, maar dreigt binnen eenmenschenleeftijd onze tegenpartij zelfs te sterken.'

Maar, wat hier ook van aan zij, en welke verrassing ons hier ook bereid moge wezen, in geen geval is hier haast.

P2r is dan ook niemand, die beweert, dat Nederlands missie in de Buitenbezittingen wel wachten kan, tot Java een Christenland is geworden. En zoo blijven we derhalve staan voor de alles overheerschende chronologische tegenstelling. Op het geestelijk erf van de Buitenbezittingen is alle kans verspeeld, tenzij er onmiddellijk worde doorgetast., op Java is van zulk een exceptioneelen spoed en van zoo fatalen termijn geen sprake.

Mijn conclusie blijft derhalve: We mogen er niet aan denken, Java los te laten. Plichtshalve mogen we zelfs geen post op Java prijs geven. Slechts mag geen oogenblik vergeten, dat er naast Java, ook buiten Soemba gerekend, nog e'en tweede missieterrein voor Nederland open ligt, en dat op dat tweede terrein zich thans een dusver nooit gekende gunstige kans aanbiedt, doch een kans die in een kwarteeuw verspeeld zal zijn. Vandaar de stellige roeping, 'om met verdubbeling van krachtsinspanning naast Java, onzerzijds ook dat tweede terrein te bearbeiden, en het te verstaan dat hier extra-spoed achter moet gezet. Spoed, niet alsof ten deze de Gereformeerde Kerken de taak alleen op zich hadden te nemen. Veeleer zijn andere Missiën hier de eerst aangewezenen. Maar om in te zien, dat ook wij niet van verre mogen blijven staan, en dat we ook onzerzijds aan de roepstem, die uit de feiten hier zoo krachtig tot ons komt, gehoor hebben te geven.

Vindt dit korte woord geen gehoor, ik zal moeten berusten. Maar in elk geval voelde ik mij voor mijn God niet verantwoord, zoo ik niet sprak. In dit geding een verantwoordelijkheid dragende, zooals ze aan geen ander op de schouders is gelegd, en door bereizing van het land van den Islam, zooals geen der broederen de gevolgen doorziende, sta ik hier voor een verantwoordelijkheid, die mij spreken, eer het te laat wordt, tot plicht stelt. Ik leg het geding daarom voor de conscientie mijner broederen.

En hiermede zij mijnerzijds deze heilige eisch van de missie aan Hooger bestel overgegeven.

In geen geval mag de Missie door twist onder de broederen schade lijden.

Den Haag., 28 September 1914.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 oktober 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 oktober 1914

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken